Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1102

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
200.280.593_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugd recht

zaaknummer : 200.280.593/01

zaaknummer rechtbank : C/02/355858 FA RK 19-1142

beschikking van de meervoudige kamer van 15 april 2021

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. I. de Dobbelaere-Woets te Terneuzen.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 7 april 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 3 juli 2020 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 7 april 2020.

2.2.

De vrouw heeft op 24 augustus 2020 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 1 oktober 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 4 februari 2020;

- de van de zijde van de man toegezonden productie 21, ingekomen op 22 juli 2020;

- een journaalbericht van 2 oktober 2020 met bijlagen van de zijde van de man, ingekomen op 5 oktober 2020;

- een journaalbericht van 4 januari 2021 met bijlagen van de zijde van de vrouw, ingekomen op 6 januari 2021;

- een journaalbericht van 11 februari 2021 met bijlagen van de zijde van de vrouw, ingekomen op 15 februari 2021;

- een journaalbericht van 18 februari 2021 met bijlagen van de zijde van de man, ingekomen op 19 februari 2021.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.

Op achtereenvolgens 22 februari 2021, 2 maart 2021 en 3 maart 2021 zijn nog drie faxberichten met bijlagen van de zijde van de man ingekomen. De advocaat van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij deze stukken heeft ontvangen en kunnen beoordelen, maar dat hij deze niet meer met de vrouw heeft kunnen bespreken. Het hof heeft, na een korte schorsing van de mondelinge behandeling beslist dat op deze faxberichten met bijlagen, acht wordt geslagen. Deze faxberichten met bijlagen zijn eenvoudig te doorgronden en de advocaat van de vrouw heeft voldoende kennis kunnen nemen van de inhoud ervan.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juli 2013 is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 31 juli 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

[minderjarige 1] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.4.

Van de echtscheidingsbeschikking maakt het door partijen op 1 november 2012 ondertekende ouderschapsplan deel uit. In artikel 7.1. van het ouderschapsplan zijn de kosten van [minderjarige 1] begroot op € 790,- per maand en in artikel 7.2. is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (hierna ook: kinderalimentatie) betaalt van € 790,- per maand.

3.5.

Bij door de vrouw op 20 juni 2013 en door de man op 25 juni 2013 ondertekend echtscheidingsconvenant tevens vaststellingsovereenkomst hebben partijen het ouderschapsplan partieel vernietigd en zijn partijen onder meer, met bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven, overeengekomen dat de man de volledige kosten van [minderjarige 1] voor zijn rekening neemt met uitsluiting van de vrouw, welke kosten partijen bindend hebben vastgesteld op

€ 790,- per maand in 2013. In ruil voor die toezegging van de man maakt de vrouw geen aanspraak op partneralimentatie.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 17 juli 2013 en het daarvan deel uitmakende ouderschapsplan uitsluitend wat de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] betreft gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van 4 maart 2019 aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] dient te voldoen van € 588,- per maand.

4.2.

De grieven van de man in principaal hoger beroep zien op de behoefte van [minderjarige 1] , op de draagkracht van de man en op de verdeling van zijn draagkracht over de kinderen jegens wie de man onderhoudsplichtig is, te weten jegens [minderjarige 1] en jegens de op [geboortedatum] 2015 geboren [minderjarige 2] , alsmede op de terugbetaling van de te veel aan de vrouw betaalde kinderalimentatie voor [minderjarige 1] .

4.2.1.

De man heeft in principaal hoger beroep verzocht, verkort weergegeven, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 juli 2013 wat de kinderalimentatie betreft te wijzigen en te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] met ingang van 1 januari 2019 op nihil zal worden gesteld, dan wel een kinderalimentatie te bepalen met ingang van een datum en op een bedrag dat het hof juist acht en de vrouw te veroordelen om de door haar te veel ontvangen bedragen aan kinderalimentatie aan de man terug te betalen.

4.3.

De vrouw heeft in principaal hoger beroep verzocht de grieven van de man ongegrond te verklaren.

4.4.1.

De grief van de vrouw in incidenteel hoger beroep betreft de draagkracht van de man.

4.4.2.

De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep verzocht de grief van de vrouw gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en, zoals zij in de bij het journaalbericht van 4 januari 2021 gevoegde brief van 4 januari 2021 aan het hof en ook tijdens de mondelinge behandeling heeft verduidelijkt, de man in zijn verzoeken in eerste aanleg alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de man in eerste aanleg alsnog af te wijzen.

4.4.3.

De man heeft in incidenteel hoger beroep verzocht de grief van de vrouw ongegrond te verklaren en het verzoek van de vrouw af te wijzen.

4.5.

De grieven in principaal en incidenteel hoger beroep worden gezamenlijk behandeld.

5 De motivering van de beslissing

In het principaal en incidenteel hoger beroep

5.1.

Partijen hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig toegelicht. Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken is gebleken dat een aantal feiten in deze zaak tussen partijen niet in geschil zijn. Het hof inventariseert als volgt.

In juni 2013 zijn partijen, met bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven, overeengekomen dat de man de volledige kosten van [minderjarige 1] voor zijn rekening neemt met uitsluiting van de vrouw, welke kosten partijen, op basis van hun inkomsten indertijd, bindend hebben vastgesteld op € 790,- per maand in 2013. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat de behoefte van [minderjarige 1] , ook thans, € 790,- per maand bedraagt en dat het hof van die behoefte uit kan gaan.

Tussen partijen is verder niet in geschil dat de man sedert [geboortedatum] 2015 onderhoudsplichtig is geworden jegens zijn uit zijn huidige relatie geboren zoon [minderjarige 2] en dat de behoefte van [minderjarige 2] in 2019 € 296,- per maand bedraagt. Tussen partijen is evenmin in geschil dat het pand van de onderneming van de man, [onderneming] BV te [vestigingsplaats] , op 10 november 2018 is uitgebrand. Partijen zijn het voorts met elkaar eens dat het debat in deze zaak zich uitsluitend richt op de draagkracht van de man en op de vraag of de man, gelet op de geboorte van [minderjarige 2] en gelet op de brand in 2018, nog voldoende draagkracht heeft om in de overeengekomen kosten van [minderjarige 1] te blijven voorzien.

5.2.1.

De man heeft gesteld, kort samengevat, dat zijn inkomsten na de brand op 10 november 2018 sterk zijn verminderd. Door deze sterk verminderde inkomsten en mede gelet op de onderhoudsverplichting van de man jegens [minderjarige 2] , is de man niet langer in staat de overeengekomen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] te voldoen. In eerste aanleg heeft de man verzocht de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] met ingang van 1 december 2018 op € 182,- te bepalen. In hoger beroep heeft de man verzocht de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] met ingang van 1 januari 2019 op nihil te stellen.

5.2.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. De vrouw heeft gesteld dat de man niet heeft aangetoond dat hij onvoldoende draagkracht heeft om, naast de kosten voor [minderjarige 2] , volledig in de kosten van [minderjarige 1] te voorzien. De verzoeken van de man in hoger beroep en ook de oorspronkelijke verzoeken van de man bij de rechtbank moeten worden afgewezen.

5.2.3.

Het hof overweegt dat de draagkracht van de man, ook in hoger beroep, niet is vast te stellen. De man heeft in hoger beroep meer stukken overgelegd dan in eerste aanleg. Zo heeft de man de jaarrekeningen 2017, 2018 en 2019 en een prognose 2020 van [onderneming] BV overgelegd. Tevens heeft de man een brief van de Belastingdienst aan de man van 8 juli 2020 in het geding gebracht waaruit blijkt dat het gebruikelijk loon van de man (hof: voorheen van € 90.000,- per jaar), in 2019 kon worden gesteld op € 36.183,- en in 2020 op € 35.000,-, welk loon voor 2021 opnieuw moet worden vastgesteld. Echter op basis van deze stukken is de financiële positie van de man niet te beoordelen en is evenmin te beoordelen welk inkomen de man na de brand in november 2018 in redelijkheid heeft kunnen verwerven. Met name heeft de man niet met voldoende verificatoire stukken onderbouwd welke uitkeringen de verzekeringsmaatschappij heeft gedaan na de brand in november 2018; specificaties van die uitkeringen ontbreken, evenals de onderbouwing hoe de door de verzekeringsmaatschappij uitgekeerde, en eventueel nog uit te keren bedragen, tot stand zijn gekomen. Ook ontbreekt de verzekeringspolis (de man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het een polis betreft ter zake stagnatieschade en materiële schade). De door de man overgelegde brief met bijlage van de accountant van de man, de heer [accountant] , aan de advocaat van de man van 9 april 2020 en de toelichting van de man daarop tijdens de mondelinge behandeling, kan daartoe niet als voldoende onderbouwing dienen. Dit geldt te meer niet nu het in de bijlage weergegeven en door de vrouw betwiste ‘overzicht uitkering brandschade [onderneming] ’ niet met verificatoire gegevens is onderbouwd.

Gelet op het voorgaande concludeert het hof als volgt. Nu het inkomen van de man en daarmee zijn draagkracht niet is vast te stellen (en daarmee ook niet bepaald kan worden hoe die draagkracht over zijn kinderen verdeeld zou moeten worden), dient het verzoek van de man in principaal hoger beroep te worden afgewezen en dient het verzoek van de vrouw in incidenteel hoger beroep te worden toegewezen in die zin dat de verzoeken van de man in eerste aanleg (de oorspronkelijk inleidende verzoeken van de man) alsnog worden afgewezen.

5.3.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 7 april 2020,

en opnieuw rechtdoende:

in het principaal hoger beroep:

wijst af de verzoeken van de man;

in het incidenteel hoger beroep:

wijst af de oorspronkelijk inleidende verzoeken van de man,

wijst af het in principaal- en incidenteel hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, E.M.C. Dumoulin en E.P. de Beij en is door mr. E.P. de Beij op 15 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.