Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1177

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
200.290.493_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw alsmede ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c FW.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 15 april 2021

Zaaknummer : 200.290.493/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/363390 FT RK 20/556+ C/01/363392 FT RK 20/557

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant]

en

[appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna afzonderlijk te noemen: [appellant] respectievelijk [appellante] ,

advocaat: mr. L.T.M. Keet te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 februari 2021.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 februari 2021, hebben [appellant] en [appellante] ieder voor zich het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoek tot toelating tot de schuldsanering alsnog toe te wijzen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] en [appellante] , bijgestaan door mr. Keet,

- Mevrouw [medewerkster Kredietbank] , werkzaam bij Kredietbank Nederland, in haar hoedanigheid van

informante, hierna te noemen: [medewerkster Kredietbank] ,

- mevrouw W. Veldhuis-Cosic, beëdigd tolk in de Poolse taal (Rbtv nr. 18707) die voor

[appellant] en [appellante] heeft getolkt.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van

- de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 januari 2021;

- het procesdossier eerste aanleg als ter griffie ingekomen op 9 maart 2021;

- het indieningsformulier V-6 als ter griffie ingekomen op 31 maart 2021 (producties 2 tot en met 9).

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] en [appellante] , als in gemeenschap van goederen met elkander gehuwd, hebben ieder voor zich de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de gezamenlijke verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] en [appellante] blijkt een totale schuldenlast van
€ 151.928,00. Daaronder bevinden zich onder meer een belastingschuld van circa

€ 40.000,00 (waarvan een deel betrekking hebbend op de laatste vijf jaar vóór indiening van het verzoek tot toelating), een schuld aan het CJIB van circa € 12.000,00 alsmede een schuld aan het UWV van circa € 6.500,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van [appellant] en [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] en [appellante] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest en dat [appellant] en [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.:

“2.3.4. Met betrekking tot de schuld aan de belastingdienst en het UWV verwijst de

rechtbank naar “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating

schuldsaneringsregeling” (hierna: Bijlage IV), behorend bij het procesreglement

verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (hierna: het Procesreglement).

Daarin is onder meer het volgende bepaald: “Van een situatie als bedoeld in artikel 288,

eerste lid, aanhef en onder b Fw is in beginsel geen sprake, indien in de in dit artikel

genoemde periode van vijfjaar (..) de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de

Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van

aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van

(omzet)belasting”.

Met betrekking tot de belastingschulden van verzoekers overweegt de rechtbank dat die

schulden zijn ontstaan als gevolg van het niet tijdig aanleveren van gegevens en niet betalen

van belastingen. Voornoemde schulden dienen naar hun aard in beginsel te worden

aangemerkt als een schulden welke niet te goeder trouw zijn ontstaan. Het voorgaande geldt

ook voor de schuld aan het UWV. Deze schuld is immers ontstaan als gevolg van het niet

(tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden

die tot een ander oordeel leiden.

2.3.5.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat een schuld aan

het CJIB van € 11.893,- bestaat. Uit punt 5.4.4. van bijlage IV behorend bij het

procesreglement volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van

verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die tot een

ander oordeel leiden.

(…)

2.3.8.

Alles in onderlinge samenhang beschouwend acht de rechtbank het nog te vroeg

voor verzoekers om tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. De financiële

problemen van verzoekers zijn het gevolg van het feit dat verzoekers jarenlang het overzicht

over hun financiën kwijt zijn geweest en de vaste lasten, zoals de huur en énergiekosten

structureel niet'(volledig) hebben voldaan. Daarnaast hebben zij zowel de belastingdienst als

het UWV niet tijdig en juist geïnformeerd waardoor aan hen substantiële terugvorderingen

zijn opgelegd. De rechtbank kan niet, althans onvoldoende vaststellen dat de huidige

financiële situatie van verzoekers stabiel is. De rechtbank acht het onwenselijk dat

verzoekers de bankrekening van hun minderjarige dochter gebruiken om beslaglegging te

voorkomen. Ook de transacties aan particulieren, en het feit dat niet alle huurbetalingen zijn

terug te vinden in de aangeleverde bankafschriften bij het verzoekschrift geven de rechtbank

weinig vertrouwen dat er, met alleen budgetbeheer, sprake is van een stabiele en bestendige

financiële situatie bij verzoekers. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoekers onder

de gegeven omstandigheden niet kunnen worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

De rechtbank geeft verzoekers daarbij in overweging de rechtbank te verzoeken een

beschermingsbewindvoerder te benoemen, die hen kan bijstaan bij het op orde krijgen en

houden van de financiële huishouding.”

3.4.

[appellant] en [appellante] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. Zij hebben in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] en [appellante] hebben zeer vaak loonbeslagen gehad, waardoor het regelmatig onmogelijk was om alle vaste lasten te voldoen. Ook had dit tot gevolg dat ontvangen toeslagen soms voor andere doeleinden werden gebruikt, omdat dat het enige geld was waarover zij konden beschikken. Het is tevens regelmatig voorgekomen dat niet enkel beslag was gelegd op het inkomen van [appellant] en [appellante] . Ook werd, bijvoorbeeld door de Belastingdienst, daarnaast beslag gelegd op de rekening van [appellant] en [appellante] . Ondanks dat rekening zou moeten worden gehouden met de beslagvrije voet, gebeurde dat niet. Derhalve werd door meerdere schuldeisers op diverse gelden beslag gelegd, hetgeen tot gevolg had dat er geen geld resteerde om aan primaire levensbehoeftes te kunnen voldoen en evenmin konden de vaste lasten worden betaald. Dit had tot gevolg dat achterstanden (bijvoorbeeld huur) ontstonden en toeslagen werden aangewend voor andere

doeleinden. Ook maakte voornoemde situatie het noodzakelijk dat [appellant] en [appellante] gebruik maakten van de rekening van hun dochter, aangezien dat soms de enige manier was om nog over geld te kunnen beschikken.

Wat betreft de huidige huurprijs van de woning kan worden opgemerkt dat deze

€ 1500,00 incl. G/W/L is. Derhalve betreft de genoemde hoogte in het vonnis niet de kale huurprijs, maar de all-in huurprijs. Tot op heden is dit bedrag maandelijks voldaan en er bestaat derhalve geen achterstand.

Aangezien er schulden zijn omtrent de kinderopvang is het niet mogelijk om bijvoorbeeld de dochters naar de opvang te brengen. Dit heeft weer gevolgen voor de mogelijkheden om beiden volledig te werken.

Daarnaast is het van belang om op te merken dat onder meer het CJIB, het UWV en de

Belastingdienst hebben ingestemd met het aanbod dat is gedaan in het minnelijke traject.

Derhalve zijn onder meer voornoemde schuldeisers ermee akkoord dat [appellant] en [appellante] hun schuldenproblematiek aanpakken door middel van een schuldsaneringsregeling.

Daarnaast hebben [appellant] en [appellante] er steeds voor gezorgd dat er inkomen wordt gegenereerd. Zij hebben constant geprobeerd om de situatie onder controle te krijgen.

Ook menen [appellant] en [appellante] dat zij wel degelijk in staat zijn om de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen na te komen.

Tevens doen [appellant] en [appellante] een uitdrukkelijk beroep op de hardheidsclausule. Vanwege de hulp bij de Kredietbank is de financiële situatie van [appellant] en [appellante] al ruim een jaar stabiel. De situatie is onder controle en [appellant] en [appellante] hebben sinds een jaar een keer ten goede gemaakt. Althans, zij menen dat zij altijd naar behoren hebben gehandeld, maar sinds een jaar krijgen zij hulp, waardoor de financiële situatie stabiel is en kan van daaruit aan een oplossing van de schuldenproblematiek worden gewerkt.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] en [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] en [appellante] achtten hun financiële situatie momenteel stabiel, hetgeen ook wordt bevestigd door [medewerkster Kredietbank] en maatschappelijk werker [maatschappelijk werker] (in hun respectieve als productie 9 opgestuurde verklaringen). Er is geen huurachterstand, [appellant] werkt in vier-ploegendienst en [appellante] heeft, ondanks haar fysieke beperkingen, recent weekendwerk gevonden voor vijf tot zes uur per week in een Poolse supermarkt. Op dit moment hebben zij ook geen auto meer. Tevens zijn zij op zoek naar een goedkopere woonruimte, hetgeen niet meevalt omdat zij gezamenlijk te veel verdienen voor een sociale huurwoning.

[appellant] en [appellante] erkennen dat zij jarenlang het ene financiële gat met het andere hebben trachten te dichten. Zo werd bijvoorbeeld de kinderopvangtoeslag als leefgeld gebruikt, hetgeen tot forse terugvorderingen geleid heeft, en werd verhuisd als er vanwege een forse huurachterstand uitzetting dreigde. Vanwege allerlei beslagen op zowel de inkomens als de bankrekeningen konden zij anders met hun gezin niet rondkomen.

Desgevraagd geeft [appellante] aan dat zij destijds tijdens haar zwangerschapsverlof in 2010 inderdaad ten onrechte maar 70% van haar salaris ontvangen heeft in plaats van 100%, maar dat zij niet wist dat zij hiertegen bezwaar kon maken. Inmiddels is de termijn voor een dergelijk bezwaar ruimschoots verstreken, aldus [appellante] .

3.6.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [medewerkster Kredietbank] desgevraagd nog het navolgende aangevoerd. Bij het toelatingsverzoek zit een schuldenlijst waarop de ontstaansdata ontbreken. [medewerkster Kredietbank] geeft aan over een schuldenlijst te beschikken waarop deze wel vermeld staan. Met betrekking tot de UWV-schuld heeft zij telefonisch contact met het UWV opgenomen. Deze schuld is ontstaan vanwege de discrepantie tussen de door het UWV gehanteerde rekenperiode van één kalendermaand en het feit dat [appellant] per vier weken uitbetaald wordt, waarbij de werkgever vaak te laat opgave doet. [appellant] moet zijn inkomen daarom soms aan het UWV doorgeven nog voordat hij exact weet wat de hoogte daarvan uiteindelijk zal zijn. Indien zijn salaris hoger uitvalt ontstaat er dan achteraf een terugvordering.
[medewerkster Kredietbank] benadrukt dat er geprobeerd is goedkopere woonruimte te vinden maar dat de urgentieverklaring is afgewezen. Er is nog steeds sprake van een stabiele situatie.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.7.2.

Er is sprake van een forse belastingschuld, conform de opgave van de Belastingdienst voor een substantieel ontstaan binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens, een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage III landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan.

3.7.3.

Daarnaast is er eveneens sprake van een forse schuld aan het CJIB uit hoofde van diverse verkeersovertredingen, eveneens voor een substantieel ontstaan binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Uit punt 5.4.4. van voornoemde bijlage volgt dat ook bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Daarbij zijn door [appellant] en [appellante] ook geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

3.7.4.

Daarbij komt dat [appellant] en [appellante] ook nog een forse schuld aan het UWV hebben en bij herhaling financiële verplichtingen zijn aangegaan waarvan zij vooraf wisten, althans hadden dienen te onderkennen, dat zij deze, gelet op hun penibele financiële situatie, nimmer tijdig en volledig na zouden kunnen gaan komen. Te denken valt hierbij aan het meermaals aanwenden van een - uiteindelijk ten onrechte ontvangen - kinderopvangtoeslag voor andere doeleinden en het ondanks reeds bestaan van huurschulden afsluiten van nieuwe huurovereenkomsten. De schulden die hieruit zijn voortgevloeid dienen naar het oordeel van het hof eveneens te worden aangemerkt als schulden welke niet te goeder trouw zijn ontstaan.

Het hof is op grond hiervan dan ook van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt

[appellant] en [appellante] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend, mede gezien de daaraan voorafgaand reeds bestaande schuldenlast, immer te goeder trouw zijn geweest.

3.7.5.

Daar staat tegenover dat [appellant] en [appellante] al wel geruime tijd – sinds ongeveer 2012 - middels beslagen op zowel hun inkomens als bankrekeningen fors op hun schuldenlast aan het aflossen zijn geweest, soms met vele duizenden euro’s per jaar. Dit blijkt uit de loonstroken en uitkeringsspecificaties van zowel [appellant] en [appellante] èn rekeningafschriften sinds 2012 als – zij het helaas zonder bijbehorend overzicht of inhoudsopgave – in hoger beroep overgelegd.
Daarbij ontvangen zij steun van de Kredietbank Nederland en is er sprake van budgetbeheer dat ook gedurende een toelating tot de schuldsaneringsregeling zal blijven voortduren. Voorts werkt [appellant] fulltime in vier-ploegendienst en is [appellante] vanuit de ziektewet haar arbeidsinzet aan het opbouwen, hetgeen tot op heden heeft geresulteerd in een betaalde arbeidsbetrekking voor vijf tot zes uur per week. [appellant] en [appellante] hebben een keer ten goede gemaakt. Zij zijn, zoals ook blijkt uit de bij productie 9 overgelegde verklaringen, gemotiveerd, hun financiële situatie is thans stabiel, er ontstaan geen nieuwe schulden en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben zij er bovendien middels een plausibel relaas blijk van gegeven inzicht in en uiteindelijk ook grip op de aard en ontstaansgeschiedenis van hun schuldenlast te hebben (gekregen). Zo hebben zij bijvoorbeeld hun auto van de hand gedaan. Tot slot is uit de stukken gebleken dat de schuldeisers van de schulden welke naar het oordeel van het hof zonder meer als zijnde niet te goeder trouw ontstaan dienen te worden gekenmerkt niettemin in het minnelijk traject, dat aan het toelatingsverzoek voorafgegaan is, met het aangeboden percentage hebben ingestemd. Op grond van al het vorengaande en vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval is het hof van oordeel dat het beroep van [appellant] en [appellante] op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw dient te worden gehonoreerd.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal derhalve worden vernietigd en het verzoek van [appellant] en [appellante] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal ten aanzien van beiden alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellant]

en

[appellante] ,

beiden wonende te [postcode] [woonplaats] , aan

[adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2021.