Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1223

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
20-003492-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verduistering. Nu aan een ander dan de verdachte – te weten de CV - toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt en de verdachte deze gelden voor andere doeleinden heeft aangewend - te weten voor de verwerving in privé van onroerende goederen die niet in eigendom aan de CV zijn gaan toebehoren - heeft verdachte zich deze gelden wederrechtelijk toegeëigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003492-19

Uitspraak : 22 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 31 oktober 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-820640-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] ,

wonende te [adresgegevens 1] .

Hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte terzake van:

-verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;

veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft de rechtbank beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en heeft terzake schadevergoedingsmaatregelen met vervangende hechtenis opgelegd.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 7 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de bewezenverklaring, de strafmaat en de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 29 november 2017 te Terneuzen en/of Rotterdam en/of Goes, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen, in elk geval enig groot geldbedrag, dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan

[benadeelde partij 1]

en/of

[Benadeelde partij 2]

en/of

[Benadeelde partij 3] en/of

- [Benadeelde partij 4]

en/of

[Benadeelde partij 5]

;

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geldbedrag verdachte en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn, verdachtes, persoonlijke dienstbetrekking als (alleen/zelfstandig bevoegd) directeur bij/van Stichting [Naam stichting] en aldus handelende van/als feitelijk en/of al dan niet middellijk (vertegenwoordigend) de enig aandeelhouder in [Naam stichting] Holding B.V., aldus handelende van/als feitelijk en/of al dan niet middellijk bestuurder van [naam vastgoed beheer] Vastgoed Beheer, aldus handelende van/als feitelijk en/of al dan niet middellijk vennoot in [Naam Groeifonds CV] Groeifonds C.V. (van 1 september 2008 tot tenminste 24 juli 2015) en/of van een beroep van/als financieel adviseur en/of tegen geldelijke vergoeding

in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

immers heeft verdachte de aan hem ter beschikking gestelde geldbedragen aangewend voor een ander doel dan waarvoor verdachte deze geldbedragen onder zich heeft gekregen te weten om onroerend goed aan te kopen dat in eigendom zou toebehoren aan [Naam Groeifonds CV] Groeifonds C.V.

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2006 tot en met 29 november 2017 te Terneuzen en/of Rotterdam en/of Goes, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en) en/of (een) rechtsperso(o)n(en), althans alleen, één of (meer)ma(a)l(en) (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, een ander althans ander(en), te weten:

[benadeelde partij 1] , en/of

[Benadeelde partij 2] en/of

[Benadeelde partij 3] , en/of

[Benadeelde partij 4] , en/of

[Benadeelde partij 5]

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en), hierin bestaande dat verdachte (telkens) tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- zich aan het publiek, althans aan één of meer van voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben gepresenteerd als een instelling die een belegging in onroerend goed aanbiedt met een vaste gegarandeerde opbrengst en maandelijkse uitbetaling van het rendement en/of

- ( vervolgens) aan het (aldus benaderde) publiek, althans één of meer van voornoemde perso(o)n(en) tot zekerheid van de geïnvesteerde gelden heeft/hebben voorgespiegeld:

o dat via het [Naam Groeifonds CV] Fonds rechtstreeks zou worden belegd in een gespreide onroerend goed portefeuille die overwegend zou bestaan uit geheel verhuurde woningen;

o dat het [Naam Groeifonds CV] Fonds zou zijn vrijgesteld voor een vergunning van de AFM;

o dat een deelnemer op de eerste van elk kwartaal één of meerdere van de genomen participaties aan het [Naam Groeifonds CV] Fonds te koop kon aanbieden;

o dat de deelnemers aan het [Naam Groeifonds CV] fonds en/of de c.v. zouden worden geïnformeerd wanneer een nieuw object wordt aangekocht;

o dat de participanten op het moment van verkoop van een woning uit de portefeuille van het [Naam Groeifonds CV] Fonds 75% van de winsten zouden krijgen uitgekeerd;

o dat het ingelegde geld in het [Naam Groeifonds CV] Fonds gegarandeerd zou zijn;

waardoor voornoemde [benadeelde partij 1] (inleg 75.000 euro) en/of D [Benadeelde partij 2] (inleg 25.000 euro) en/of [Benadeelde partij 4] (inleg 50.000 euro) en/of [Benadeelde partij 5] (inleg 30.000 euro) en/of [Benadeelde partij 3] (inleg 15.000 euro werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 29 november 2017 in Nederland opzettelijk geldbedragen toebehorende aan

[benadeelde partij 1]

en

[Benadeelde partij 2]

en

- [Benadeelde partij 3] en

- [Benadeelde partij 4]

en

- [Benadeelde partij 5]

welke geldbedragen verdachte uit hoofde van zijn, verdachtes, persoonlijke dienstbetrekking als (alleen/zelfstandig bevoegd) directeur van Stichting [Naam stichting] en aldus handelende als feitelijk de enig aandeelhouder in [naam holding] Holding B.V., aldus handelende als feitelijk bestuurder van [naam vastgoed beheer] Vastgoed Beheer, aldus handelende als feitelijk vennoot in [Naam Groeifonds CV] Groeifonds C.V. en van een beroep van financieel adviseur, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

immers heeft verdachte de aan hem ter beschikking gestelde geldbedragen aangewend voor een ander doel dan waarvoor verdachte deze geldbedragen onder zich heeft gekregen te weten om onroerend goed aan te kopen dat in eigendom zou toebehoren aan [Naam Groeifonds CV] Groeifonds C.V.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde verduistering moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening noch het opzet daarop. Ter onderbouwing is aangevoerd dat de gelden door verdachte zijn aangewend overeenkomstig de statuten van de CV.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat van het "zich wederrechtelijk toe-eigenen" als bedoeld in art. 321 Sr sprake is indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Van een zodanig beschikken kan onder meer sprake zijn indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt.

In het licht van deze vooropstelling stelt het hof het navolgende vast.

Op 1 oktober 2006 werd de commanditaire vennootschap [Naam Groeifonds CV] Groeifonds (hof: hierna telkens de CV) opgericht met als beherend vennoot Stichting [Naam stichting] , welke rechtspersoon werd bestuurd door [naam holding] Holding BV. Enig aandeelhouder van [naam holding] Holding BV was de Stichting [Naam stichting] . Verdachte was de bestuurder van laatstgenoemde rechtspersoon en feitelijk dus oprichter en beherend vennoot van de CV.

In het kader van zijn hoedanigheid van financieel adviseur heeft verdachte personen uit zijn klantenkring benaderd voor het doen van beleggingen in voormelde CV. Vervolgens hebben de in de tenlastelegging genoemde personen in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 1 juli 2008 geïnvesteerd in voormelde CV.

Verdachte heeft voorafgaande aan de oprichting van de CV op 5 december 2005 in privé in eigendom verworven een onroerend goed gelegen aan de [adresgegevens 1] te Sluiskil. Op 2 augustus 2006 heeft verdachte in privé in eigendom verworven een onroerend goed, gelegen aan de [adresgegevens 1] te Terneuzen. Na de oprichting van de CV op 1 oktober 2006 heeft verdachte op 11 april 2007 in privé in eigendom verworven een onroerend goed gelegen aan de [adresgegevens 1] te Vlissingen.

Verdachte heeft in privé geldleningsovereenkomsten met de CV gesloten in januari 2006, augustus 2006 en mei 2007 waarbij door verdachte in privé gelden van de CV werden geleend.

In de schriftelijke geldleningsovereenkomst van januari 2006 is als doel van de lening opgenomen dat verdachte verplicht is de gelden aan te wenden voor de aankoop van zijn woning aan de [adresgegevens 1] te Sluiskil.

In de schriftelijke geldleningsovereenkomst van augustus 2006 is als doel van de lening opgenomen dat verdachte verplicht is de gelden aan te wenden voor de aankoop van zijn woning aan de [adresgegevens 1] te Terneuzen.

In de schriftelijke geldleningsovereenkomst van 1 mei 2007 is als doel van de lening opgenomen dat verdachte verplicht is de gelden aan te wenden voor de aankoop van zijn woning aan de Koudekerkseweg 36 te Vlissingen.

In genoemde geldleningsovereenkomsten is geen bepaling opgenomen betreffende enige vorm van zekerheidsstelling ten behoeve van de terugbetaling van de leningen aan de CV.

Omstreeks 2010 is verdachte in privé in een zakelijk geschil geraakt met een derde waardoor hij uiteindelijk de door hem in privé verworven onroerende goederen is kwijtgeraakt. Aanvankelijk is verdachte in staat gebleken – ondanks het kwijtraken van de onroerende zaken – om de rente aan de deelnemers over de in de CV ingelegde gelden te vergoeden maar uiteindelijk was verdachte daartoe niet meer in staat en kon hij evenmin de door de deelnemers in de CV ingelegde gelden terugbetalen.

Verdachte heeft erkend dat hij het geld dat door de deelnemers in de CV is belegd in privé van de CV heeft geleend en heeft gebruikt om de in privé in eigendom verworven onroerende goederen te financieren. Volgens verdachte liet artikel 2, laatste gedachtestreepje, van de “overeenkomst van commanditaire vennootschap” een dergelijke aanwending van deze gelden van de CV toe. Volgens verdachte heeft hij gehandeld overeenkomstig het doel van de CV en daarmee de ingelegde gelden zich niet wederrechtelijk toegeëigend.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In de “overeenkomst van commanditaire vennootschap” is als doel van de CV het navolgende opgenomen (dos.blz. 72):

DOEL

Artikel 2

De vennootschap heeft ten doel:

-het in Nederland staande en gelegen registergoederen beleggen van daartoe verkregen gelden, teneinde de vennoten in de opbrengst te doen delen;

-het, in verband met het vorenstaande, verwerven, (doen) beheren, (doen) exploiteren en vervreemden van vorenbedoelde registergoederen;

-het in verband met het vorenstaande bezwaren met hypotheek van vorenbedoelde registergoederen, dan wel het als hoofdelijk schuldenaar toetreden tot reeds bestaande hypothecaire geldleningen betreffende vorenbedoelde registergoederen; en al hetgeen met dit doel verband houdt dan wel daartoe bevorderlijk kan zijn;

-het verstrekken van hypotheken of leningen bedoeld voor de aankoop van registergoederen;

Het hof stelt vast dat voor zover verdachte de term “statuten” bezigt daarmee is bedoeld de “overeenkomst van commanditaire vennootschap”.

Het hof leidt uit voormeld artikel en dan de eerste drie gedachtestreepjes - in onderling verband en samenhang bezien - af dat het doel van de CV was om te beleggen in registergoederen, dat deze registergoederen met dat doel door de CV zouden worden verworven/beheerd/geëxploiteerd en vervreemd, en dat in verband met de verwerving van deze registergoederen door de CV deze met een hypotheek zouden (kunnen) worden bezwaard danwel zou (kunnen) worden deelgenomen in reeds bestaande hypothecaire geldleningen betreffende deze registergoederen.

Kort gezegd was de doelstelling van de CV beleggen in registergoederen en deze daartoe in eigendom te verwerven. In de verwerving van het eigendom zat voor de beleggers zekerheid voor hun belegging.

Anders dan de verdachte heeft gesteld is het hof van oordeel dat artikel 2, laatste gedachtestreepje, gelet op de doelstelling van de CV niet toeliet dat verdachte met in privé van de CV geleend geld in privé het eigendom van registergoederen zou verwerven. Dit te meer nu geen enkele zekerheid is verstrekt ten behoeve van de CV dat de uitgeleende gelden zouden worden terugbetaald aan de CV.

Nu aan een ander dan de verdachte – te weten de CV - toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt en de verdachte deze gelden voor andere doeleinden heeft aangewend - te weten voor de verwerving in privé van onroerende goederen die niet in eigendom aan de CV zijn gaan toebehoren - heeft verdachte zich deze gelden wederrechtelijk toegeëigend.

Verdachte heeft ook het opzet op deze wederrechtelijke toe-eigening gehad. Naar de deelnemers van de CV werd door verdachte gecommuniceerd alsof de gelden die door hen werden ingelegd werden aangewend ter verwerving door de CV van het eigendom van die onroerende goederen. Deze zouden gaan behoren tot de vastgoedportefeuille van de CV. Het hof wijst in deze bij wijze van voorbeeld naar de navolgende passages uit de financiële bijsluiter alsmede een brief van de CV waarin werd teruggeblikt op de kredietcrises van 2008 en vooruit wordt gekeken naar het jaar 2009.

Daarin is ondermeer het navolgende opgenomen.

De financiële bijsluiter houdt ondermeer het volgende in (blz. 118):

Wat houdt het [Naam Groeifonds CV] groeifonds in?

Het fonds biedt participanten de mogelijkheid om rechtstreeks te beleggen in een gespreide onroerend goed portefeuille die overwegend bestaat uit geheel verhuurde woningen.

Woningen waarbij de huur wordt opgezegd zullen in principe worden verkocht. Het fonds kan tevens woningen in verhuurde staat verkopen.

Wat zijn de financiele risico’s van het [Naam Groeifonds CV] fonds

Bij stagnerende groei van de economische ontwikkeling en een verdere groei van het aanbod op de markt van (huur)woningen kunnen de huurprijzen dalen. De mate van leegstand van de te verhuren ruimtes heeft directe invloed op de ontwikkeling van de waarde van het directe onroerend goed in portefeuille en daarmee op de hoogte van de winstuitkering.

De hiervoor genoemde brief houdt ondermeer in (blz. 124):

-de rente-uitkering en de winstdeling van het [Naam Groeifonds CV] Groei Fonds wordt niet beïnvloed door dergelijke sentimenten en is uitsluitend afhankelijk van het vastgoed en de resultaten die wij hiermee realiseren; en

-de bedreigingen liggen ondermeer in de hypothecaire kredietverlening. Niet dat het fonds daar zelf direct last van heeft. In het fonds wordt niet met geleend geld gewerkt. Alleen met gelden geinvesteerd door de deelnemers wordt vastgoed aangekocht. Hierdoor onstaat een zeer laag risicoprofiel;

-“ook de exploitatie van de portefeuille heeft de volle aandacht van de directie van het [Naam Groeifonds CV] . (..).. het zijn vooral de oudere wat gedateerde vastgoedobjecten die zich in de gevarenzone bevinden; de [Naam Groeifonds CV] portefeuille bevat voornamelijk relatief jonge objecten;

-een ander punt is de waardering van de panden in portefeuille.

Kort en goed:

Verdachte heeft de door de deelnemers ingelegde geldbedragen tegen de – verdachte bekende (zie vorenstaande communicatie) – afspraken voor eigen doeleinden gebruikt en heeft daarmee ook opzet gehad op de wederrechtelijke toe-eigening van die geldbedragen.

Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich – kort gezegd – schuldig gemaakt aan verduistering. Verdachte had voorafgaande aan zijn strafbare handelen een vertrouwensband met aangevers. Hij werkte als financieel adviseur. In het kader van zijn financiële dienstverlening heeft verdachte de aangevers bewogen tot het beleggen van geldbedragen in een CV waarmee in vastgoed zou worden belegd. Verdachte heeft die gelden niet aangewend voor dat doel van de CV maar voor persoonlijke doeleinden te weten de verwerving in privé van registergoederen. Door zo te handelen heeft verdachte de aangevers financieel ernstig benadeeld en is het eigen belang van verdachte steeds leidend geweest en heeft hij zich niet bekommerd om de financiële gevolgen die zijn handelen voor de benadeelden zou hebben.

Anderzijds is inmiddels op 28 januari 2021 een vaststellingsovereenkomst getekend tussen verdachte en de officier van justitie [naam officier van justitie] . Daaruit blijkt – kort gezegd – de bereidheid van verdachte om de aangevers voor wat betreft de inleg schadeloos te stellen. Het openbaar ministerie heeft van verdachte in het kader van beslag een geldbedrag onder zich waarvan verdachte afstand heeft gedaan en ermee heeft ingestemd dat dit bedrag door het openbaar ministerie aan de slachtoffers genoemd in een bijlage bij die overeenkomst wordt uitgekeerd.

Verder is van belang dat de feiten lang geleden gepleegd zijn, namelijk in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 29 november 2017.

Het hof heeft verder acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 januari 2021, waaruit volgt dat verdachte op 19 juli 2016 door dit hof is veroordeeld terzake fiscale fraude, oplichting en valsheid in geschrifte. Feiten die weliswaar vergelijkbaar zijn met het in deze zaak bewezenverklaarde, maar omdat zij in dezelfde periode werden gepleegd zal het hof deze veroordeling niet in strafverzwarende zin meewegen.

Het hof heeft ten slotte in het oordeel betrokken de persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting van het hof is gebleken. Verdachte is nog steeds zelfstandig ondernemer en verhuurt flexplekken in het zakelijke segment.

Verdachte heeft voor een bedrag van € 195.000,- verduisterd van de aangevers in deze zaak. De landelijke oriëntatiepunten straftoemeting indiceren voor fraude met een geldelijk belang van tussen de € 125.000,- en € 250.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tussen de 9 en 12 maanden.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Het hof is niet gebleken dat verdachte gedurende zijn afwezigheid vanwege detentie niet op een of andere wijze zijn bedrijf zou kunnen voortzetten.

De benadeelde partijen:

Algemeen

Zoals hiervoor in het kader van de sanctie-oplegging is overwogen is er op 28 januari 2021 een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen tussen verdachte en de officier van justitie mr. [naam officier van justitie] . Uit die vaststellingsovereenkomst volgt dat het openbaar ministerie uit het onder verdachte uitgewonnen beslag een geldbedrag onder zich heeft, dat verdachte van dat geldbedrag afstand heeft gedaan en ermee heeft ingestemd dat dit aan de slachtoffers opgenomen in bijlage 2 van de overeenkomst zal worden uitgekeerd. In artikel 4 van die overeenkomst is bepaald dat de uitgekeerde bedragen enkel zien op hetgeen de slachtoffers in het verleden hebben ingelegd en niet op meer of andere (schade)posten.

Gelet op de inhoud van voormelde vaststellingsovereenkomst zal het hof hierna telkens ten aanzien van de benadeelde partijen toewijzen de vordering ter hoogte van hetgeen is ingelegd.

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] vorderen tezamen een schadevergoeding van € 75.000,- terzake van materiële schade (bestaande uit de inleg van de belegging) en vergoeding van proceskosten van € 250,-.

De rechtbank heeft de vordering terzake de materiële kosten geheel toegewezen evenals de gevorderde proceskosten.

De toegewezen vordering loopt van rechtswege door in het hoger beroep.

De raadsman van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep tevens als schade gevorderd de gemiste (contractuele) rente ten bedrage van € 20.000,-.

Inleg en proceskosten

Het hof wijst overeenkomstig de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toe voor wat betreft de inleg van € 75.000,- en de proceskosten van € 250,-.

Contractuele rente

Voor wat betreft de eerst in hoger beroep gevorderde gemiste contractuele rente verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk nu deze (contractuele) rente een vermeerdering van de vordering inhoudt en dit in hoger beroep niet is toegestaan.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet voorts aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van € 75.000, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

[Benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [Benadeelde partij 2] - een schadevergoeding van € 75.649,67, te weten € 75.149,67 terzake van materiele schade (bestaande uit de inleg van de belegging in [naam fonds] ad € 20.122,47, de inleg van de belegging in [naam maatschappij] ad € 30.000,-, de inleg van de belegging in [Naam Groeifonds CV] Groeifonds ad € 25.000,- en de gemaakte taxikosten voor het bijwonen van de zitting ad € 27,20 en € 500,- terzake immateriële schade.

De rechtbank heeft de vordering terzake de materiële kosten voor wat betreft de inleg in [Naam Groeifonds CV] Groeifonds van € 25.000,- toegewezen en de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet ontvankelijk verklaard.

De vordering terzake de gemaakte taxikosten is toegewezen evenals de vordering terzake immateriële schade tot een bedrag van € 250,-.

De toegewezen vordering loopt van rechtswege door in het hoger beroep.

Voor het niet toegewezen gedeelte van de vordering heeft de benadeelde partij zich in het hoger beroep opnieuw gevoegd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Inleg in [Naam Groeifonds CV] Groeifonds en gemaakte taxikosten

Het hof wijst overeenkomstig de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toe voor wat betreft de inleg van € 25.000,- en de proceskosten zijnde de taxikosten van € 27,20 voor het bijwonen van de zitting.

Inleg in [naam fonds] Fonds en de inleg van de belegging in [naam maatschappij] Maatschappij

Met de rechtbank verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering voor wat betreft de inleg in [naam fonds] Fonds en in [naam maatschappij] Maatschappij nu van enig verband met het bewezenverklaarde niet blijkt.

Immateriële schade

Voor wat betreft de immateriële schade overweegt het hof het navolgende:

Artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (BW) luidt als volgt:

“Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

a.

indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;

b.

indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

c.

indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene en toegebracht is aan de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot, de geregistreerde partner of een bloedverwant tot in de tweede graad van de overledene, mits de aantasting plaatsvond op een wijze die de overledene, ware hij nog in leven geweest, recht zou hebben gegeven op schadevergoeding wegens het schaden van zijn eer of goede naam.”

Niet is gebleken dat zich een van de hiervoor onder a t/m c genoemde gevallen zich heeft voorgedaan zodat de benadeelde partij ook in zoverre niet ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet voorts aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van € 25.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

[Benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [Benadeelde partij 3] vordert een schadevergoeding van € 17.216,70 te weten

€ 17.116,70 terzake van materiële schade (bestaande uit de inleg van de belegging ad

€ 15.000,-, de niet ontvangen rente over de jaren 2014 tot en met 2017 ad € 2.100,- en de gemaakte portokosten ad € 16,70) en € 100,- terzake van immateriële schade.

De rechtbank heeft de vordering geheel toegewezen.

De toegewezen vordering loopt van rechtswege door in het hoger beroep

Inleg en contractuele rente

Het hof wijst overeenkomstig de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toe voor wat betreft de inleg van de belegging van € 15.000,-, de niet-ontvangen contractuele rente over de jaren 2014 tot en met 2017 ad € 2.100,- en de gemaakte portokosten van € 16,70.

Immateriële schade

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade is het hof van oordeel dat zich niet een van de gevallen voordoet als opgenomen onder a tot en met c van artikel 6:106 BW zodat om die reden ook in zoverre de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet voorts aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van € 17.116,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

[Benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [Benadeelde partij 4] – een schadevergoeding van € 58.600,- terzake van materiële schade (bestaande uit de inleg van de belegging ad € 50.000,-, de niet ontvangen rente over de jaren 2014 tot en met 2018 ad

€ 8.500,- en de gemaakte telefoonkosten van € 100,-.

De rechtbank heeft de vordering geheel toegewezen.

De toegewezen vordering loopt van rechtswege door in het hoger beroep

Inleg en contractuele rente en telefoonkosten

Het hof wijst overeenkomstig de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toe voor wat betreft de inleg van de belegging van € 50.000,-, de niet-ontvangen contractuele rente over de jaren 2014 tot en met 2018 ad € 8.500,- en de gemaakte telefoonkosten van

€ 100,-.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet voorts aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van € 58.600,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

[Benadeelde partij 5]

De benadeelde partijen [Benadeelde partij 5] vorderen tezamen een schadevergoeding van € 35.000,-, te weten € 30.000,- terzake van materiële schade (bestaande uit de inleg van de belegging), € 5.000,- terzake van immateriële schade en vergoeding van proceskosten (liquidatiekosten) van € 1.390,-.

De rechtbank heeft de vordering voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk verklaard nu verdachte bij civielrechtelijk vonnis van 6 februari 2019 is veroordeeld tot betaling van de door de benadeelde partij [Benadeelde partij 5] gevorderde materiële schade. Wel heeft de rechtbank voor het bedrag van de materiele schade en de proceskosten een schadevergoedingsmaatregel opgelegd omdat de rechtbank het wenselijk vond dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de rechtbank toegewezen een bedrag van € 500,-.

De benadeelde partij heeft zich in het hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof beslist overeenkomstig de rechtbank ten aanzien van de materiele schade.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade stelt het hof vast dat zich niet een van de gevallen voordoet als opgenomen onder a tot en met c van artikel 6:106 BW zodat om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet voorts aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van € 31.890,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

250,00 (tweehonderdvijftig euro).

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 131 (honderdeenendertig) dagen.

Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 november 2017.

Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Benadeelde partij 2] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

27,50 (zevenentwintig euro en vijftig cent).

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Benadeelde partij 2] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 november 2017.

Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Benadeelde partij 3] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.116,70 (zeventienduizend honderdzestien euro en zeventig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Benadeelde partij 3] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.116,70 (zeventienduizend honderdzestien euro en zeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 november 2017.

Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Benadeelde partij 4] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 58.600,00 (achtenvijftigduizend zeshonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Benadeelde partij 4] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 58.600,00 (achtenvijftigduizend zeshonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 103 (honderddrie) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 november 2017.

Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij 5]

Verklaart de benadeelde partij [Benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Benadeelde partij 5] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 31.890,00 (eenendertigduizend achthonderdnegentig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 56 (zesenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 november 2017.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. B. Stapert, voorzitter,

mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. J.P.F. Rijken, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,

en op 22 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. B. Stapert en mr. J.P.F. Rijken zijn buiten staat dit arrest te tekenen.