Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1232

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
200.281.160_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewindvoerder, tevens huidige mentor, acht zichzelf niet in staat om haar controlerende taak als bewindvoerder goed uit te oefenen, indien de zus, die reeds gewaarborgde hulp is, tevens als mentor wordt benoemd. Samenwerking met de zus en familie wordt wel van belang geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 22 april 2021

Zaaknummer: 200.281.160/01

Zaaknummer eerste aanleg: 8273746 TF VERZ 20-69 en 8273814 TF VERZ 20-70

in de zaak in hoger beroep van:

[de betrokkene] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de betrokkene,

advocaat: mr. R. Akkaya,

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

  • -

    [de mentor/bewindvoerder] B.V., de huidige mentor, tevens bewindvoerder (hierna ook te noemen:
    de mentor/bewindvoerder);

  • -

    [de ouders] , de ouders van de betrokkene (hierna te noemen: de ouders);

  • -

    [de zus] , de zus van de betrokkene en de beoogd mentor (hierna: de zus).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, waarbij de kantonrechter naar aanleiding van een verzoek tot ondercuratelestelling, voor zover thans van belang, een mentor heeft benoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juli 2020, heeft de betrokkene verzocht voormelde beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt: voor zover [de mentor/bewindvoerder] B.V. tot mentor is benoemd) - en opnieuw rechtdoende - de zus van de betrokkene tot mentor te benoemen, dan wel de zaak terug te wijzen naar de rechtbank Oost-Brabant om aldaar de benoeming ter zitting te behandelen.

2.2.

Er is geen verweerschrift binnengekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord dan wel verschenen:

  • -

    de betrokkene, bijgestaan door mr. Akkaya;

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger] namens de mentor/bewindvoerder;

  • -

    de ouders, bijgestaan door de heer N. Sulainan, beëdigd tolk (nr. 3234);

  • -

    de zus.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 9 maart 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de betrokkene d.d. 20 augustus 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de betrokkene d.d. 11 maart 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 31 maart 2017 heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant over de goederen die de betrokkene toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld, met benoeming van [de voormalige bewindvoerder] tot bewindvoerder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant met ingang van 1 juni 2020 [de mentor/bewindvoerder] B.V. benoemd als mentor van de betrokkene. Verder is met ingang van voornoemde datum de vorige bewindvoerder ontslagen en is [de mentor/bewindvoerder] B.V. benoemd als opvolgend bewindvoerder.

Het verzoek tot ondercuratelestelling van de betrokkene is afgewezen.

3.3.

De betrokkene kan zich met deze beslissing niet verenigen - voor zover [de mentor/bewindvoerder] B.V. als mentor is benoemd - en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Kortgezegd voert de betrokkene aan dat het haar voorkeur heeft dat haar zus als mentor wordt benoemd. Hetgeen de voormalige bewindvoerder [de voormalige bewindvoerder] heeft geschreven over vermeende valsheid in geschrifte wordt uitdrukkelijk betwist.

Het is de huidige mentor niet gelukt om een vertrouwensband op te bouwen.

3.4.

De mentor/bewindvoerder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Er is sprake van een PGB-budget en als bewindvoerder is zij hiervoor medeverantwoordelijk.

De zus is door het zorgkantoor aangemerkt als gewaarborgde hulp en vanuit die functie kan zij op de inhoud van de zorg meebeslissen. De mentor/bewindvoerder wil graag met de familie samenwerken en overleggen en zij heeft de familie ook nodig om haar taken goed uit te kunnen oefenen. Gelet op de grote omvang van het PGB-budget voor betrokkene en de daarmee gepaard gaande financiële risico’s dienen zowel het mentorschap als het bewind bij één persoon of kantoor te worden belegd.

3.5.

De ouders ondersteunen het verzoek van de betrokkene.

3.6.

De zus is bereid om als mentor op te treden en zij acht zichzelf hiertoe ook beter in staat dan de huidige mentor/bewindvoerder. Zij vormt met de betrokkene, haar ouders en haar kind een gezin en ze is altijd bij de zorg voor haar zus betrokken geweest. De huidige mentor/bewindvoerder heeft een jaar de tijd gehad om een goed contact met de familie op te bouwen, maar zij is hierin niet geslaagd.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Niet in het geschil is dat de grond voor het mentorschap aanwezig is.

3.7.2.

Ingevolge artikel 1:452 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt de rechter bij het uitspreken van het mentorschap of zo spoedig mogelijk daarna een mentor. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon.

Ingevolge artikel 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

3.7.3.

Het hof is van oordeel dat er gegronde redenen zijn die zich tegen de benoeming van de zus als mentor verzetten. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de betrokkene een PGB-budget van circa € 70.000,- per jaar toegewezen krijgt.

In haar hoedanigheid van bewindvoerder dient de bewindvoerder/mentor toezicht te houden op de inkomsten en uitgaven van de betrokkene en is zij in die zin ook verantwoordelijk voor de besteding van het PGB-budget (vgl. CRvB 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1123).

Het aan de betrokkene verleende PGB-budget is een aan haar toebehorend vermogensbestanddeel dat onder het ingestelde bewind valt. Het beheren ervan behoort tot de taak van de bewindvoerder (zie ook Gerechtshof Leeuwarden 12 april 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ2772). Dit betekent onder meer dat de bewindvoerder verantwoordelijk is voor de kosten, het sluiten van de contracten en het betaalbaar stellen van de declaraties. De bewindvoerder moet er voor zorgdragen dat tijdig en volledig verantwoording over de besteding van het PGB wordt afgelegd aan het zorgkantoor. De bewindvoerder dient immers te voorkomen dat nieuwe schulden ontstaan doordat een zorgkantoor tot terugvordering overgaat (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5747).
De bewindvoerder/mentor heeft in dit verband tijdens de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt dat het voor haar als bewindvoerder van belang is dat zij op adequate wijze zicht kan houden op de zorg die voor de betrokkene op basis van het PGB-budget wordt ingekocht en verleend. Wanneer de zus van de betrokkene als (mede-)mentor wordt benoemd, acht de bewindvoerder zich onvoldoende in staat om haar controlerende taak als bewindvoerder naar behoren uit te voeren. Als gewaarborgde hulp heeft de zus al een grote verantwoordelijkheid voor de wijze waarop er met het PGB-budget wordt omgegaan en welke hulp er voor de betrokkene wordt ingezet. Voor de bewindvoerder is het vanwege haar positie van belang dat zij voldoende mandaat houdt en zij als enige tekeningsbevoegd blijft, teneinde de vermogensrechtelijke en niet vermogensrechtelijke positie van de betrokkene voldoende te kunnen beschermen.

Het hof neemt verder in overweging dat het afgelopen jaar een bijzondere periode is geweest vanwege de corona-maatregelen, waardoor er geen goede persoonlijke kennismaking tussen de mentor/bewindvoerder en de familie van de betrokkene heeft kunnen plaatsvinden en contacten veelal op afstand hebben moeten plaatsvinden. Het hof heeft er echter voldoende vertrouwen in dat de huidige mentor/bewindvoerder de ouders en de zus zoveel als mogelijk bij alle beslissingen rondom de zorg van de betrokkene zal betrekken en daarmee de belangen van de betrokkene zo goed als mogelijk zal behartigen. Daar komt nog bij dat de zus in haar hoedanigheid van gewaarborgde hulp de zorgcontracten afsluit en derhalve de regie voert over de ingekochte zorg, hetgeen er eveneens toe zal bijdragen dat de zorg voor de betrokkene goed wordt geregeld.

3.7.4.

In de gegeven omstandigheden acht het hof het in het belang van de betrokkene om de huidige situatie in stand te laten.

Het verzoek van de betrokkene dient derhalve te worden afgewezen.

3.8.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, J.C.E. Ackermans-Wijn en A.M. Bossink en is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.