Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1244

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
200.279.534_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Familie- en Jeugdrecht

zaaknummer : 200.279.534/01

zaaknummer rechtbank : C/03/265154 / FA RK 19-2124

beschikking van de meervoudige kamer van 22 april 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D.J.P.H. Stoelhorst te Roermond,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.H.A. Wijen te Weert.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 4 maart 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, zoals hersteld bij beschikking van 16 juni 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 4 juni 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 21 juli 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van

- een (fax)brief van de zijde van de vrouw van 11 februari 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de man met bijlagen, ingekomen op 22 februari 2021;

- een journaalbericht van de zijde van de man, met toestemming van het hof ingekomen op 17 maart 2021, derhalve na de mondelinge behandeling.

2.4

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] heeft bij brief van 11 februari 2021 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 9 maart 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door mr. Stoelhorst;

- de vrouw.

Mr. Wijen is – met bericht van verhindering – niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk zijn, voor zover thans van belang, geboren:

- [minderjarige 1] (ook te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (ook te noemen: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking van 13 november 2013 heeft de rechtbank Limburg (Roermond) tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 maart 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking is geen door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook: kinderalimentatie) bepaald omdat de kinderen op dat moment uit huis geplaatst waren.

3.4

Bij beschikking van 19 maart 2015 heeft dit hof, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2014 als kinderalimentatie dient te voldoen een bedrag van € 187,-- per kind per maand (geïndexeerd naar 2019 € 201,84 per kind per maand).

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, voormelde beschikking van 19 maart 2015 gewijzigd wat betreft de daarbij vastgestelde kinderalimentatie en bepaald dat de man met ingang van 11 juni 2019 als kinderalimentatie dient te voldoen een bedrag van € 186,-- per kind per maand.

4.2

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen – naar het hof begrijpt wat betreft de daarbij vastgestelde kinderalimentatie – en opnieuw rechtdoende de door de man te betalen kinderalimentatie te bepalen op nihil, primair met ingang van 1 januari 2019 dan wel met ingang van – naar het hof begrijpt – 11 juni 2019, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht, kosten rechtens.

De grieven van de man zien op de ingangsdatum en zijn draagkracht.

4.3

De vrouw verzoekt de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans het beroep af te wijzen als ongegrond en/of niet bewezen, althans niet steunend op de wet en de bestreden beschikking en herstelbeschikking, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden

5.1

Niet in geschil is dat sprake is van een wijziging van omstandigheden welke een herbeoordeling van de door de man te betalen kinderalimentatie rechtvaardigt.

Ingangsdatum

5.2.1

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, 11 juni 2019, is tussen partijen in geschil.

5.2.2

De man verzoekt primair de ingangsdatum te bepalen op 1 januari 2019. Hij heeft zijn alimentatiebetalingen per 1 januari 2019 moeten stoppen zodat de vrouw vanaf die datum rekening kon houden met een wijziging van de onderhoudsbijdragen. Het LBIO is op 21 maart 2019 verzocht de incasso te staken zodat de vrouw al eerder dan met ingang van 11 juni 2019 rekening kon houden met een gewijzigde draagkracht van de man.

5.2.3

De vrouw voert aan dat de ingangsdatum terecht is bepaald op 11 juni 2019. De man is zonder overleg en zonder bericht per 1 januari 2019 gestopt met het betalen van de onderhoudsbijdragen. De vrouw heeft hem gesommeerd tot betaling en uiteindelijk heeft zij op 9 februari 2019 het LBIO ingeschakeld. Op 25 maart 2019 heeft de advocaat van de man een conceptverzoek naar het LBIO gestuurd, welke de vrouw niet heeft gekregen. Toen eind mei 2019 nog niets was ontvangen en uit navraag bij de rechtbank bleek dat er nog geen proces aanhangig was, heeft het LBIO de incasso voortgezet. Al die tijd ontving heeft de vrouw geen reactie van de man ontvangen. De man heeft pas op 11 juni 2019 een wijzigingsverzoek ingediend.

5.2.4

Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

5.2.5

Het hof is van oordeel dat als ingangsdatum van de wijziging dient te gelden de datum waarop de vrouw kennis heeft kunnen nemen van het door de man in eerste aanleg ingediende verzoekschrift, zijnde 11 juni 2019. Dat de man met ingang van 1 januari 2019 is gestopt met het betalen van de door hem verschuldigde onderhoudsbijdragen of dat de man het LBIO heeft verzocht om de incasso te staken, leidt er niet toe dat de vrouw rekening behoefde te houden met een wijziging van de vastgestelde onderhoudsbijdragen. De man is – zoals onweersproken door de vrouw naar voren is gebracht – zonder enige vorm van overleg en zonder voorafgaand bericht gestopt met de betaling van de onderhoudsbijdragen. Evenmin heeft hij de vrouw inzage gegeven in zijn financiële situatie. Ook nadat de vrouw de man heeft verzocht de bijdragen te voldoen en zij het LBIO heeft ingeschakeld, heeft zij geen reactie van de man ontvangen.

Hoogte behoefte kinderen

5.3

De in 2013 door de rechtbank becijferde behoefte van € 192,-- per kind per maand is niet in geschil. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte in 2019 € 209,10 per kind per maand.

Draagkracht

5.4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat aan de zijde van de vrouw rekening wordt gehouden met een minimale draagkracht van € 25,-- per kind per maand.

5.4.2

De draagkracht van de man is in geschil.

5.4.3

De man voert, samengevat, het volgende aan.

De man heeft zijn financiële situatie voldoende onderbouwd. Hij heeft alle informatie overgelegd. Het is overigens aan de man te bepalen waar hij zijn aandeel in de overwaarde van de voormalige echtelijke woning voor aanwendt. Hij heeft de overwaarde niet gebruikt om de schuld aan het UWV af te lossen omdat hij hiermee een doorstart met het hondenpension wilde maken. Om te kunnen leven en de alimentatie te kunnen betalen is de man vervolgens ingeteerd op zijn vermogen. Hij heeft uit zijn vermogen de alimentatie betaald in plaats van er andere verplichtingen (schulden) mee te voldoen. Uit de bankrekeningafschriften blijkt wat de man heeft betaald, waarvan hij heeft geleefd en welke inkomsten hij heeft verworven door de verkoop van roerende zaken. Op het moment dat er weinig vermogen meer was heeft de man een baan gevonden. De man heeft zijn huurwoning moeten verlaten en woont tijdelijk bij zijn broer omdat hij de huur niet meer kon betalen.

Er moet niet gerekend worden met een fictief inkomen. Het hondenpension is destijds opgestart vanuit de Ziektewet. De man heeft nog altijd dezelfde gezondheidsklachten, waardoor hij wordt beperkt in zijn belastbaarheid. Door de verkoop van de echtelijke woning heeft de man het hondenpension moeten staken en het is niet gelukt een doorstart te maken. De man is open geweest over zijn werkzaamheden. Met zijn huidige werkzaamheden verdient hij minder dan met het hondenpension en zijn inkomen is niet voor herstel vatbaar. Sinds 1 mei 2020 werkt de man weer bij [bedrijf] . Hij staat ingeschreven bij twee uitzendbureaus maar is nooit opgeroepen voor werk.

5.4.4

De vrouw voert, samengevat, het volgende aan.

De door de man overgelegde stukken met betrekking tot zijn inkomen en zijn vermogen zijn niet volledig. Er moet meer zijn aangezien de man weinig contant geld opneemt en uit de bankrekeningafschriften niets blijkt van uitgaven voor boodschappen, brandstof voor de auto, sigaretten enzovoorts. Evenmin blijkt daaruit van de bijdrage aan [naam] van € 450,-- per maand tot september 2019. Verder wordt er veel gewisseld door het overmaken van geld en het opzeggen en afsluiten van rekeningen.

Er is terecht uitgegaan van een (fictief) inkomen. De echtelijke woning stond al vanaf 2012 in de verkoop zodat de man vanaf dat moment een alternatief/plan had kunnen bedenken. De man heeft met het hondenpension laten zien dat hij in staat is gewoon te werken en inkomen te genereren. De vrouw heeft haar twijfels bij de inkomensgegevens van de man. Hij werkt de hele dag. Ook heeft hij een zzp-verzekering die in december even is opgezegd. Verder is het vreemd dat de vaste aanstelling van de man (op de loonstrook staat dat sprake is van een contract voor onbepaalde tijd) bij [B.V.] B.V. wordt opgezegd en dat de man vervolgens een nul-uren contract bij [bedrijf] krijgt. In ieder geval zijn er functies die de man met zijn beperkingen wel kan verrichten en daarmee kan hij het vastgestelde fictieve inkomen genereren. De man zoekt niet actief naar werk.

5.4.5

Het hof overweegt als volgt.

De man stelt dat er sprake is van een inkomensdaling, waardoor hij geen draagkracht heeft om aan zijn onderhoudsverplichting te voldoen.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

De stelling van de man dat hij in zijn arbeidsmogelijkheden wordt beperkt ten gevolge van een auto immuunziekte, en dat hij om die reden vanaf 2010 een WAO-uitkering ontvangt, wordt door de vrouw erkend. Uit het arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 29 maart 2019 (bijlage bij de overgelegde brief van het UWV d.d. 7 mei 2019) in verband met de door de man aangevraagde herbeoordeling voor een WIA-uitkering blijkt dat de man een verdiencapaciteit heeft van € 13,29 bruto per uur, ofwel € 2.182,65 bruto per maand. Door de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning kon de exploitatie van het door de man aan huis gehouden hondenpension niet worden voortgezet. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ruim drie jaar later (nog altijd) geen doorstart heeft kunnen maken met het hondenpension wegens het ontbreken van een geschikte en financieel voldoende aantrekkelijke locatie. Uit de door de man overgelegde financiële bescheiden blijkt dat het huidige inkomen van de man lager is dan zijn inkomen dat hij verwierf uit het door hem in de voormalig echtelijke woning geëxploiteerde hondenpension. Gelet op het voorgaande acht het hof het inkomen van de man dat hij genereerde met de exploitatie van het hondenpension niet (langer) voor herstel vatbaar.

De in voormeld arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 29 maart 2019 vastgestelde verdiencapaciteit van de man is echter niet gebaseerd op het inkomen dat de man met het hondenpension genereerde maar op een inkomen behorende bij functies die de man gelet op zijn beperkingen nog kan uitoefenen. Door de man is hiertegen geen bezwaar gemaakt. Het huidige inkomen van de man is ook lager dan het inkomen dat hij gelet op deze verdiencapaciteit zou kunnen genereren. Uit de door de man overgelegde medische bescheiden valt niet af te leiden dat de man voormelde door het UWV vastgestelde verdiencapaciteit niet langer zou kunnen genereren. Nu de man dit ook anderszins niet heeft onderbouwd, acht het hof zijn inkomensverlies wel gedeeltelijk voor herstel vatbaar, te weten tot de door het UWV vastgestelde verdiencapaciteit van € 2.182,65 bruto per maand.

Met zijn werkzaamheden bij [B.V.] B.V. en [bedrijf] benut de man zijn verdiencapaciteit niet volledig. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet aangetoond dat hij zich voldoende heeft ingespannen om een inkomen te genereren waarmee hij zijn verdiencapaciteit volledig benut. De inschrijving bij een tweetal uitzendbureaus is hiertoe volstrekt onvoldoende. Nergens blijkt uit dat de man heeft gesolliciteerd op functies die hij ondanks zijn beperking nog kan uitoefenen en waarmee hij een hoger inkomen zou kunnen genereren. Dit had wel op de weg van de man gelegen gelet op de op hem rustende onderhoudsverplichting. Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding bij het bepalen van de draagkracht van de man niet uit te gaan van zijn werkelijke inkomen maar van een fictief inkomen ten bedrage van voormelde verdiencapaciteit van € 2.182,65 bruto per maand. Het hof stelt vast dat de man op 29 maart 2019 op de hoogte was van de aan hem door het UWV toegedichte verdiencapaciteit en is dan ook van oordeel dat de man vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat de op hem rustende zwaarwegende verplichting om mee te betalen aan het onderhoud van zijn kinderen daarop gebaseerd zou worden. Van feiten en omstandigheden dat dat anders zou zijn is het hof niet gebleken. Het hof zal dan ook vanaf de ingangsdatum rekening houden met voormeld fictief inkomen.

Het overige dat door de man wordt aangevoerd ten aanzien van zijn financiële situatie doet hieraan niet af.

Het hof stelt het netto besteedbaar inkomen van de man in 2019 vast op € 1.940,-- per maand en zijn draagkracht op € 286,-- per maand.

Draagkrachtvergelijking

5.5

De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt in 2019 in totaal € 418,20 per maand. De draagkracht van partijen tezamen bezien, beschikken zij over onvoldoende draagkracht om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

Zorgkorting

5.6

Gebleken is dat er geen contact plaatsvindt tussen de man en de kinderen en dat niet te verwachten is dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding rekening te houden met een zorgkorting aan de zijde van de man.

5.7

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] over de periode van 11 juni 2019 tot en met 31 december 2019 derhalve vast op € 143,-- per kind per maand, vanaf 1 januari 2020 analoog naar de wettelijke indexering op € 146,58 per kind per maand en vanaf 1 januari 2021 op € 150,98 per kind per maand.

5.8

Het hof ziet geen aanleiding in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd om af te wijken van het in familiezaken geldende uitgangspunt en zal derhalve de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan uit het huwelijk geboren kinderen betreft.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als volgt.

6.2

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 4 maart 2020, zoals hersteld bij beschikking van 16 juni 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van dit hof van 19 maart 2015 wat betreft de daarbij vastgestelde kinderalimentatie en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal betalen:

- over de periode van 11 juni 2019 tot en met 31 december 2019 een bedrag van € 143,-- per kind per maand;

- over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020 een bedrag van € 146,58 per kind per maand;

- vanaf 1 januari 2021 een bedrag van € 150,98 per kind per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, E.A.M. Scheij en H.M.A.W. van Erven en is door mr. C.N.M. Antens op 22 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.