Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1058

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
200.277.699_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek moeder contact tussen kinderen en vader te ontzeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 8 april 2021

Zaaknummer: 200.277.699/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/336300 FA RK 17-5482

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.W.A. Verhaard,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.G. Ouwejan.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] (hierna [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Briedis Jeugdbeschermers,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 30 januari 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 april 2020, heeft de moeder verzocht, naar het hof begrijpt, voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat de zorgregeling tussen de vader en de kinderen wordt opgeschort, dan wel onder begeleiding van een jeugdzorginstantie wordt opgestart.

2.2.

Bij verweerschrift van 24 juni 2020, met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2020, heeft de vader verzocht om, naar het hof begrijpt, de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in hoger beroep, dan wel haar grieven ongegrond te verklaren, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 3 december 2019;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 8 januari 2021, met bijlagen, ingekomen bij het hof op 12 januari 2021;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 1 maart 2021, met bijlagen, ingekomen bij het hof op 2 maart 2021;

- het V6-formulier van de advocaat van de vader van 3 maart 2021, met bijlagen, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder van 4 maart 2021, met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de advocaat van de moeder;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Ouwejan;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.1.

De moeder is, hoewel op verzoek van de moeder aan haar een uitnodiging is gezonden om via een online verbinding deel te nemen aan de mondelinge behandeling, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna [minderjarige 1] );

  • -

    [minderjarige 2] , op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] (hierna [minderjarige 2] );

  • -

    [minderjarige 3] , [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 3] ).

3.2.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.3.

Bij beschikking van 1 juli 2016 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 juli 2021.

3.4.

Bij beschikking van 4 juli 2017 heeft de rechtbank Rotterdam, voor zover thans van belang, een opbouwende zorgregeling vastgesteld waarbij zal worden toegewerkt naar een regeling waarbij de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdag 16.00 uur tot zondag 16.30 uur en de helft van de schoolvakanties en feestdagen bij de vader zullen verblijven.

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de moeder om de bij voornoemde beschikking van 7 juli 2017 vastgestelde zorgregeling op te schorten en aan de vader de omgang met de kinderen voor een jaar te ontzeggen, dan wel te bepalen dat de zorgregeling onder toezicht plaatsvindt, afgewezen.

3.6.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. De moeder wil de tijd krijgen om hetgeen haar en de kinderen is overkomen te verwerken met hulp van de benodigde therapie, die zij overigens zelf heeft ingeschakeld. Het is van belang dat de hulpverleningstrajecten worden afgerond en dat na/tijdens die trajecten in overleg met alle hulpverlenende instanties toegewerkt wordt naar contactherstel tussen de kinderen en de vader.

3.8.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. De vader vindt dat het huidige hulpverleningstraject vanuit Kiek! de situatie te eenzijdig belicht en teveel meegaat in het verhaal van de moeder. Het resultaat daarvan is dat er geen contact komt tussen de kinderen en de vader en de moeder zich tegen dit contact blijft verzetten. De vader staat achter het advies van het NIFP-onderzoek, waaruit blijkt dat indien er zes maanden na het uitbrengen van de rapportage geen aantoonbare resultaten zijn geboekt, het te overwegen is, om als stok achter de deur, beide ouders (tijdelijk) uit de ouderlijke macht te zetten.

3.9.

De GI voert – kort samengevat – het volgende aan. Op dit moment kan nog niet gewerkt worden naar contactherstel. De GI wil met Kiek! bespreken of de kinderen weer onder hun werkelijke achternaam ingeschreven kunnen worden, dat er wordt gewerkt aan meer betrokkenheid van de vader bij school en dat dit wordt meegenomen in de trauma-behandeling van de kinderen. De GI is afhankelijk van Kiek! en Kiek! heeft de GI verzocht in de periode waarin er behandelingen zijn geen contact op te nemen met de moeder en de kinderen. De GI heeft er geen zicht op of het traject van de moeder bij Emergis en dat van de kinderen bij Kiek! parallel loopt.

3.10.

De raad voert – kort samengevat – het volgende aan. Het verzoek van de moeder dient te worden afgewezen. Het NIFP-rapport is heel duidelijk: er zijn geen contra-indicaties voor omgang tussen de vader en de kinderen. De omgang dient dus vlot getrokken te worden. De impasse die nu is ontstaan moet doorbroken worden. De raad geeft de GI ter overweging mee vanuit een neutrale plaatsing te onderzoeken hoe de omgang opgebouwd kan worden.

3.11.

Het hof overweegt als volgt.

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel kan de rechtbank op verzoek van (een van) de ouders een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. De regeling kan een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken omvatten, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.

3.11.2.

De rechter kan een tijdelijk verbod aan een ouder opleggen om met het kind contact te hebben, indien sprake is van een of meer van de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde ontzeggingsgronden.

De rechter kan dientengevolge een tijdelijk contactverbod opleggen indien:

sub a: contact ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind

sub b: de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot contact

sub c: het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen contact met zijn ouder heeft doen blijken

sub d: contact anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.11.3.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere beslissing dienaangaande wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

3.11.4.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben sinds 13 augustus 2017 geen contact meer met de vader. Hoewel de rechtbank nog bij beschikking van 4 juli 2017 een opbouwende zorg- en contactregeling heeft vastgelegd tussen de kinderen en de vader, diende de moeder kort daarna (op 4 oktober 2017) een verzoek in bij de rechtbank tot opschorting dan wel ontzegging van het recht op contact tussen de kinderen en de vader. Lopende de ondertoezichtstelling zijn er in opdracht van de GI forensisch psychologische onderzoeken verricht bij de moeder, de vader en de kinderen. Uit de NIFP-rapportages van september 2018 en oktober 2019 blijkt dat er géén contra-indicaties zijn voor omgang tussen de kinderen en de vader. Het NIFP concludeert (onder meer) dat de moeder de kinderen min of meer als haar bezit beschouwt en dat zij in deze complexe scheidingsproblematiek geen ruimte ziet voor een aandeel van de vader in het leven van de kinderen. Het NIFP spreekt voorts van zichtbare loyaliteitsproblemen van de kinderen. Het NIFP adviseert dat – indien zes maanden na het uitbrengen van de rapportage er geen aantoonbare resultaten zijn geboekt in het contactherstel – het te overwegen is om als stok achter de deur beide ouders (tijdelijk) uit de ouderlijke macht te zetten.

In de afgelopen periode is de hulpverlening (traumatherapie) bij Kiek! voor de kinderen opgestart en is de moeder aangemeld voor therapie bij Emergis. De GI geeft aan dat Kiek! van de GI verlangt geen contact op te nemen met de moeder en de kinderen gedurende de looptijd van de behandelingen. Het voorgaande heeft geleid tot een impasse in de handelingsmogelijkheden van de GI. Uit het evaluatieverslag van Kiek! van 18 februari 2021 blijkt dat onduidelijk is hoe lang het behandeltraject nog zal duren. De stand van zaken met betrekking tot de behandeling van de moeder bij Emergis is onbekend.

Het hof heeft alles overziende grote zorgen over de situatie waarin [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verkeren. De kinderen hebben al sinds zij zeer jong waren geen contact meer met de vader en de kinderen en de vader raken van elkaar vervreemd. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren gekomen is op geen enkele wijze op objectieve gronden aannemelijk geworden dat er geen sprake kan zijn van contact tussen de kinderen en de vader, zoals door de moeder betoogd. Het baart het hof daarom des te meer zorgen dat de moeder nu opnieuw aangeeft dat er op dit moment geen contactherstel plaats kan vinden, maar dat zij een nieuwe drempel opwerpt, zijnde de nog af te ronden therapieën van de kinderen en van haarzelf. Het voorgaande levert naar het oordeel van het hof echter geen grond op voor ontzegging van de omgang. Het komt het hof in het belang van de kinderen juist wenselijk voor dat het contact tussen de kinderen en de vader wordt hersteld.

Het hof ziet geen grond voor toewijzing van het verzoek van de moeder ten aanzien van het opstarten van de zorgregeling onder begeleiding van de GI, nu de GI heeft medegedeeld dit in het kader van de ondertoezichtstelling op zich te nemen.

Het hof overweegt ten overvloede dat van de GI op korte termijn concrete maatregelen worden verwacht om de impasse te doorbreken, zoals ook de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft geadviseerd en waarbij zo nodig wordt onderzocht of vanuit een neutrale plaatsing de omgang tussen de kinderen en de vader weer kan worden opgebouwd.

3.12.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 30 januari 2020;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.M. Bossink en is op 8 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.