Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1110

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
20-001762-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:3017, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag en het wegmaken van een lijk.

De verdachte heeft samen met zijn mededader het slachtoffer met een houten paal doodgeslagen en het stoffelijk overschot vervolgens in het water van de Dieze gedumpt. Verdachte wordt hiervoor - rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001762-19

Uitspraak : 15 april 2021

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie

’s-Hertogenbosch, van 29 mei 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-879801-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1970,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Ter Apel.

Hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van:

  • -

    ‘medeplegen van doodslag’ (feit 1);

  • -

    ‘medeplegen van het wegmaken van een lijk met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen’ (feit 2),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] (ad € 7.134,50), [benadeelde partij 2] (ad € 7.134,50) en [benadeelde partij 3] (ad € 7.064,14) zijn hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partijen. Tot slot is ten behoeve van het slachtoffer de schadevergoedingsmaatregel, vermeerderd met de wettelijke rente, opgelegd. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsvoering.

De raadsman van de verdachte heeft:

  • -

    primair integrale vrijspraak bepleit;

  • -

    subsidiair, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, een strafmaatverweer gevoerd;

  • -

    ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen primair, wegens de bepleite vrijspraak, verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen tot schadevergoeding;

  • -

    subsidiair geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen;

  • -

    verzocht dat het hof ingeval van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de vervangende gijzeling zal beperken tot één dag.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust:

  • -

    met verbetering en aanvulling van de gronden;

  • -

    met uitzondering van de opgelegde straf;

  • -

    met uitzondering van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en de op te leggen schadevergoedingsmaatregel;

Verbetering en aanvulling van de bewijsmiddelen

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, zoals weergegeven op pagina’s 2 tot en met 6 van het vonnis, met uitzondering en aanvulling van het hiernavolgende.

A.

De rechtbank heeft op pagina 4 van het vonnis als bewijsmiddel de verklaring van [getuige 1] opgenomen. Dit bewijsmiddel behoeft naar het oordeel van het hof verbetering, met dien verstande dat de woorden ‘Hij had niemand zien slaan, maar’ hieruit worden geschrapt.

B.

In aanvulling hierop bezigt het hof tevens de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs.

1. Een proces-verbaal uitluisteren opgenomen vertrouwelijke communicatie in een vervoermiddel d.d. 4 juni 2018, dossierpagina’s 31-1060 tot en met 31-1062, betreffende het relaas van verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:

(dossierpagina 31-1060)

Onderzoek: [onderzoeksnaam]

Door de officier van justitie werd met machtiging van de rechter-commissaris een bevel tot opnemen van vertrouwelijke communicatie (hof: hierna ook afgekort genoemd ‘OVC’) met een technisch hulpmiddel verstrekt.

Genoemd bevel bepaalde dat de communicatie die plaatsvindt wordt opgenomen in een vervoermiddel, een transportauto ten behoeve van Justitie, waarin de verdachten worden vervoerd op 18 mei 2018 van het hoofdbureau van politie te Eindhoven naar het gerechtsgebouw te ’s-Hertogenbosch.

Door middel van gebruikmaking van een technisch hulpmiddel werd deze vertrouwelijke communicatie opgenomen en vervolgens uitgeluisterd en administratief verwerkt. Daar de betrokkenen in de Poolse taal spreken, werden de geluidsbestanden beluisterd en vertaald door een beëdigd tolk.

De verdachte betrokkenen zijn weergegeven met de cijfers 1, 2 en 3. (Uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, en uit de inhoud van onderstaand gesprek blijkt naar het oordeel van het hof dat met de cijfers 1, 2 en 3 worden aangegeven:

1. [getuige 1] ;

2. verdachte;

3. [medeverdachte] .)

(dossierpagina 31-1061)

01u 10 min:

1: Hoi [voornaam verdachte] . We gaan naar justitie. We gaan ’t zien. En [medeverdachte] , is hij er wel? Luister is [medeverdachte] er wel? (…)

1: en [medeverdachte]

2: Ja en [medeverdachte] .

1: Hij was de eerste die al die onzin met bijzonderheden begon uit te kramen. Hij heeft het aan [getuige 2] verteld en [getuige 2] heeft het verder doorverteld.

2: Ja zeker. Ben benieuwd naar zijn verklaring?

01u 13 min:

1: [medeverdachte] ! [medeverdachte] . Verdomme!

3: [getuige 3] heeft ons verlinkt.

1: Jij hebt ons verlinkt. (…) Waarom heb je alles aan hem verteld?

2: Zelfs tot de bijzonderheden toe.

1: Ja. En toen heeft hij met [getuige 2] geluld en zij heeft het verder doorgeluld. Je moet aan die hoerenzoon niks vertellen!

2: Hij heeft alles met bijzonderheden aan hem verteld.

3: Ik heb niet alles precies verteld.

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 26 januari 2021, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte -zakelijk weergegeven-:

(pagina 2van het proces-verbaal van de terechtzitting)

U vraagt mij of ik in de bewuste avond van 30 januari 2018 op de plaats delict aanwezig was, aan het strandje De Witte Sieb te ’s-Hertogenbosch.

Ja, ik was daar aanwezig.

U vraagt mij of het klopt dat wij – [medeverdachte] , [getuige 1] en ik – onder de koepel die daar stond, lagen en dat [slachtoffer] op het been van [getuige 1] is gaan staan.

Ja, dat klopt.

(pagina 5 van het proces-verbaal van de terechtzitting)

U houdt mij het OVC-gesprek in het arrestantenbusje voor, dossierpagina 31-1061. U merkt op dat uit het gesprek kan worden opgemaakt dat op dat moment twee personen in het busje zaten, te weten [getuige 1] en ik. U vraagt mij of ik mij dat kan herinneren.

Ja.

(pagina 6 van het proces-verbaal van de terechtzitting)

U vraagt mij of ik met [getuige 1] en later met [medeverdachte] in dat busje zat.

Ja. [getuige 1] nam als eerst plaats in het busje. Ik stapte als tweede persoon in.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Verweren van de verdediging in hoger beroep

De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden als verwoord in de pleitnota – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft gedood en het lichaam van [slachtoffer] heeft weggemaakt. De verklaringen van [getuige 3] , [medeverdachte] en [getuige 4] , waaruit de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte zou moeten blijken, zijn op cruciale onderdelen leugenachtig, innerlijk tegenstrijdig en/of in strijd met objectieve bewijsmiddelen. Deze verklaringen kunnen derhalve niet voor het bewijs worden gebezigd. De verdachte heeft verklaard dat hij wel op de plaats delict aanwezig is geweest en ruzie met [slachtoffer] heeft gekregen welke ontaardde in een handgemeen, maar dat [medeverdachte] het slachtoffer vervolgens plotseling, in zijn eentje, in een waas van blinde woede met de paal heeft doodgeslagen. Deze alternatieve lezing kan niet worden uitgesloten of als onaannemelijk terzijde worden geschoven, mede nu deze steun vindt in de verklaring van [getuige 1] .

Overwegingen van het hof

Het hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven op pagina’s 6 en 7 van het vonnis, met verbetering en aanvulling als hierna overwogen. Het hof houdt daarbij de volgorde van het vonnis aan.

A.

In de vierde regel van pagina 7 van het vonnis onder ‘Betrouwbaarheid van de verklaringen’ dient tussen de woorden “wisselend” en “wordt” te worden ingevoegd: en/of in strijd met de waarheid.

B.

In aanvulling op de eerste alinea op pagina 7 van het vonnis onder ‘Betrouwbaarheid van de verklaringen’ neemt het hof het volgende op.

Het hof constateert met de raadsman dat [getuige 4] op 11 juli 2018 bij de politie onduidelijk en met reserves heeft verklaard over de vraag wie bij Het Inloopschip tegen hem zei ‘Kom ik laat je iemand zien die ik heb afgemaakt’ en vervolgens de foto van [slachtoffer] aanwees en zei dat het die Pool was.

[getuige 4] gaf bij de politie evenwel uiteindelijk aan dat het niet [persoon] was en even later verklaarde hij dat hij er zeker van was dat [voornaam verdachte] degene was die dit had gezegd (dossierpagina 31-850). Ook nadat [getuige 4] een foto van verdachte was getoond, bevestigde [getuige 4] dat het deze [verdachte] was (dossierpagina 31-851).

Het hof merkt daarnaast op dat [getuige 4] al eerder in het verhoor had verklaard dat hij van [voornaam verdachte] (de verdachte) voor de eerste keer over de dood van [slachtoffer] vernam, dat [voornaam verdachte] tegen hem had gezegd ‘Wij hebben een man gedood’ ‘met een dikker stuk hout (tolk, in betekenis: een soort balk)’ ‘hij heeft met een balk gedood en vervolgens laten verdrinken’ en dat zijn wetenschap over de dood van [slachtoffer] uitsluitend van [voornaam verdachte] afkomstig was (dossierpagina’s 31-844 tot en met 31-848). Het voorgaande strookt met de inhoud van het tot het bewijs gebezigde getapte telefoongesprek tussen [getuige 4] en [getuige 2] Mandrela van 8 april 2018, omstreeks 16:24 uur. Uit dit gesprek volgt dat [getuige 4] tegen [getuige 2] zei ‘ [voornaam verdachte] heeft hem geslagen’. Toen [getuige 2] aangaf dat zij de details niet wist, zei [getuige 4] : ‘Ik weet alleen wat hij mij verteld heeft’. Hierna zei [getuige 4] ‘toen ik [voornaam verdachte] zocht (…) kom, ik laat je die mens zien die ik heb afgemaakt en hij liet me (…) hij wees op een foto (…) dat het deze Pool is.’.

Het hof stelt vast dat [getuige 4] in dat gesprek met geen woord repte over [persoon] , nog daargelaten dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat [persoon] op enige wijze betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer] . Voor het hof staat op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien met de overige tot het bewijs gebezigde verklaringen, vast dat de verdachte voornoemde uitlatingen tegenover [getuige 4] heeft gedaan en dat het verdachte was die [getuige 4] de foto van [slachtoffer] aanwees bij Het Inloopschip en daarbij zei dat het die Pool was en dat [getuige 4] hierover onbevangen sprak met [getuige 2] tijdens een tap en dit ook heeft herhaald en bevestigd tijdens zijn verhoor bij de politie.

Het hof acht in het kader van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 3] het hiervoor vermelde en thans tot het bewijs gebezigde afgeluisterde OVC-gesprek tussen [getuige 1] , [medeverdachte] en de verdachte nog van belang. Dit gesprek vond plaats op 18 mei 2018, drie dagen nadat [getuige 3] bij de politie de voor [medeverdachte] en de verdachte belastende verklaringen had afgelegd. Op het moment dat [medeverdachte] (die in het proces-verbaal van het OVC-gesprek is aangeduid als ‘3’) in het busje arriveert, zegt hij ‘Michael (fon) heeft ons verlinkt’. Naar het oordeel van het hof is het evident dat hierbij wordt gedoeld op [getuige 3] . [getuige 1] (die in het proces-verbaal van het OVC-gesprek is aangeduid als ‘1’) reageert daarop met ‘Jij hebt ons verlinkt’ en vraagt vervolgens aan [medeverdachte] ‘Waarom heb je alles aan hem verteld?’. Verdachte (die in het proces-verbaal van het OVC-gesprek is aangeduid als ‘2’) vult [getuige 1] aan met de opmerking ‘Zelfs tot de bijzonderheden toe’. [getuige 1] bevestigt dit vervolgens: ‘Ja. En toen heeft hij (het hof begrijpt: [getuige 3] ) met [getuige 2] geluld en zij heeft het verder doorgeluld.’. Hierna brengt verdachte nogmaals naar voren: ‘Hij (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) heeft alles met de bijzonderheden aan hem (het hof begrijpt: [getuige 3] ) verteld’.

Het hof stelt vast dat op geen enkel moment in dit gesprek tijdens deze rit de inhoud van de verklaring van [getuige 3] wordt weersproken of in twijfel wordt getrokken. Dat [medeverdachte] vervolgens nog heeft gezegd dat hij ‘niet alles precies’ heeft verteld, bevestigt daarenboven dat hij daadwerkelijk met [getuige 3] had gesproken hierover en doet evenmin iets af aan de inhoud van [getuige 3] verklaring, noch aan de betrouwbaarheid daarvan.

Integendeel, het hof is van oordeel dat de specifieke uitspraken over de ‘bijzonderheden’ van [getuige 1] en de verdachte tijdens deze rit de inhoud van de verklaring van [getuige 3] juist bevestigen. Immers, een dag voor deze rit zijn zij alle drie voor het eerst door de politie tijdens verhoor geconfronteerd met het feit dat [getuige 3] , de partner van [getuige 2] Mandrela, belastend en gedetailleerd over hun betrokkenheid had verklaard (verdachte vanaf dossierpagina 21-234, [medeverdachte] vanaf dossierpagina 22-293 en [getuige 1] vanaf dossierpagina 23-244). Het hof merkt voorts nog op dat de verklaring van [getuige 3] overigens niet op zichzelf staat. Zo wordt bijvoorbeeld een onderdeel van de verklaring van [getuige 3] , inhoudende dat [medeverdachte] tegen hem had gezegd dat [slachtoffer] op 30 januari 2018 om het leven was gebracht en dat ze daarna ergens anders waren gaan slapen, verankerd door de verklaring van [getuige 5] in combinatie met de bevindingen van de politie (dossierpagina’s 31-777 en 778, in combinatie met 31-109).

Het hof ziet gelet op al het hiervoor overwogene, in combinatie met de overige bewijsmiddelen en hetgeen in het vonnis reeds is overwogen, geen reden om aan de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaring van [getuige 3] te twijfelen en bezigt deze onverkort tot het bewijs.

Voor het hof staat, gelet op voormelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd met de overige bewijsmiddelen, vast dat [slachtoffer] om het leven is gekomen op de wijze zoals [getuige 3] van [medeverdachte] heeft vernomen. Het hof gaat derhalve uit van de feitelijke situatie dat eerst de verdachte meerdere malen met een paal tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en dat [medeverdachte] het vervolgens overnam en ook meerdere malen met diezelfde paal (zo verklaart [medeverdachte] ) heeft geslagen. Samen hebben zij het stoffelijk overschot van [slachtoffer] vervolgens naar de waterkant gesleept en in het water gedumpt.

C.

Het hof vervangt de tekst onder ‘Alternatief scenario’ in de tweede alinea op pagina 7 van het vonnis, die begint met de woorden ‘Naar het oordeel van de rechtbank (…)’ en eindigt met de woorden ‘(…) niet aannemelijk bevonden’ door de volgende overwegingen.

Het hof overweegt in de eerste plaats dat de verdachte pas in een heel laat stadium met een alternatief scenario naar voren is gekomen. Eerder heeft hij zich bij de politie en de rechtbank voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen, dan wel ontkende hij enige betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] te hebben. De summiere verklaringen die hij gedurende de procedure in eerste aanleg heeft afgelegd, waren op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden grotendeels aantoonbaar onjuist en heeft hij later herzien. Zo verklaarde verdachte onder meer dat hij [medeverdachte] nog niet echt kende in januari 2018 (dossierpagina 21-222), dat hij [slachtoffer] voor het laatst vlak voor kerst 2017 had gezien (dossierpagina 21-227), en ontkende hij de plaats delict te kennen, geen idee te hebben waar dat is (geconfronteerd met foto’s van de koepel / metalen overkapping bij het zandstrandje achter de Gamma in ’s-Hertogenbosch) en dat hij niet op de plaats delict was geweest (dossierpagina’s 21-233 en 21-234 in combinatie met 21-237 tot en met 21-239).

Ter terechtzitting in eerste aanleg is door de verdediging wel gewezen op een mogelijke alternatieve lezing, maar de verdachte had zich daar op dat moment in het geheel nog niet over uitgelaten.

Eerst na zijn veroordeling in eerste aanleg heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 januari 2021 een inhoudelijke verklaring afgelegd, kort gezegd inhoudende dat [medeverdachte] in zijn eentje verantwoordelijk is voor de geweldshandelingen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid. Het hof stelt vast dat de verdachte door het tijdstip van het inbrengen van dit alternatieve scenario ruim de gelegenheid heeft gehad om zijn verklaringen op alle beschikbare onderzoeksbevindingen af te stemmen. Naar het oordeel van het hof komt het late moment van verklaren zijn geloofwaardigheid niet zonder meer ten goede.

Het hof is voorts van oordeel dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vrij algemeen bleef, gaandeweg (wanneer hem nadere vragen werden gesteld) werd aangepast/aangevuld en dat deze op een aantal punten evidente onjuistheden bevatte. Zo verklaarde de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 januari 2021 toen hem de afgeluisterde OVC-gesprekken werden voorgehouden dat hij wist dat de gesprekken in het arrestantenbusje werden opgenomen en dat hij daarom – op instigatie van zijn toenmalig raadsvrouw – (behoudens enkele algemene woorden) niets heeft gezegd in het busje. Het hof heeft hiervoor echter vastgesteld en tot het bewijs gerekend dat de verdachte in het busje wel degelijk inhoudelijk met [getuige 1] en [medeverdachte] over de zaak heeft gesproken.

Daarnaast is het hof van oordeel dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario onvoldoende steun vindt in de resultaten van het zeer uitgebreide onderzoek naar de dood van het slachtoffer. Er zijn geen objectieve gegevens of verklaringen, anders dan de verklaring van de verdachte in hoger beroep, die erop wijzen of bevestigen dat alleen [medeverdachte] verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] .

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat ook de verklaring van [getuige 1] niet heeft te gelden als een verklaring die de gepresenteerde alternatieve lezing van verdachte ondersteunt. De enkele omstandigheid dat [medeverdachte] volgens [getuige 1] tegen hem had gezegd dat hij het slachtoffer had omgebracht, terwijl de verdachte tegen hem had gezegd dat hij het slachtoffer tegen zijn gezicht had geslagen, acht het hof daartoe onvoldoende.

Ten eerste is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat [getuige 1] geen duidelijk onderscheid maakt in het aandeel dat onderscheidenlijk [medeverdachte] en de verdachte zouden hebben gehad bij de dood van [slachtoffer] . [getuige 1] sprak tot tweemaal toe in meervoudsvorm toen hij verklaarde dat hij van [medeverdachte] en de verdachte had gehoord dat ‘ze’ hem hadden afgeranseld (dossierpagina 23-276) / dat ‘ze’ hem een pak slaag hadden gegeven. Dit kon volgens [getuige 1] niet met de blote handen zijn gebeurd en hij had paaltjes zien liggen (dossierpagina 23-324). Hij heeft niet verklaard dat de geweldshandelingen van verdachte beperkt waren gebleven tot het slaan met de blote handen en dat [medeverdachte] (hierna) in zijn eentje verantwoordelijk was voor de dood van [slachtoffer] . Integendeel, [getuige 1] heeft verklaard dat hij ter plaatse vaststelde dat ze hem niet met blote handen gedood konden hebben en dat het voor hem duidelijk was dat zij [slachtoffer] met de paaltjes die naast het zeil lagen, hadden geslagen (dossierpagina 23-324).

Verder heeft [getuige 1] niet gesproken over een woede-uitbarsting (de verdachte spreekt van een ‘staat van dwaasheid’) aan de zijde van [medeverdachte] die schrik of verbijstering bij de verdachte teweeg had gebracht, zoals de verdachte heeft verklaard.

Tot slot merkt het hof op dat [getuige 1] de verklaring van de verdachte zelfs tegenspreekt, daar waar de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] het slachtoffer in zijn eentje heeft weggesleept. Volgens [getuige 1] hebben [medeverdachte] en de verdachte dit immers samen gedaan (dossierpagina 23-327). Dit alles kon [getuige 1] verklaren, omdat hij immers als oor- en ooggetuige ter plaatse was.

Ten slotte overweegt het hof dat het alternatieve scenario in strijd is met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, meer bepaald de verklaringen van [getuige 4] , [medeverdachte] en [getuige 3] . In deze verklaringen is telkens (ook) gesproken over actieve betrokkenheid van de verdachte bij de dood van het slachtoffer. Daarbij acht het hof relevant dat verdachte zelf een van de bronnen was die tot deze bewijsmiddelen heeft geleid.

Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig en derhalve niet aannemelijk geworden terzijde moet worden gesteld.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van doodslag en het wegmaken van een lijk. Hij heeft op 30 januari 2018 op het stadsstrand De Witte Sieb te ’s-Hertogenbosch samen met medeverdachte [medeverdachte] het slachtoffer [slachtoffer] met grof geweld om het leven gebracht, door hem met een houten paal meermalen tegen het hoofd te slaan. Vervolgens hebben zij het levenloze lichaam van [slachtoffer] samen naar het water gesleept en in de Dieze gedumpt. Pas op 26 maart 2018, bijna twee maanden later, is het lichaam van [slachtoffer] , drijvend in de Ertveldplas in ’s-Hertogenbosch, door vissers aangetroffen.

Dergelijk handelen getuigt van een weerzinwekkend gebrek aan respect voor het leven van een ander. De verdachte heeft het meest fundamentele recht dat een mens heeft, namelijk het recht op leven, aan [slachtoffer] ontnomen en is daarna op zeer respectloze en mensonterende wijze omgegaan met het stoffelijk overschot van het slachtoffer.

Voorts heeft de verdachte aan de nabestaanden van het slachtoffer immens en onherstelbaar leed toegebracht, zoals onder meer blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van [slachtoffer] . Zij hebben bovendien twee maanden lang in onzekerheid moeten leven over het lot van hun dierbare en hebben, doordat de toestand waarin het stoffelijk overschot verkeerde, niet op gepaste wijze afscheid kunnen nemen.

Het behoeft voorts geen betoog dat feiten als de onderhavige de rechtsorde ook in het algemeen schokken en in de samenleving algemene gevoelens van onrust en onveiligheid oproepen. Verdachte heeft op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Integendeel, van meet af aan heeft verdachte getracht te voorkomen dat hem enig verwijt kon worden gemaakt om zo aan een strafrechtelijke veroordeling te ontkomen. Hij heeft louter naar een ander gewezen als verantwoordelijke.

Het hof rekent de verdachte dit alles zeer zwaar aan.

Het hof is dan ook van oordeel dat, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, in verband met een juiste normhandhaving en uit een oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 22 februari 2021, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij in Engeland eerder voor een geweldsdelict (zware mishandeling) is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. Hiermee houdt het hof in het nadeel van de verdachte rekening.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in beginsel passend en geboden. Het hof is van oordeel dat deze straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak nog het volgende.

Namens de verdachte is tegen het bestreden vonnis op 7 juni 2019 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 15 april 2021 – einduitspraak. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden, aangezien sprake is van een in voorlopige hechtenis genomen verdachte. Aldus is de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep met ongeveer 6 maanden overschreden.

Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat het tijdsverloop mede is ingegeven doordat de verdachte kort voordat de zaak op 15 september 2020 voor het eerst inhoudelijk zou dienen van raadsman is gewisseld, waardoor de zaak moest worden aangehouden. Niettemin is het hof van oordeel dat deze omstandigheid niet het gehele tijdsverloop kan verklaren, mede nu de zaak op 26 januari 2021 opnieuw moest worden aangehouden door een omstandigheid volledig buiten de verdachte gelegen.

Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de op te leggen gevangenisstraf zal matigen met 1 jaar.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (wettelijk vertegenwoordiger [vertegenwoordiger] )

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben in eerste aanleg een vordering ingesteld, telkens strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.298,50 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep bij zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2] ieder hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.134,50, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof verklaart het verschil tussen het in eerste aanleg gevorderde en toegewezen bedrag door de variabele wisselkoersen bij de omrekening van Poolse złoty naar Euro die op dat moment golden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes onder 1 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade hebben geleden. Bij de stukken bevindt zich een (vertaalde) beslissing van de burgemeester van de [gemeente] (Polen). Uit deze beslissing blijkt dat voor de periode van 1 oktober 2017 tot en met 30 september 2018 een uitkering van kinderalimentatie ad totaal 700 złoty per maand uit het alimentatiefonds was toegekend en dat deze met ingang van 1 april 2018 is ingetrokken omdat het slachtoffer [slachtoffer] , zijnde de juridische vader van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , volgens informatie van de moeder in maart 2018 in het buitenland is komen te overlijden. Hierdoor maakten de rechthebbenden, de kinderen van het slachtoffer [slachtoffer] , per 1 april 2018 tot en met 30 september 2018 geen aanspraak meer op uitkering uit het alimentatiefonds.

Het hof acht de vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud derhalve voldoende onderbouwd, voor zover deze zien op het totaalbedrag aan de misgelopen kinderalimentatie over deze periode van zes maanden ad in totaal 4.200 złoty. De verdediging heeft deze vorderingen voorts inhoudelijk niet betwist. Het hof gaat bij de omrekening van de vorderingen in euro’s uit van de wisselkoers zoals deze geldt ten tijde van 14 april 2021, zijnde één dag voor het wijzen van het arrest.

Het hof zal de vorderingen derhalve toewijzen tot een bedrag van ieder (€ 922,14 / 2) € 461,07 per kind.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen tot dat bedrag toewijsbaar zijn, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade is het hof van oordeel dat de benadeelde partijen dit gedeelte van hun vordering thans onvoldoende hebben onderbouwd, aangezien uit de stukken niet blijkt of en in hoeverre [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] na 30 september 2018 aanspraak konden maken op een uitkering uit het alimentatiefonds dan wel of er een betalingsverplichting bestond voor [slachtoffer] tot het betalen van alimentatie na deze datum. Gelet hierop acht het hof zich onvoldoende geïnformeerd om dit gedeelte van de vorderingen inhoudelijk te kunnen beoordelen. Nu nader onderzoek een vertraging zou betekenen in de afdoening van de zaak en zulks naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zal het hof bepalen dat de vorderingen niet-ontvankelijk zijn voor zover deze betrekking hebben op het gevorderde gederfd levensonderhoud na 30 september 2018. De benadeelde partijen kunnen dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Totale schade en wettelijke rente

In totaal wijst het hof aan zowel [benadeelde partij 2] als [benadeelde partij 1] ieder een bedrag van € 461,07 aan materiële schade toe.

De toegewezen bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018 – zijnde de dag waarop de beslissing tot uitkering van de kinderalimentatie is ingetrokken en derhalve de schade is ontstaan – tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskostenveroordeling

Het hof zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] , in het kader van deze procedure hebben gemaakt en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Hoofdelijkheid

Het hof stelt vast dat verdachte het onder 1 bewezenverklaarde feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partijen hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregelen

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij telkens bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. In hetgeen door de raadsman is aangevoerd (de leeftijd van verdachte en de verwachting van ontbrekende verdiencapaciteit na detentie) ziet het hof geen aanleiding de duur van de gijzeling op één dag te bepalen. Het hof stelt daarbij voorop dat op voorhand niet duidelijk is wat de financiële omstandigheden van de verdachte zullen zijn na zijn periode in detentie. Voor zover bij de verdachte sprake zou zijn van betalingsonmacht, overweegt het hof dat uit de wetsgeschiedenis en artikel 6:4:20, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volgt dat een veroordeelde niet wordt onderworpen aan een gijzeling indien sprake is van betalingsonmacht, anders dan voorheen gold voor de vervangende hechtenis. Als een veroordeelde aannemelijk maakt dat hij wel wil, maar niet kan betalen, wordt gijzeling niet toegepast. Daarmee is dus sprake van een verandering in de regels van het sanctierecht die ten gunste van de verdachte werkt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.064,14 aan materiële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2018 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft voorts de gevorderde proceskosten toegewezen ad € 42,56.

De vordering ter zake van materiële schade bestaat uit begrafeniskosten ad € 6.965,80 en reiskosten ad € 98,34.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.965,80 aan gemaakte begrafeniskosten. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij deze schade voldoende heeft onderbouwd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de factuurdatum, zijnde 14 april 2018.

Het hof begrijpt dat de benadeelde partij de reiskosten naar het openbaar ministerie ad € 42,56 en haar advocaat ad € 55,78, in totaal € 98,34, in de vordering voor wat betreft de reiskosten naar het openbaar ministerie heeft aangemerkt als proceskosten, maar in de toelichting voor beide bestemmingen heeft aangemerkt als materiële schade. Reiskosten in verband met bezoeken van een advocaat zijn naar het oordeel van het hof evenwel geen rechtstreekse materiële schade als gevolg van het strafbare feit.. Hetzelfde geldt voor reiskosten naar het openbaar ministerie. Een wettelijke basis om deze kosten ten laste van de verdachte te brengen, ontbreekt. Voor zover het hof de reiskosten ad € 42,56, net als de rechtbank heeft gedaan, zou aanmerken als reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting, dan zijn die kosten niet aan te merken als materiële schade, maar onder omstandigheden wel als proceskosten. Voor zover de reiskosten aldus zijn gevorderd als materiële schade, wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De proceskosten zullen hieronder worden besproken.

Proceskosten

In voegingsprocedures als de onderhavige hanteert de strafrechter dezelfde maatstaf als in civiele procedures. Voor de volledigheid overweegt het hof hier dat in civiele procedures reiskosten van een partij naar de advocaat niet voor vergoeding in aanmerking komen. Reden waarom het hof die reiskosten ook hier niet als proceskosten toewijsbaar acht.

Reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt teneinde een terechtzitting bij te wonen komen alleen voor proceskostenvergoeding in aanmerking, indien de benadeelde partij de vordering zelf heeft toegelicht en geen gebruik heeft gemaakt van een gemachtigde. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijkt immers dat reiskosten doorgaans niet als ‘noodzakelijk’ worden aangemerkt indien er met een gemachtigde wordt geprocedeerd.

Nu de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg is bijgestaan door een gemachtigde, zal het hof de gevorderde reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting evenmin als proceskosten toewijzen.

Het hof zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij in het kader van deze procedure (overigens) heeft gemaakt en in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Hoofdelijkheid

Het hof stelt vast dat verdachte het onder 1 bewezenverklaarde feit samen met een ander heeft gepleegd. Nu de verdachte en zijn mededader samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde partij hoofdelijk (naar burgerlijk recht) aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. In hetgeen door de raadsman is aangevoerd ziet het hof ook ten aanzien van deze vordering op grond van dezelfde overwegingen als hiervoor vermeld geen aanleiding de duur van de gijzeling op één dag te bepalen.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 461,07 (vierhonderdeenenzestig euro en zeven cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de (hoofdelijke) verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 461,07 (vierhonderdeenenzestig euro en zeven cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 april 2018;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 461,07 (vierhonderdeenenzestig euro en zeven cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de (hoofdelijke) verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 461,07 (vierhonderdeenenzestig euro en zeven cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 9 (negen) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 april 2018;

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.965,80 (zesduizend negenhonderdvijfenzestig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de (hoofdelijke) verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.965,80 (zesduizend negenhonderdvijfenzestig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 69 (negenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 14 april 2018;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aldus gewezen door:

mr. G.J. Schiffers, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.E. van Dijk, griffier,

en op 15 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. G.J. Schiffers en mr. N.I.B.M. Buljevic zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.