Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1240

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
200.286.470_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Ambivalente houding moeder richting hulpverlening. Onvoldoende rust, regelmaat en voorspelbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 22 april 2021

Zaaknummer : 200.286.470/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/280219 / JE RK 20-1536

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.C. Berends,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarige: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.P. Janssen-Wikkers;

en

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 7 augustus 2020, op schrift gesteld en ondertekend op 14 augustus 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De moeder heeft op 5 november 2020 een beroepschrift ingediend. Bij gewijzigd beroepschrift van 17 november 2020, ingekomen bij het hof op 18 november 2020, heeft de moeder primair verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, en subsidiair de ondertoezichtstelling voor een kortere termijn uit te spreken zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren.

2.2.

Bij verweerschrift van 7 januari 2021, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- het V6-formulier van 22 december 2020 van de advocaat van de moeder, met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- het V6-formulier van 26 maart 2021 van de advocaat van de moeder, met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.5.

Afzonderlijk heeft het hof behandeld het hoger beroep van de moeder tegen de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , bij het hof bekend onder zaaknummer 200.285.434/01, waarin het hof ook in een afzonderlijke beschikking uitspraak zal doen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is geboren:

- [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ).

3.2.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] uit.

3.3.

[minderjarige 1] woont bij de moeder. Bij de moeder wonen tevens [minderjarige 3] (geboren op [geboortedatum] 2003) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum] 2007).

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 7 augustus 2020 tot 7 augustus 2021.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.1.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. [minderjarige 1] wordt niet ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De moeder en haar drie kinderen zijn inmiddels verhuisd. De relatie tussen de ouders met de daarmee gepaard gaande spanningen is voorbij. [minderjarige 1] is ingeschreven op de basisschool en hij gaat met regelmaat naar school. De moeder biedt de kinderen voldoende stabiliteit en voorspelbaarheid. [minderjarige 1] heeft geregeld contact met de vader en met de grootouders (vz).Verder staat de moeder open voor hulpverlening. De tussenkomst van een gezinsvoogd is niet nodig. Subsidiair is een kortere termijn aangewezen.

3.6.

De vader voert – kort samengevat – het volgende aan. De ondertoezichtstelling is hard nodig om samen met de GI te werken aan de basisvoorwaarden zoals die door de GI zijn opgesteld. De moeder is daarnaast grillig in haar gedrag; het ene moment mag de vader [minderjarige 1] niet zien, het andere moment kan [minderjarige 1] circa drie maanden lang bij zijn grootouders (vz) verblijven. Daarnaast komt [minderjarige 1] weinig aan leren toe, omdat hij heel vaak naar niet school gaat. Hulpverlening in het vrijwillig kader lijkt de vader niet mogelijk, vanwege de houding van de moeder.

3.7.

De raad voert – kort samengevat – het volgende aan. De zorgen over het gezin zijn op dit moment onverminderd aanwezig. De GI heeft in verband hiermee zelfs recent een machtiging tot uithuisplaatsing van alle drie de kinderen bij de rechtbank verzocht. Ondanks de inzet van de moeder lukt het haar niet om de kinderen voldoende structuur, veiligheid en een goede schoolgang te bieden. De moeder heeft daarnaast een ambivalente houding ten opzichte van de hulpverlening. Bovendien kijkt zij zeer beperkt naar haar eigen aandeel. Ten slotte is er sprake van een moeilijke samenwerking tussen de ouders.

3.8.

De GI voert – kort samengevat – het volgende aan. Hoewel de moeder inmiddels heeft gezorgd voor een vaste woonplek, zijn er nog steeds zorgen over de rust, de dagstructuur en de schoolgang van [minderjarige 1] . Het is tot op heden niet gelukt om met de moeder de samenwerking te vinden om de Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding op te starten. [minderjarige 1] verblijft veel bij zijn grootouders (vz), alwaar de vader dan omgang heeft met [minderjarige 1] . Er zijn zorgen over een alcoholverslaving aan de kant van de vader. De samenwerking tussen de ouders verloopt moeizaam. Al met al is dit inmiddels aanleiding geweest voor de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (en zijn broers) bij de rechtbank te verzoeken.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.9.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank die het hof na eigen onderzoek en waardering overneemt en tot de zijne maakt is het hof van oordeel dat aan de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling ten aanzien van [minderjarige 1] is voldaan. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

3.9.3.

Gebleken is dat er al geruime tijd zorgen bestaan over de opvoedsituatie van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] is op dit moment vijf jaar oud en er zijn forse zorgen over de dagstructuur bij [minderjarige 1] thuis, en het kunnen krijgen van de benodigde rust, regelmaat en voorspelbaarheid. Zo heeft [minderjarige 1] in de afgelopen periode vaak niet bij de moeder verbleven, maar bij zijn grootouders (vz). De moeder heeft ook enige tijd geen zicht gehad op een vaste woonplek voor haarzelf met de kinderen. Daar komt bij dat de moeder niet in staat is gebleken om de omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en de vader op een stabiele wijze vorm te geven en is het de moeder niet gelukt om [minderjarige 1] een stabiele schoolgang te geven, waardoor [minderjarige 1] veelvuldig afwezig is geweest van school. Daarnaast bestaan er zorgen over de genoemde alcoholverslaving bij de vader. Een en ander is voor de GI inmiddels aanleiding geweest bij de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (en zijn broers) te verzoeken. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de rechtbank de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment niet heeft verleend, en de zaak heeft aangehouden voor een periode van drie maanden.

Naar het oordeel van het hof kan hulpverlening in het gedwongen kader niet worden gemist, gelet op de ambivalente houding van de moeder ten opzichte van de hulpverlening. Zo is de Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding tot op heden niet van de grond gekomen, omdat de moeder hier onvoldoende aan meewerkt. Ook de ambulante hulpverlening vanuit de Mutsaersstichting is pas recent bij het gezin betrokken, zodat de effecten hiervan nog niet zichtbaar zijn.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk was ten tijde van de bestreden beschikking, en dat ook nog steeds is om de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] af te wenden. Gelet op de houding van de moeder heeft het hof niet de verwachting dat de moeder de benodigde hulpverlening zelf op weet te starten dan wel blijvend zal accepteren, zodat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen voor de volledige duur van de bepaalde termijn. Nu het hof de gerechtvaardigde verwachting heeft dat de moeder binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige 1] aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding als bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW in staat is te dragen, is daarmee voldaan aan de vereisten van artikel 1:255 lid 1 BW.

3.10.

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de onder bovenvermeld zaaknummer gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2020 en op schrift gesteld en ondertekend op 14 augustus 2020;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.C.E. Ackermans-Wijn en P.M.M. Mostermans en is op 22 april 2021 uitgesproken door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.