Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1267

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
19/00371 en 19/00372
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2012. Belanghebbende heeft verzuimd om de vereiste aangifte te doen. De bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Het hof acht de schatting van het niet-aangegeven inkomen door de rechtbank op € 500.000 redelijk. Het hof ziet aanleiding tot verdere vermindering van de met betrekking tot de navorderingsaanslag ZVW 2012 opgelegde boetebeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-5-2021
V-N Vandaag 2021/1274
FutD 2021-1677 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2021/1769
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 19/00371 en 19/00372

Uitspraak op de hoger beroepen van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 juni 2019, nummers BRE 16/8675 en 16/8676, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2012 (hierna: de navorderingsaanslag IB/PVV 2012) en de navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) 2012 (hierna: de navorderingsaanslag ZVW 2012) opgelegd. Bij gelijktijdig afgegeven beschikkingen is belastingrente in rekening gebracht (hierna: beschikkingen belastingrente) en zijn boetebeschikkingen opgelegd (hierna: boetebeschikkingen).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2012, de navorderingsaanslag ZVW 2012, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen.

1.3.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor zover die de navorderingsaanslag IB/PVV 2012, de bijbehorende beschikking belastingrente en boetebeschikking en de ter zake van de navorderingsaanslag ZVW opgelegde boetebeschikking betreffen en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit nader stuk is doorgestuurd naar de inspecteur.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigden, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn de hoger beroepen met de nummers 19/00371 en 19/00372 gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld.

1.8.

De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.

1.9.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2012 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.796 (hierna: de aangifte).

2.2.

Overeenkomstig de aangifte is de aanslag IB/PVV 2012 met dagtekening 16 mei 2014 aan belanghebbende opgelegd naar een bedrag van nihil (hierna: de aanslag IB/PVV 2012). Op deze datum is tevens de aanslag ZVW 2012 aan belanghebbende opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 16.336 (hierna: de aanslag ZVW 2012). Het bijdrage-inkomen is gebaseerd op de in de aangifte IB/PVV aangegeven belastbare winst uit onderneming. De aanslag ZVW 2012 bedraagt € 816.

2.3.

Met dagtekening 5 december 2015 is de navorderingsaanslag ZVW 2012 aan belanghebbende opgelegd. De nagevorderde bijdrage ZVW bedraagt € 1.330.1 Er is nagevorderd over een bijdrage-inkomen van € 26.600.2Gelijktijdig is aan belanghebbende een beschikking belastingrente van € 123 afgegeven en een boetebeschikking van € 1.251 opgelegd. De boetebeschikking betreft een op grond van artikel 67e Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) juncto paragraaf 25 en paragraaf 27 Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) aan belanghebbende opgelegde vergrijpboete.

2.4.

Met dagtekening 12 december 2015 is de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 aan belanghebbende opgelegd. De navorderingsaanslag IB/PVV 2012 bedraagt € 1.133.144. Deze navorderingsaanslag is gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.202.436. Gelijktijdig is aan belanghebbende een beschikking belastingrente ter hoogte van € 106.326 afgegeven en een boetebeschikking ter hoogte van € 566.572 opgelegd. Ook deze boetebeschikking is op de onder 2.3. genoemde boetebepalingen gebaseerd.

2.5.

De inspecteur is bij berekening van het belastbaar inkomen uit werk en woning en het bijdrage-inkomen dat ten grondslag ligt aan de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de navorderingsaanslag ZVW 2012 uitgegaan van informatie die hij – na een hiertoe strekkend verzoek zoals bedoeld in artikel 55 AWR – van de officier van justitie heeft ontvangen. Dit betreft een door de FIOD, in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende, [A] (hierna: [A] ), [B] en [C] , opgesteld proces-verbaal met dagtekening 14 december 2012 (hierna: het proces-verbaal van 14 december 2012).

2.6.

In het proces-verbaal van 14 december 2012 is, onder meer, opgenomen dat [D] , een onderneming die op naam staat van [A] , de hierna opgenomen hoeveelheden APAAN heeft ingevoerd via vliegveld [vliegveld] :

- 16 februari 2012 200 kg;

- 13 maart 2012 500 kg;

- 30 maart 2012 600 kg;

- 11 april 2012 600 kg;

- 30 april 2012 600 kg;

- 7 mei 2012 600 kg;

- 22 mei 2012 600 kg;

- 5 juni 2012 600 kg;

- 283 juni 2012 600 kg.

2.7.

De FIOD heeft onderzoek gedaan naar het transport van de op 5 juni 2012 en 28 juni 2012 ontvangen partijen APAAN.

2.8.

Eerstgenoemde partij is op 5 juni 2012 door [A] ingeladen in een bestelbus van het merk Mercedes, type Vito, met kenteken [kenteken 1] (hierna: de bestelbus van het merk Mercedes). [A] heeft, na het inladen van de APAAN, een tussenstop gemaakt bij een tankstation in Venlo. Hij heeft op deze plaats de bestuurder van een zwarte Porsche met kenteken [kenteken 2] (hierna: de Porsche) ontmoet. De FIOD heeft de bestelauto van het merk Mercedes en de Porsche vervolgens gevolgd naar een adres is [plaats 1] . De bestelauto en de Porsche stonden hier enige tijd geparkeerd. [A] is vervolgens met de bestelauto richting zijn woonadres gereden. Daar is (op afstand) waargenomen dat de laadruimte van dit voertuig op dat moment leeg was. Na onderzoek is gebleken dat de Porsche op naam stond van [E BV] te [plaats 2] (hierna: [E BV] ) en in juni 2012 door belanghebbende werd gehuurd.

2.9.

De FIOD heeft waargenomen dat de op 28 juni 2012 ontvangen partij op diezelfde dag

door [A] en een ongeïdentificeerde persoon is ingeladen in de bestelbus van het merk Mercedes. De FIOD heeft ook deze keer geconstateerd dat, tijdens het vervoer, een tussenstop heeft plaatsgevonden bij een tankstation in Venlo. Aldaar heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen [A] en de bestuurder van een zwarte BMW, type X5, met kenteken [kenteken 3] (hierna: de BMW). De BMW stond op naam van [E BV] . De FIOD heeft waargenomen dat de laadruimte van de bestelbus is geopend en dat zowel de bestuurder van de BMW als de bestuurder van de bestelbus van het merk Mercedes bij de geopende laadruimte zijn gaan staan. Voor zover in de onderhavige procedure relevant is de bestuurder van de BMW in het proces-verbaal van 14 december 2012 als volgt omschreven:

“(…) Het is een man van tussen de 25 en 30 jaar met zeer kort haar, hij draagt een zonnebril, een wit t-shirt met daarop een afbeelding van Al Pacino en een donkere broek. Op zijn linker bovenarm zijn tatoeages te zien. (…)”.

Vervolgens is waargenomen dat de BMW en de bestelbus van het merk Mercedes hun weg hebben vervolgd naar een loods in [plaats 1] (hierna: de loods). De BMW is buiten de loods geparkeerd. De bestuurder van de BMW is de loods binnengelopen. De bestelbus van het merk Mercedes is de loods binnengereden. Genoemde bestelbus heeft de loods vervolgens weer verlaten. Ook de BMW is weer weggereden. De loods is vervolgens doorzocht.

2.10.

Bij doorzoeking van de loods is een hoeveelheid van 600 kg APAAN aangetroffen in een andere bestelauto met het merk Opel, type Movano, met het kenteken [kenteken 4] (hierna: de bestelbus van het merk Opel). Deze partij APAAN is in beslag genomen. De bestelbus van het merk Opel stond op naam van belanghebbende. Sporenonderzoek heeft uitgewezen dat, onder meer, een in de loods aangetroffen jerrycan, fles en tissues, sporen bevatten van amfetamine en metamfetamine. In de loods is, naast APAAN, methanol, ethanol en zwavelzuur aangetroffen. Bovendien zijn in de loods latex handschoenen aangetroffen. Een gedeelte van de aangetroffen latex handschoenen is aan sporenonderzoek onderworpen. Op enkele latex handschoenen is het DNA van belanghebbende aangetroffen. Op ten minste één van de handschoenen waarop het DNA van belanghebbende is aangetroffen, zijn sporen van amfetamine aangetroffen.

2.11.

APAAN kan worden omgezet in BMK door hieraan zwavelzuur, zoutzuur of fosforzuur toe te voegen en deze mix te verhitten. BMK is een grondstof voor, onder andere, amfetamine en metamfetamine.

2.12.

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is op 16 oktober 2012 de woning van belanghebbende doorzocht. Tijdens deze doorzoeking is, onder andere, de sleutel van de BMW (zie onder 2.9.) aangetroffen. Bovendien is tijdens de doorzoeking een zonnebril en wit T-shirt met een afbeelding van Al Pacino, welke sterke gelijkenis vertonen met de zonnebril en het T-shirt dat de bestuurder van de BMW op 28 juni 2012 droeg, in beslag genomen. Daarnaast is, onder andere, een bedrag in contanten ter hoogte van € 24.640 aangetroffen.

2.13.

Ter onderbouwing van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de navorderingsaanslag ZVW 2012 verwijst de inspecteur, naast de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek, naar een vermogensvergelijking. In de vermogensvergelijking wordt geconcludeerd tot een tekort van € 32.050,14.

2.14.

Belanghebbende is ook strafrechtelijk vervolgd. Voor zover in de onderhavige procedure relevant is in de strafrechtelijke procedure in hoger beroep het navolgende aan belanghebbende ten laste gelegd:

“(…) 1:

hij, als een in de Europese Gemeenschap gevestigde marktdeelnemer, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012, meermalen, althans eenmaal, te [vliegveld] (Duitsland) en/ofte [plaats 1] en/of te [woonplaats] , in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk, een geregistreerde stof van categorie 1 van bijlage I van de Verordening nummer 111/2005 van de Raad, te weten een stof (Alphaphenylacetoacetonitriile) waaruit gemakkelijk met eenvoudige en/of economisch rendabele middelen l-Fenyl-2-propanon (BMK) is te extraheren en/of die gemakkelijk met eenvoudige en/of economische rendabele middelen is om te zetten in l-Fenyl-2-propanon (BMK), zonder in het bezit te zijn van een door de bevoegde instantie van de lidstaat (Duitsland en/of Nederland) afgegeven vergunning, binnen het douanegebied van de Europese Gemeenschap heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of met betrekking tot die stof intermediaire activiteiten heeft ontplooid, namelijk heeft/hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s), in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012, meermalen, althans eenmaal, bovenvermelde stof besteld bij een leverancier in China, te weten bij [F Ltd] te [plaats 3] in China en/of vervolgens voormelde bestelling(en) betaald en/of laten transporteren van China naar Duitsland en/of vervolgens voormelde bestelling(en) naar Nederland getransporteerd en/of laten transporteren;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij, als marktdeelnemer, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012 te [vliegveld] (Duitsland) en/of te [plaats 1] en/of te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) geregistreerde stof van de categorie 1 van bijlage I van de Verordening nummer 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad, te weten een stof (Alpha-phenylacetoacetonitrille), waaruit gemakkelijk met eenvoudige en/of economisch rendabele middelen l-Fenyl-2-propanon (BMK) is te extraheren en/of die gemakkelijk met eenvoudige en/of economische rendabele middelen is om te zetten in 1 -Fenyl-2-propanon (BMK), zonder een door de bevoegde instantie afgegeven vergunning, in zijn/hun bezit heeft/hebben gehad en/of in de handel heeft/hebben gebracht;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 27 januari 2012 tot en met 28 juni 2012 te [plaats 1] en/ofte [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 4-methylamfetamine, zijnde amfetamine en/of 4-methylamfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en)te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededaders wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (al dan niet via (een) ander(en)):

- (een) stof(fen), te weten een (grote) hoeveelhe(i)d(en) Alpha-phenylacetoacetonitrille en/of methanol en/of ethanol en/of zwavelzuur (- welke stof(fen) benodigd is/zijn, althans kunnen worden gebruikt bij/voor de bereiding en/of verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I -) besteld en/of vervoerd en/of opgeslagen en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of gekocht en/of verkocht en/of ter beschikking gesteld en/of voorhanden gehad en/of

- (telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoeting(en) gehad en/of (een) bespreking(en) gevoerd en/of afspra(a)k(en) gemaakt met een of meer (mogelijke) producent(en), leverancier(s), transporteurs), financier(s), afnemers), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of ander(en) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling, verpakking, opslag en/of het vervoer van (een) (grote) hoeveelheid/heden methanol en/of ethanol en/of zwavelzuur en/of Alpha-phenylacetoacetonitrille;(…)”

2.15.

De strafkamer van het hof heeft belanghebbende bij uitspraak van 16 februari 2018 met parketnummer 20-000474-16 (hierna: de uitspraak van de strafkamer van het hof) vrijgesproken voor de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten en belanghebbende met betrekking tot het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde uitsluitend veroordeeld voor de volgende feiten:

“1:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 juni 2012 tot en met 28 juni 2012 in

Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of

vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken,

verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of 4-methylamfetamine,

zijnde amfetamine en 4-methylamfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van

die feiten, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders telkens al dan niet via (een)

ander(en)):

- een stof, te weten grote hoeveelheden Alpha-phenylacetoacetonitrille en methanol en

ethanol en zwavelzuur (welke stoffen kunnen worden gebruikt bij/voor de bereiding en/of

verwerking en/of vervaardiging van amfetamine en/of4-methylamfetamine), besteld en

vervoerd en opgeslagen en voorhanden gehad en

- contacten gehad en afspraken gemaakt met een of meer (mogelijke) leverancier(s) en/of

transporteur(s) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, levering, betaling en het vervoer

van grote hoeveelheden methanol en ethanol en zwavelzuur en Alpha-phenylacetoacetonitrille;”

2.16.

De strafkamer van het hof heeft, voor zover relevant, de navolgende overwegingen aan haar oordeel ten grondslag gelegd:

“(…) Met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde

(…) Nu ten tijde van de aan verdachte onder feit 1 primair en subsidiair verweten gedragingen de kwalificatie van 'geregistreerde stof in de zin van voormelde Verordeningen niet gold voor de stof apaan, die niet voorkwam in de lijst van geregistreerde stoffen in de zin van artikel 2, onder a, van de Verordeningen 273/2004 en 111/2005, die in de relevante bijlage bij elk van die Verordeningen is opgenomen, is het hof in navolging van de rechtbank met de advocaatgeneraal en de verdediging van oordeel dat het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat het hof verdachte daarvan zal vrijspreken. (…)

(…)

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

(…)

Het hof stelt met de rechtbank vast dat er op 28 juni 2012 in de loods aan de [adres] te [plaats 1] een aantal stoffen is aangetroffen die kunnen worden gebruikt bij de productie van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, waaronder apaan, methanol, ethanol en zwavelzuur.

Ook zijn er in de loods sporen van amfetamine en 4-methylamfetamine aangetroffen, onder meer in een jerrycan, in een Fanta-fles en op tissues. Niet is vastgesteld kunnen worden dat er in de betreffende loods amfetamine en/of 4-methylamfetamine is geproduceerd of opgeslagen.

Nu niet vastgesteld is kunnen worden waar, in welke periode en door wie amfetamine en/of 4-methylamfetamine is geproduceerd, zijn de verdachte omstandigheden waaronder voornoemde stoffen in de loods zijn aangetroffen onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit te komen. De enkele omstandigheid dat er in de loods DNA van verdachte en medeverdachten is aangetroffen op latex handschoenen, waarop tevens sporen van amfetamine en 4-methylamfetamine zijn gevonden, maakt dit niet anders, temeer nu door deskundigen de mogelijkheid van contaminatie niet wordt uitgesloten.

Gelet op het vorenstaande zal de het hof in navolging van de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

(…)

Met betrekking tot het onder 1 meer subsidiair en 4 ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte tezamen met zijn medeverdachten betrokken was bij de

transporten op 5 juni 2012 en 28 juni 2012 en dat hij zich aldus schuldig heeft gemaakt aan

het medeplegen van voorbereidings- of bevorderingshandelingen met betrekking tot de

misdrijven bedoeld in artikel 10, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet. Hetzelfde geldt

volgens haar met betrekking tot het aanwezig hebben en gebruiken van een jammer op 28 juni 2012.

(…)

Gelet op het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof met de

rechtbank van oordeel dat verdachte betrokken is geweest bij de transporten van apaan op 5

juni 2012 en 28 juni 2012.

(…)

Kortom, het hof acht op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene

wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen in de periode van 1 juni

2012 tot en met 28 juni 2012 om een feit in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen stoffen, te weten de in de bewezen

verklaring genoemde stoffen heeft besteld, gekocht, vervoerd, opgeslagen en voorhanden

heeft gehad (…).

Het verweer wordt daarom verworpen. (…)”

2.17.

Tegen de uitspraak van de strafkamer van het hof is beroep in cassatie ingesteld.

2.18.

In de fiscale procedure heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat belanghebbende in het jaar 2012 inkomsten uit de handel en het vervoer van 4.900 kilo APAAN heeft genoten. De rechtbank heeft deze inkomsten in goede justitie vastgesteld op € 500.000. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor zover die de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de daarbij genomen beschikking belastingrente en de ter zake van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en navorderingsaanslag ZVW 2012 opgelegde boetebeschikkingen betreffen, de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de daarbij genomen beschikking belastingrente en de boetebeschikkingen vernietigd, de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 514.796, de ter zake van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 afgegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de ter zake van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 respectievelijk de navorderingsaanslag ZVW 2012 afgegeven boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 54.309 respectievelijk € 531, de beroepen voor het overige ongegrond verklaard, de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de kosten van het geding bij de rechtbank aan de zijde van belanghebbende van € 1.024 en de inspecteur gelast aan belanghebbende het voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ter hoogte van € 46 te vergoeden.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Dient het door belanghebbende ingediende verzoek om aanhouding van de onderhavige zaken gehonoreerd te worden?

2. Is de navorderingsaanslag IB/PVV 2012, zoals deze luidt na vermindering door de rechtbank, terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd?

3. Is de navorderingsaanslag ZVW 2012 terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd?

4. Zijn de boetebeschikkingen, zoals deze luiden na vermindering door de rechtbank, terecht en tot de juiste bedragen aan belanghebbende afgegeven?

3.2.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting bevestigd dat in hoger beroep niet de stelling wordt ingenomen dat een navordering rechtvaardigend nieuw feit, als bedoeld in artikel 16, lid 1, AWR, ontbreekt. Ter zitting heeft de gemachtigde uitdrukkelijk en ondubbelzinnig de stelling ingetrokken dat artikel 5:44 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) respectievelijk het, zogenoemde, “una via”-beginsel in de weg staat aan het opleggen van de boetebeschikkingen. Met betrekking tot diens stelling dat de beschikkingen belastingrente verminderd dienen te worden, heeft de gemachtigde ter zitting toegelicht dat hij uitsluitend het standpunt inneemt dat deze beschikking bij vermindering van de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig verminderd dienen te worden.

3.3.

De inspecteur heeft ter zitting, desgevraagd, bevestigd dat de na te vorderen bijdrage ZVW 2012 € 1.330 bedraagt.

3.4.

Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012, de navorderingsaanslag ZVW 2012, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen. Subsidiair meent belanghebbende dat het niet redelijk is om te veronderstellen dat hij meer dan € 51.000 heeft ontvangen voor zijn betrokkenheid bij de transporten van 5 en 28 juni 2012.

De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

1. Verzoek tot aanhouding

4.1.

Belanghebbende heeft verzocht om aanhouding van de onderhavige zaken totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de strafrechtelijke procedure (zie onder 2.14. tot en met 2.17).

4.2.

Het hof ziet in de enkele omstandigheid dat de Hoge Raad in de strafzaak nog geen arrest heeft gewezen onvoldoende aanleiding om de onderhavige zaken aan te houden. Het hof stelt bij deze beslissing voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de belastingrechter een zelfstandig oordeel dient te vormen over het fiscale geschil en hierbij niet gebonden is aan enig oordeel van de strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex.4

4.3.

In uitzonderlijke omstandigheden kan van dit uitgangspunt afgeweken worden. Hierbij valt te denken aan de omstandigheid dat een belanghebbende aannemelijk maakt dat de kans groot is dat in de strafzaak – bijvoorbeeld door nog af te nemen getuigenverhoren – feiten en omstandigheden naar boven zullen komen die ook van belang kunnen zijn voor de belastingprocedure. Aangezien de Hoge Raad geen feitenrechter is, is zonder nadere onderbouwing, echter niet aannemelijk dat deze bijzondere omstandigheid zich in het onderhavige geval voordoet. Gesteld noch gebleken is dat het voor het hof om andere redenen onmogelijk is om op basis van de in de belastingprocedure beschikbare informatie een juist en volledig beeld te vormen over de relevante feiten en omstandigheden en hieruit een goed afgewogen, zelfstandig oordeel te vormen.

4.4.

De ter zitting gegeven toelichting dat de achtergrond van dit verzoek, met name, te maken heeft met de onschuldpresumptie maakt dit, reeds vanwege de omstandigheid dat dit beginsel ook te gelden heeft in situatie waarin er sprake is van een nog niet onherroepelijk vaststaande (gedeeltelijke) vrijspraak in een strafzaak, niet anders.

4.5.

Het hof beantwoordt vraag 1, gelet op het vorenoverwogene, ontkennend.

2 en 3. Hoogte navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW 2012

4.6.

Belanghebbende verzet zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat hij in 2012 inkomsten uit de handel en het vervoer van 4.900 kilogram APAAN heeft genoten ter hoogte van € 500.000. Belanghebbende stelt primair dat hij uitsluitend het door hem in de aangifte aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning ter hoogte van € 14.796 heeft genoten. Voorts stelt belanghebbende dat het oordeel van de rechtbank strijdig is met het oordeel van de strafrechter.

4.7.

Het hof stelt voorop dat de rechtbank met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast tot het oordeel is gekomen dat belanghebbende inkomsten ter hoogte van € 500.000 heeft genoten. De omkering en verzwaring van de bewijslast is gebaseerd op het niet doen van de vereiste aangifte. Belanghebbende betwist dat daar sprake van is.

4.8.

Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. De belastingplichtige dient ten tijde van het doen van aangifte te weten of zich ervan bewust te zijn dat door de gebreken in de aangifte een aanzienlijk bedrag aan IB/PVV niet zal worden geheven.5 Het voorgaande heeft eveneens te gelden voor de ZVW.

4.9.

De inspecteur heeft aan de hand van de vermogensvergelijking aannemelijk gemaakt dat belanghebbende verzuimd heeft om de vereiste aangifte te doen. Dit geldt zowel voor de IB/PVV als de ZVW. De vermogensvergelijking levert het beeld op dat belanghebbende en zijn gezin in 2012 grotere uitgaven hebben gedaan dan verklaarbaar is op basis van de bij de Belastingdienst bekende inkomsten en banksaldi. De inspecteur concludeert in de vermogensvergelijking tot een tekort van € 32.050,14.

4.10.

Belanghebbende heeft de juistheid van enkele in de vermogensvergelijking benoemde posten betwist. Meer in het bijzonder heeft belanghebbende aangevoerd (1) dat het tijdens de huiszoeking aangetroffen bedrag aan contanten vermogen betreft dat hij (gedurende meerdere jaren) uit legale inkomstenbronnen heeft gespaard, (2) dat de inspecteur geen rekening heeft gehouden met giften en bijdragen voor zijn bruiloft en

(3) dat de inspecteur bij berekening van de huurkosten van de BMW van een te lange huurperiode (namelijk 25 juni tot en met 30 juni 2012 en juli tot en met september 2012) is uitgegaan.

4.11.

Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende de in de vermogensvergelijking benoemde posten (1) contanten, (2) bruiloft en (3) BMW onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof acht hierbij van belang dat de inspecteur de wijze waarop deze posten zijn berekend uitgebreid heeft gemotiveerd. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd om twijfel te zaaien over de juistheid van deze kostenposten. Het hof wijst de stelling van belanghebbende met betrekking tot de tijdens de huiszoeking aangetroffen contanten als onvoldoende geloofwaardig van de hand. Dat belanghebbende in hoger beroep bankafschriften met betrekking tot de periode 12 december 2010 tot en met 29 augustus 2011 heeft overgelegd waaruit substantiële contante opnamen blijken, leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft de door hem gestelde giften en bijdragen voor zijn bruiloft niet nader cijfermatig onderbouwd. Met betrekking tot de huurkosten van de BMW merkt het hof op dat het dossier aanwijzingen oplevert dat de huurperiode die de inspecteur in de berekening heeft betrokken zelfs aan de voorzichtige kant lijkt, aangezien deze periode niet de datum bestrijkt waarop de sleutel van dit voertuig tijdens een huiszoeking in de woning van belanghebbende is aangetroffen (16 oktober 2012, zie onder 2.12).

4.12.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat voornoemde posten terecht en niet tot een te hoog bedrag in de vermogensvergelijking zijn opgenomen. Gesteld noch gebleken is dat de overige in de vermogensvergelijking opgenomen posten te hoog zijn.

4.13.

Het hof, acht mede gelet op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek, aannemelijk dat het inkomstentekort van € 32.050,14 zoals opgenomen in de vermogensvergelijking inkomsten betreffen die belanghebbende uit illegale activiteiten heeft genoten.

4.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er sprake is van een gebrek in de aangifte, aangezien daarin ten minste een bedrag van € 32.050,14 aan inkomsten niet is aangegeven. De volgens de aangifte verschuldigde belasting over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.796 is zowel absoluut als relatief gezien aanzienlijk lager dan het verschuldigde belasting over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.846.6 Het vorenoverwogene heeft eveneens te gelden met betrekking tot de bijdrage ZVW. Het bijdrage-inkomen zoals dat volgt uit de aangifte is € 23.4647, terwijl vermeerderd met het uit de vermogensvergelijking volgende tekort bijdrage ZVW verschuldigd is over het maximum bijdrage-inkomen van € 50.064.

4.15.

Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende zich er op het moment van het doen van de aangifte bewust van was dat het volgen van deze aangifte zou leiden tot een zowel absoluut als relatief lagere IB/PVV-heffing respectievelijk bijdrage ZVW dan hij daadwerkelijk verschuldigd was. De omstandigheid dat de verzwegen inkomsten uit illegale activiteiten zijn verkregen, doet hier niet aan af. Ook inkomsten uit illegale bronnen dienen aangegeven te worden. Iedere belastingplichtige wordt geacht van dit wettelijk voorschrift op de hoogte te zijn. Mede gelet op het illegale karakter van de inkomsten acht het hof aannemelijk dat belanghebbende deze inkomsten buiten het zicht van de Belastingdienst wenste te houden door deze niet aan te geven.

4.16.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat belanghebbende zowel met betrekking tot de IB/PVV als de ZVW niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank heeft de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard.

4.17.

Gelet op toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast dient belanghebbende te doen blijken, dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is. Beoordeeld dient te worden of belanghebbende heeft doen blijken dat het oordeel van de rechtbank dat het een redelijke schatting is dat hij in 2012 inkomsten ter hoogte van € 500.000 heeft genoten uit het vervoer en de handel in 4.900 kilogram APAAN onjuist is.

4.18.

Belanghebbende heeft tegen het oordeel van de rechtbank aangevoerd dat dit in strijd is met het oordeel van de strafrechter. Zoals hierboven onder 4.2 is opgemerkt, is de bestuursrechter niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van een strafrechter.8 Dit neemt echter niet weg dat de bestuursrechter met zijn oordeel en zijn optreden, de motivering van zijn beslissing en de door hem gebruikte bewoordingen geen twijfel mag doen ontstaan over de juistheid van een strafrechtelijke vrijspraak, de beslissing om af te zien van strafrechtelijke vervolging respectievelijk de beslissing om een strafzaak te seponeren.9 Deze, uit artikel 6, lid 2, EVRM voortvloeiende, beperking van de beoordelingsruimte door de bestuursrechter geldt alleen indien er sprake is van een voldoende band tussen de strafzaak en de bestuursrechtelijke zaak.

4.19.

Er bestaat een voldoende band, zoals hierboven bedoeld, tussen de strafzaak waarnaar verwezen wordt onder 2.14 tot en met 2.17 en de onderhavige procedure.

Belanghebbende is door de strafkamer van het hof vrijgesproken voor de invoer, uitvoer, bezit en handel in APAAN. Bovendien is belanghebbende, onder meer, vrijgesproken voor het in de periode 27 januari 2012 tot 1 juni 2012, met het oogmerk om amfetamine en/of 4-methylamfetamine te produceren, voorhanden hebben van APAAN.

4.20.

Beoordeeld dient te worden of de beslissing van de rechtbank dat belanghebbende in 2012 inkomsten uit de handel en het vervoer van 4.900 kilogram APAAN ter hoogte van € 500.000 heeft genoten respectievelijk de argumentatie die de rechtbank aan deze beslissing ten grondslag heeft gelegd twijfel doet ontstaan over de juistheid van de gedeeltelijke vrijspraak van belanghebbende in de strafzaak.

4.21.

De door de rechtbank genoemde hoeveelheid APAAN betreft een optelsom van de in het strafrechtelijk onderzoek genoemde leveringen aan [D] in de periode 16 februari 2012 tot en met 18 juni 2012 (zie onder 2.6). In de uitspraak van de rechtbank valt, derhalve, impliciet het oordeel te lezen dat belanghebbende zich gedurende deze gehele periode, en niet uitsluitend in de periode 5 juni 2012 tot en met 28 juni 2012, bezig heeft gehouden met de handel en het vervoer van APAAN.

4.22.

Naar het oordeel van het hof doet het oordeel van de rechtbank en de hieraan ten grondslag liggende bewoordingen geen twijfel ontstaan over de juistheid van de gedeeltelijke vrijspraak in de strafzaak.

4.23.

De strafkamer van het hof is immers niet toegekomen aan inhoudelijke beantwoording van de vraag of belanghebbende zich in het jaar 2012 heeft beziggehouden met de invoer, de uitvoer, het bezit van en de handel in APAAN, aangezien deze stof ten tijde van het begaan van de verweten gedragingen niet voorkwam op de lijst van geregistreerde stoffen in de zin van artikel 2, onderdeel a, Verordeningen 273/2004 en 111/2005. Kort gezegd, was het uitvoeren van deze handelingen (destijds) niet strafbaar zonder dat een link gelegd kon worden met de productie van amfetamine respectievelijk 4-methylamfetamine.

4.24.

Anderzijds valt in de uitspraak van de strafkamer niet te lezen dat strafrechtelijk niet bewezen kan worden dat belanghebbende in de periode 27 januari 2012 tot 1 juni 2012 APAAN ter beschikking heeft gehad respectievelijk zich in deze periode bezig heeft gehouden met de handel in APAAN. De strafrechtelijke vrijspraak voor het in de periode 27 januari 2012 tot 1 juni 2012, met het oogmerk op het produceren van amfetamine en/of 4-methylamfetamine, voorhanden hebben van APAAN lijkt meer te maken te hebben met de omstandigheid dat strafrechtelijk niet bewezen kan worden “in welke periode en door wie amfetamine en/of 4-methylamfetamine is geproduceerd”. Een link met de productie van amfetamine en/of 4-methylamfetamine is niet noodzakelijk om, voor belastingdoeleinden, aannemelijk te achten dat belanghebbende inkomsten heeft genoten uit de handel en het vervoer van APAAN.

4.25.

Het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat, voor belastingdoeleinden, bewezen is dat belanghebbende gedurende de periode 16 februari 2012 tot en met 18 juni 2012 APAAN ter beschikking heeft gehad, heeft verhandeld en heeft vervoerd, is, derhalve, niet strijdig met artikel 6, lid 2, EVRM. Het hof wijst in dit kader, nogmaals, op het verschil in bewijsrechtelijke regels tussen het strafrecht en het belastingrecht. Dit heeft te meer te gelden nu in de onderhavige procedure de bewijslast, wegens het niet doen van de vereiste aangifte, is omgekeerd en verzwaard.

4.26.

Belanghebbende heeft, voor belastingdoeleinden, onvoldoende aangevoerd om aan te tonen dat hij uitsluitend op 5 juni 2012 en 18 juni 2012 respectievelijk niet gedurende de gehele periode 16 februari 2012 tot en met 18 juni 2012 betrokken was bij de handel in en het vervoer van APAAN.

4.27.

Het hof acht, gelet op de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek, aannemelijk dat het vervoer van APAAN op 5 juni 2012 en 28 juni 2012, onder meer, in samenwerking met [A] heeft plaatsgevonden. Het hof acht, mede gelet op de vermogensvergelijking en het feit dat het strafrechtelijk onderzoek sterke aanwijzingen oplevert dat [A] ook op 16 februari 2012, 13 maart 2012, 30 maart 2012, 11 april 2012, 30 april 2012, 7 mei 2012 en 22 mei 2012 partijen APAAN heeft ingevoerd, aannemelijk dat belanghebbende de op 5 juni 2012 respectievelijk 18 juni 2012 geconstateerde vervoersdiensten ook met betrekking tot de overige hiervoor genoemde partijen APAAN heeft verricht. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voor zover belanghebbende stelt dat hij geen administratie heeft bijgehouden van deze illegale activiteiten en om deze reden geen bewijsstukken ter onderbouwing van zijn stelling kan overleggen, dient deze omstandigheid voor zijn rekening en risico te blijven.

4.28.

Beoordeeld dient vervolgens te worden of de schatting van het niet-aangegeven inkomen redelijk is. Naar het oordeel van het hof doorstaat de vaststelling door de rechtbank van het niet-aangegeven inkomen op € 500.000 deze toets. Het hof verwijst in dit kader naar de vermogensvergelijking, de betrokkenheid van belanghebbende bij de invoer van diverse grote partijen APAAN (zie onder 4.27) en de in het strafrechtelijk onderzoek opgenomen berekeningen waaruit volgt dat grote bedragen gemoeid zijn met de handel in APAAN. Het hof acht het een redelijke schatting dat belanghebbende € 500.000 heeft verdiend met het vervoer van 4.900 kilogram APAAN. Dit betreft resultaat uit overige werkzaamheden.

4.29.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de rechtbank de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 terecht heeft verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 514.796.

4.30.

Voor de ZVW heeft dit tot gevolg dat belanghebbende een bijdrage verschuldigd is over het maximum bijdrage-inkomen van € 50.064. Aangezien belanghebbende reeds bijdrage ZVW heeft voldaan over een bijdrage-inkomen van € 23.46410, kan uitsluitend nagevorderd worden over een bijdrage-inkomen van € 26.600. Dit resulteert in navordering van € 1.33011, hetgeen de inspecteur ter zitting heeft bevestigd. Het hof verkeerde tijdens de zitting, ten onrechte, in de veronderstelling dat de navorderingsaanslag ZVW hoger was dan € 1.330. Dit blijkt, bij nadere bestudering van het dossier, niet juist te zijn. De ter zitting door de voorzitter gedane mededeling dat het hoger beroep reeds om deze reden gegrond is, blijkt, bij nader inzien, derhalve ook niet juist te zijn. Het hof handhaaft de navorderingsaanslag ZVW 2012, aangezien deze geen rekenfout blijkt te bevatten.

4.31.

Het hof beantwoordt vragen 2 en 3 bevestigend.

4. Boetebeschikkingen

4.32.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de boetebeschikkingen.

4.33.

De boetebeschikkingen zijn gebaseerd op artikel 67e AWR. De inspecteur stelt dat het aan voorwaardelijke opzet van belanghebbende te wijten is dat de aanslagen IB/PVV 2012 en ZVW 2012 op te lage bedragen zijn vastgesteld. Uit de vooraankondiging van de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en ZVW 2012, waarin tevens is aangekondigd dat de inspecteur voornemens is boetebeschikkingen op te leggen, blijkt dat de inspecteur beoogd heeft om boetebeschikkingen van 50% van de nagevorderde bedragen op te leggen. Dit is in lijn met het bepaalde in paragraaf 25, onderdeel 3, van het BBBB.

4.34.

Zoals hierboven bij de beantwoording van vragen 2 en 3 overwogen, acht het hof aannemelijk dat belanghebbende in 2012 APAAN heeft vervoerd en verhandeld en dat hij hieruit inkomen ter hoogte van € 500.000 heeft genomen. Belanghebbende heeft deze inkomsten niet in de aangifte verantwoord. Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende hiermee, in ieder geval, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aanslag IB/PVV 2012 respectievelijk de aanslag ZVW 2012 tot een te laag bedrag vastgesteld zou worden. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende niet op de hoogte was van de wettelijke verplichting om ook inkomsten uit illegale bronnen in de aangifte te vermelden. Gelet op deze omstandigheid en gelet op de illegale herkomst van de inkomsten acht het hof aannemelijk dat het niet-vermelden van deze inkomsten op een bewuste keuze, met als doel om deze inkomsten verborgen te houden, berust. Het hof acht met betrekking tot het in artikel 67e AWR opgenomen beboetbare feit voorwaardelijke opzet bewezen.

4.35.

Aan het vorenoverwogene doet niet af dat de aangifte door een adviseur is ingediend. Voor zover belanghebbende met deze stelling aannemelijk wil maken dat hij erop mocht vertrouwen dat de adviseur de inkomsten uit illegale bronnen op juiste wijze in de aangifte zou verwerken, faalt dit betoog reeds aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende de adviseur (voorafgaande aan het indienen van de aangifte) op de hoogte heeft gesteld van het genieten van deze inkomsten.12 Het feit dat deze inkomsten niet zijn aangegeven, is niet toe te rekenen aan de adviseur, maar aan belanghebbende zelf. Het hof komt, om deze reden, niet toe aan beantwoording van de vraag of de adviseur opzettelijk te weinig inkomen heeft aangegeven en of de opzet van de adviseur toegerekend kan worden aan belanghebbende.

4.36.

Het hof ziet geen aanleiding om de boetebeschikking met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 verder te verminderen dan de rechtbank heeft gedaan13, dan wel deze boetebeschikking te vernietigen. Voor vermindering van de met betrekking tot de navorderingsaanslag ZVW 2012 opgelegde boetebeschikking ziet het hof echter wel aanleiding.

4.37.

Zoals hierboven onder 4.33 overwogen, blijkt uit het dossier dat de inspecteur heeft beoogd om met betrekking tot de navorderingsaanslag ZVW 2012 een boetebeschikking ter hoogte van 50% van het bedrag van het na te vorderen bedrag op te leggen. Zoals ter zitting door de inspecteur bevestigt, bedraagt het nagevorderde bedrag voor de ZVW € 1.330. De opgelegde boetebeschikking bedraagt echter € 1.251. De rechtbank is bij vermindering van de boetebeschikking van dit onjuiste boetebedrag uitgegaan.

4.38.

Het hof sluit zich, daarentegen, wel aan bij het oordeel van de rechtbank dat, gelet op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval (boetegrondslag is gebaseerd op een schatting en in de vermogensvergelijking wordt geconcludeerd tot een veel lager tekort), een boetebeschikking van 25% redelijk is en dat boete verder verminderd dient te worden met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn. De behandelingsduur van het hoger beroep rechtvaardigt geen verdere matiging.

4.39.

Het hof vermindert de ter zake van de navorderingsaanslag ZVW 2012 opgelegde boetebeschikking tot € 282.14 Deze boete is gebaseerd op een boetegrondslag van € 1.330, boetepercentage van 25% en matiging in verband met overschrijding van de redelijke termijn met 15%.

4.40.

Aangezien de rechtbank bij vermindering van de ter zake van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegde boetebeschikking de juiste boetegrondslag heeft gehanteerd15 en het vorenoverwogene met betrekking tot het boetepercentage van 25% en de matiging met 15% ook voor deze boete te gelden heeft, handhaaft het hof de boetebeschikking zoals deze luidt na vermindering door de rechtbank.16

4.41.

Voor zover de ter zitting door belanghebbende gegeven toelichting op zijn financiële omstandigheden opgevat dient te worden als een beroep op vermindering van de boetebeschikkingen wegens financiële moeilijkheden, ziet het hof in de door belanghebbende gestelde, maar niet nader onderbouwde, financiële omstandigheden geen aanleiding om de boetebeschikkingen verder te verminderen.

4.42.

Het hof beantwoordt vraag 4 ontkennend voor zover dit de met betrekking tot de navorderingsaanslag ZVW 2012 opgelegde boetebeschikking betreft en bevestigend voor zover dit de met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 opgelegde boetebeschikking betreft.

Tussenconclusie

4.43.

De slotsom is dat het hoger beroep met het nummer 19/00371 ongegrond en het hoger beroep met het nummer 19/00372 gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.44.

De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 128 te vergoeden, omdat het hoger beroep met het nummer 19/00372 gegrond is. Het hof laat de door de rechtbank gelaste veroordeling van de inspecteur tot vergoeding van het door belanghebbende bij de rechtbank betaalde griffierecht in stand.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.45.

Voor zover in het hoger beroepschrift een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar ligt besloten, wijst het hof dit verzoek af. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar voordat de inspecteur op het bezwaar heeft beslist.17

Ten aanzien van de proceskosten

4.46.

Er bestaat aanleiding om de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat de door belanghebbende ingestelde beroepen gegrond zijn evenals het hoger beroep met het nummer 19/00372. Aangezien het hof de door de rechtbank uitgesproken veroordeling in de kosten voor de behandeling van het beroep in stand laat, stelt het hof uitsluitend de veroordeling in de kosten voor de behandeling van het hoger beroep vast.

4.47.

Het hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van het hoger beroep op 2 (punten) x € 534 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.068.

4.48.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep met het nummer 19/00371 ongegrond;

  • -

    verklaart het hoger beroep met het nummer 19/00372 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor wat betreft de beslissing omtrent de ter zake van de navorderingsaanslag ZVW 2012 opgelegde boetebeschikking;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep gegrond voor zover is gericht tegen deze boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze op de boetebeschikking ziet;

  • -

    vermindert de met betrekking tot de navorderingsaanslag ZVW 2012 opgelegde boetebeschikking tot een bedrag van € 282;

  • -

    bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 128 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.068;

De uitspraak is gedaan door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, M. Harthoorn en J.W. de Tombe, in tegenwoordigheid van J.M.A. van Rooij-Beckers, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 € 2.146 (bijdrage ZVW) - € 816 (eerder vastgesteld bedrag).

2 € 50.064 (maximum bijdrage-inkomen) - € 16.336 (begrepen in de aanslag) - € 7.128 (inkomen uit dienstbetrekking).

3 In het proces-verbaal is per abuis bij de opsomming 18 juni 2014 in plaats van 28 juni 2014 vermeld.

4 Hoge Raad 10 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2713 en Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643.

5 Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083 en Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.

6 € 14.796 + € 32.050.

7 € 16.336 (belastbare winst) + € 7.128 (inkomen uit dienstbetrekking).

8 Zie, onder andere, EHRM 23 oktober 2014, Melo Tadeu, ECLI:CE:ECHR:2014:1023JUD002778519 en Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643.

9 Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:958 en Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140.

10 € 7.128 (door middel van inhouding; onder 2.1) + € 16.336 (naar aanleiding van de aanslag ZVW 2012; onder 2.2).

11 € 26.600 x 0,05.

12 Vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:254.

13 De rechtbank heeft de boetebeschikking verminderd tot 25% vanwege de omstandigheid dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast en vervolgens gematigd met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn.

14 € 1.330 x 0,25 x 0,85 = € 282.

15 Boetegrondslag: € 256.783 (na te vorderen IB/PVV, r.o. 4.10 uitspraak rechtbank) - € 1.212 (loonheffing) = € 255.571.

16 € 255.571 x 0,25 x 0,85 = € 54.309.

17 Artikel 7:15, lid 3, AWB.