Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1053

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
200.280.161_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strijdende ouders. Gezag blijft bij moeder. Enkele nuances aangebracht in de omgangsregeling die hof in het belang van het kind acht. Vader (woont in Duitsland) krijgt wel identiteitskaart mee tijdens omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 8 april 2021

Zaaknummer: 200.280.161/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/225238 / FA RK 16-3164

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende in [woonplaats] (Duitsland),

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F.C. Eliëns,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A. van den Eshoff.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, locatie [locatie] ,

hierna: de GI (Gecertificeerde Instelling).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost Nederland,

locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige] (hierna: [minderjarige)], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 3 april 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 juli 2020, en zoals aangevuld op 19 februari 2021, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

I. te bepalen dat partijen voortaan gezamenlijk het ouderlijk gezag zullen uitoefenen over [minderjarige] ;

II. te bepalen dat [minderjarige] vooralsnog, behoudens eventueel nog aan te voeren wijzigingen, in het kader van de reguliere omgang als volgt bij de vader zal verblijven:

- iedere maandag na school tot dinsdag vóór school;

- om het weekend vanaf vrijdag na school tot dinsdag vóór school;

- waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader zal brengen en de vader [minderjarige] naar de moeder zal terugbrengen.

Gedurende de vakanties:

- te bepalen dat de vakanties bij helfte worden gedeeld, waarbij de wisselmomenten zijn op zondag om 15.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder, met belang dat indien [minderjarige] in de vakantie bij de vader verblijft, de vader in ieder geval met [minderjarige] binnen de Schengenzone onbeperkt op vakantie kan gaan;

- voor zover de vader met [minderjarige] buiten de Schengenlanden op vakantie zou willen gaan, zal de vader in voorkomend geval daarover in overleg treden me de moeder en mocht de moeder onverhoopt toestemming weigeren, dan zal de vader vervangende toestemming aan de rechtbank vragen;

Ten aanzien van de feestdagen:

- te bepalen dat alle feestdagen bij helfte zullen worden gedeeld, zowel de Christelijke als de Islamitische, waarbij ook hier de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] weer bij de moeder terugbrengt;

- voor de verjaardagen geldt dat [minderjarige] op de verjaardag van de jarige ouder bij die ouder is. De verjaardag van grootouders kan zij vieren met de betreffende grootouders, ongeacht of ze dat weekend bij de betreffende ouder is. Voor andere familieleden wordt geen uitzondering gemaakt zolang de ouders hier niet in onderling overleg zelf naartoe kunnen werken;

Ten aanzien van de verjaardag van [minderjarige] :

- te bepalen dat [minderjarige] het ene jaar haar verjaardag viert bij de vader en het andere jaar bij de moeder;

III. de moeder de veroordelen het paspoort en/of identiteitskaart van [minderjarige] aan de vader af te geven als [minderjarige] bij de vader verblijft, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag dat de moeder na betekening van de beschikking weigerachtig is hieraan te voldoen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2020, heeft de moeder verzocht de verzoeken van de vader af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen met veroordeling van de vader in de gemaakte proceskosten, inclusief (na)salaris en/of verschotten van de advocaat van de moeder, althans dat het hof een beslissing neemt die het hof juist acht.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Duitse taal, mevrouw H. Ritter (tolkennummer 3145);

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg van 10 april 2018 en 19 februari 2020;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 16 februari 2021;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 19 februari 2021.

3 De beoordeling

3.1.

Deze zaak kent een internationaal karakter, nu de vader in Duitsland woont en de moeder en [minderjarige] in Nederland. Op grond van artikel 8 lid 1 Brussel II-bis is in deze zaak de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing.

3.2.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is geboren:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige] erkend.

De moeder oefent van rechtswege het gezag uit over [minderjarige] .

[minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder en een omgangsregeling met de vader.

Sinds 2 mei 2019 staat [minderjarige] onder toezicht. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 2 februari 2022.

Procedure eerste aanleg

3.3.1.

Partijen hebben de rechtbank allebei verzocht om een beslissing te nemen over de omgangsregeling. De vader heeft de rechtbank ook verzocht om gezamenlijk gezag.

3.3.2.

In het kader van deze procedure is het volgende van belang.

  • -

    de rechtbank heeft bij beschikking van 26 april 2017 een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft de ene week van vrijdag uit school tot dinsdagochtend en de andere week van maandag uit school tot dinsdagochtend;

  • -

    op 15 november 2017 zijn partijen in een ouderschapsplan overeengekomen, kort gezegd, dat de voorlopige omgangsregeling kan blijven gelden en zij hebben afgesproken dat [minderjarige] in beginsel de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader verblijft;

  • -

    bij tussenbeschikking van 17 april 2018 heeft de rechtbank een raadsonderzoek gelast naar de kwesties van gezag en omgang en heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] omgang kan hebben met de vader zoals partijen in het ouderschapsplan overeen zijn gekomen, onder aanhouding van iedere verdere beslissing;

  • -

    bij tussenbeschikking van 13 december 2018 heeft de rechtbank, in afwachting van het verloop van de hulpverlening en in afwachting van het definitieve advies van de raad, een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft van iedere maandag na school tot dinsdagochtend en om het weekend een van vrijdagmiddag na school tot dinsdagochtend, onder aanhouding van iedere verdere beslissing.

  • -

    de vader heeft vervolgens de rechtbank verzocht om ten laste van de moeder een dwangsom op te leggen van € 100,- voor iedere keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt en om de moeder te veroordelen tot afgifte van het paspoort/identiteitskaart van [minderjarige] op straffe van een dwangsom van € 100,- als moeder dat niet doet.

3.3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] in het kader van de reguliere omgang bij de vader zal verblijven:

  • -

    iedere maandag na school tot dinsdag voor school, waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt van en naar school;

  • -

    om het weekend vanaf vrijdag na school tot dinsdag voor school, waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt van en naar school.

Tijdens de vakanties:

  • -

    Carnavalsvakantie bij de moeder;

  • -

    Meivakantie: eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;

  • -

    Zomervakantie: week één en twee bij de moeder, week drie en vier bij de vader, week vijf bij de moeder, week zes bij de vader. De moeder brengt [minderjarige] naar de vader, de vader brengt [minderjarige] terug naar de moeder;

  • -

    Wisselmomenten op zondag om 15.00 uur.

  • -

    Herfstvakantie: bij de vader;

  • -

    Kerstvakantie: eerste week bij de moeder, tweede week bij de vader waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder.

  • -

    Voor de verjaardagen geldt dat [minderjarige] op de verjaardag van de jarige ouder bij die ouder is. De verjaardag van grootouders kan zij vieren bij de betreffende grootouder, ongeacht of zij dat weekend bij de betreffende ouder is. Voor andere familieleden wordt geen uitzondering gemaakt zo lang de ouders daar niet in overleg zelf naar toe kunnen werken;

  • -

    [minderjarige] hoeft aansluitend bij een wissel vanwege een verjaardag geen dagdelen in te halen bij de andere ouder.

De rechtbank heeft het verzoek van de vader om een dwangsom te verbinden aan de omgangsregeling, het verzoek van de vader dat hij de identiteitskaart van [minderjarige] krijgt tijdens de omgang en het meer of anders verzochte afgewezen

3.4.

De vader kan zich met deze beslissingen niet volledig verenigen hij is hiervan in hoger beroep gekomen. In zijn beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, voert hij, kort samengevat, het volgende aan.

Over het gezag

Juist het feit dat partijen niet het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen, vormt een belemmerende factor in de verstandhouding tussen partijen. Als partijen gezamenlijk de beslissingen over [minderjarige] nemen, heeft de vader het gevoel dat hij gelijkwaardig is aan de moeder. De moeder maakt nu misbruik van het feit dat zij alleen het gezag over [minderjarige] uitoefent. De vader heeft diverse alternatieven aangedragen om de verstandhouding tussen partijen te verbeteren, die door de moeder van de hand werden gewezen. De vader wil toewerken naar een situatie waarin de ouders gezamenlijk de beslissingen over [minderjarige] nemen. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat hij bij gezamenlijk gezag zijn positie zal misbruiken. De vader vermoedt dat als partijen gelijkwaardig zijn, [minderjarige] niet meer in een loyaliteitsconflict hoeft te zijn. De vader wil normaal met de moeder kunnen communiceren en dat gaat nu niet. De communicatie met Buro ONE loopt niet. Er is geen enkele vooruitgang en de situatie kan alleen maar beter worden met gezamenlijk gezag.

Over de omgangsregeling

De vader hoopt dat er kan worden teruggegaan naar de oude omgangsregeling, zoals vastgelegd bij de bestreden beschikking. Dat is het einddoel..

Over de feestdagen

De vader wenst dat de Christelijke en Islamitische feestdagen worden gedeeld en dat het verblijf van [minderjarige] tijdens de feestdagen jaarlijks wisselt. De vader kan anders nooit Kerstmis vieren met [minderjarige] en dat wil hij wel.

Over het halen en brengen

Het is niet rechtvaardig dat de vader [minderjarige] altijd moet halen en brengen; dat moet evenredig worden verdeeld tussen partijen.

Over de vakanties

De moeder houdt iedere vakantie tegen. De vader wenst daarom vastgelegd te zien dat hij met [minderjarige] binnen de Europese Unie op vakantie kan gaan. De juridische grondslag hiervan is dat dit in het kader van de omgangsregeling kan worden bepaald dat vakanties in de Schengenzone zijn toegestaan.

Over de identiteitskaart

Het is onvoldoende als de vader over een kopie van de identiteitskaart van [minderjarige] beschikt. Artikel 8 van de wet op vrij verkeer / EU bepaalt dat burgers van de Europese Unie bij een reis naar de Bondsrepubliek Duitsland een paspoort of identiteitskaart bij zich moeten hebben. Ook voor Nederland geldt dit als een kind naar het buitenland reist, ongeacht de leeftijd van het kind. De vader wil ook met [minderjarige] op vakantie kunnen. De vader is hertrouwd in Duitsland en hij heeft twee ondernemingen; zijn leven is in Duitsland en niet in Turkije. De moeder hoeft niet bang te zijn dat de vader [minderjarige] meeneemt naar Turkije en niet meer terugkomt.

Over de verjaardag van [minderjarige]

De vader moet nu maar afwachten of hij [minderjarige] ziet op haar verjaardag en dat vindt hij niet rechtvaardig. Hij wil [minderjarige] om het jaar bij zich hebben op haar verjaardag.

3.5.

De moeder voert in haar verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan.

Over het gezag

In het verleden is meermaals geprobeerd om via mediation, een viergesprek en bemiddeling vanuit onder andere Centrum Jeugd en Gezin de communicatie en de onderlinge verstandhouding te verbeteren. Vanwege de gebrekkige communicatie en de voortdurende strijd tussen partijen, is [minderjarige] onder toezicht gesteld. De raad heeft op 14 februari 2020 gerapporteerd dat hij geen basis voor gezamenlijk gezag ziet, omdat de problemen tussen de ouders (communicatie, vertrouwen, omgang) zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren dreigt te geraken en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De raad ziet weinig verandermogelijkheden bij de ouders om te komen tot een gezamenlijke beslissingen in het belang van [minderjarige] . Partijen zijn niet in staat om de overleggen; de basis hiervoor ontbreekt volledig. De vader geeft geen blijk van inzicht in zijn eigen handelen en de impact daarvan op [minderjarige] . Uit het raadsrapport blijkt ook dat de vader [minderjarige] belast met zijn visie op de moeder en dat hij via [minderjarige] meer omgang probeert van de grond te krijgen. De vader respecteert de moeder in het geheel niet en maakt haar zwart bij [minderjarige] . Er heerst nu al veel onrust en spanningen. [minderjarige] zit klem en dat is al heel lang zo. Buro ONE helpt [minderjarige] met het voeren van een gesprek met de vader en dat loopt nu. Ruimte voor gezamenlijk gezag is er niet.

Over de omgangsregeling

Sinds de zomervakantie is [minderjarige] erg verdrietig. Ze wil niet overnachten bij de vader en heeft dit ook tegen hem gezegd. De vader heeft al meerdere malen tegen [minderjarige] gezegd dat ze dat wel moet en dat ze hem anders niet meer kan zien. De moeder neemt van de vader aan dat hij echt wel zijn best doet, maar ze ziet nog te weinig vooruitgang. De afgelopen twee weken ging de omgang relatief goed. De moeder hoopt dat de vader de hulp van Buro ONE benut om het vertrouwen tussen de ouders te herstellen. De moeder wil dat er toegewerkt wordt naar de omgangsregeling die de rechtbank heeft vastgesteld.

Over de feestdagen

Een verdeling die de vader verzoekt, brengt met zich dat er meer wisselmomenten zullen plaatsvinden; er zal meer overleg moeten plaatsvinden en dit betekent meer onrust en spanningen.

Over het halen en brengen

Het halen en brengen geschiedt al geruime tijd zoveel mogelijk via school. Dit is mede om de overdracht zo rustig mogelijk te laten verlopen en er tussen partijen zo min mogelijk onrust en discussie kan plaatsvinden.

Over de vakanties

De vader dient eerst concreet aan te geven waar hij naartoe gaat onder overlegging van boekingsgegevens. Reeds tijdens de zomervakantie is gebleken dat de vader zich daaraan niet houdt. Hij verwacht van de moeder toestemming zonder te weten waar de reis naartoe gaat en wanneer. Zolang de vader niet bereid is om de moeder die gegevens te verstrekken, kan de moeder niet meewerken. Een ‘blanco’ toestemming kan niet van de moeder worden verwacht. Bovendien heeft het verzoek van de vader geen juridische grondslag. Het is te algemeen geformuleerd.

Over de identiteitskaart

[minderjarige] heeft, gelet op haar leeftijd, nog geen identificatieplicht in Nederland en Duitsland. De moeder is bang dat zij de identiteitskaart niet terugkrijgt van de vader of dat de vader [minderjarige] meeneemt naar Turkije. Als het moet, zal de moeder de identiteitskaart meegeven. Het is niet nodig om hieraan een dwangsom te verbinden. De moeder heeft nog nooit een rechtelijke uitspraak naast zich neergelegd. Als de moeder weet waar de vader [minderjarige] mee naartoe wil nemen op vakantie, is het voor haar makkelijker om de identiteitskaart mee te geven. Een vakantie aan zee in Nederland of Duitsland, vindt zij prima, maar de moeder zou het er heel zwaar mee hebben als de vader [minderjarige] twee weken mee zou willen nemen naar Turkije.

Over de verjaardag van [minderjarige]

Elk wisselmoment is moeilijk voor [minderjarige] . Het is het beste als [minderjarige] haar verjaardag viert bij de ouder bij wie ze op dat moment is; dan maakt het minder beladen.

3.6.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gepersisteerd bij het eerder uitgebrachte advies inhoudende dat het gezag alleen bij de moeder moet blijven. De raad heeft in de rapportage van februari 2020 de vader geadviseerd om te kijken naar zijn eigen houding:

  • -

    wat kan de vader zelf doen om de strijd te verminderen?

  • -

    hoe kan de vader leren om er minder bovenop te zitten?

De raad heeft in de verklaring die de vader tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft afgelegd, onvoldoende verandering gehoord om het raadsadvies hierop aan te passen. De vader herhaalt zichzelf en dit was ook al zo ten tijde van het raadsrapport. De ingezette hulpverlening van Buro ONE moet hieraan werken met de vader. Ook kan Buro ONE helpen in de opbouw van de omgangsregeling.

3.7.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, verklaard dat [minderjarige] het heel goed wil doen voor haar beide ouders en dat zij erg loyaal is naar beiden. [minderjarige] is hierin klem en verloren geraakt. Sinds de zomer loopt de omgangsregeling niet meer goed. Buro ONE heeft gesprekken met [minderjarige] , met de ouders en met [minderjarige] en de vader samen gevoerd. [minderjarige] wil wel naar de vader, maar ze wil momenteel niet meer bij hem overnachten. Buro ONE begeleidt de omgangsregeling en de opbouw hierin. Er is sprake van een complex conflict tussen de ouders. Buro ONE wil in de diepere laag komen, maar dat lukt niet omdat er iedere keer problemen spelen in de omgangsregeling. De hulpverlening zal een langdurige proces worden, want het hele systeem moet worden aangepakt. [minderjarige] heeft last van de strijd tussen haar ouders. Er is veel discussie en het is erg ingewikkeld voor [minderjarige] .

Het is in het belang van [minderjarige] als het hof een ‘dichtgetimmerde’ regeling vastlegt die de ouders veel houvast geeft. Er is nu nog teveel discussie over kleine details. Het is het beste als de ouders toewerken naar een normale situatie waarin de omgangsregeling wordt nageleefd: beide ouders willen dit. Het is voor [minderjarige] heel belangrijk dat er geen discussies meer plaatsvinden tussen haar ouders.

Het hof overweegt als volgt.

Gezag

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek ingevolge artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.8.2.

In een situatie waarin er sprake is van gezamenlijk ouderlijk gezag, vereist het belang van [minderjarige] dat zonder onnodige vertraging gezagsbeslissingen kunnen worden genomen en dat de ouders in staat zijn om met elkaar te communiceren zonder dat [minderjarige] hier last van heeft. De raad omschrijft de relatie tussen de ouders als ernstig verstoord. Deze situatie is nog steeds actueel. Het hof ziet tussen de ouders onderling geen basis aanwezig om enige vorm van respectvolle, althans tenminste werkbare ouderlijke communicatie op te starten. Het is voor deze ouders zeer moeilijk – zo niet onmogelijk– om houdbare afspraken te maken omtrent [minderjarige] . Het lukt de ouders al niet om samen de omgangsregeling na te leven en hiervoor is binnen de ondertoezichtstelling veel aandacht. De omgangsregeling is in de zomervakantie stil komen te liggen en wordt nu onder begeleiding van Buro ONE weer opgebouwd. Beide ouders staan nog maar aan het begin van het proces waarin zij, onder leiding van de Buro ONE, moeten leren met elkaar te communiceren en samen toe te werken naar de omgangsregeling die de rechtbank heeft vastgesteld. Dit kost tijd. [minderjarige] heeft nu al veel last van de spanningen tussen haar ouders. Zij is loyaal naar beide ouders en zij is vaak verdrietig. De raad concludeert dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] bij gezamenlijk gezag klem of verloren raakt tussen haar ouders. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat daar nu al sprake van is. Gelet op hoe de ouders al geruime tijd tegenover elkaar staan, heeft het hof niet de verwachting dat in deze situatie binnen afzienbare tijd verbetering zal komen. Het hof ziet geen aanknopingspunten dat gezamenlijk gezag de strijd zal doen afnemen, zoals de vader betoogt. Er is nu geen enkele basis voor gezamenlijk gezag en het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat er verbetering komt in de communicatie door het gezag gezamenlijk uit te oefenen.

Het hof zal de bestreden beschikking daarom op dit onderdeel bekrachtigen.

Al het overige dat door de vader is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Omgangsregeling en overige verzoeken die hier betrekking op hebben

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:377a, lid 1, BW heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.

3.9.2.

Het hof constateert dat de reguliere omgangsregeling van de rechtbank nu niet wordt nageleefd, maar dat beide ouders het ermee eens zijn dat dit wel de uiteindelijke regeling moet worden. De ouders laten hiervoor de regie bij Buro ONE. Binnen dit hulpverleningstraject wordt het tempo bepaald waarin uiteindelijk zal worden toegewerkt naar de reguliere omgangsregeling van de rechtbank waarbij [minderjarige] bij de vader verblijft de iedere maandag na school tot dinsdag voor school en om het weekend vanaf vrijdag na school tot dinsdag voor school. Nu partijen het hierover eens zijn, zal het hof dit onderdeel van de bestreden beschikking in stand laten.

- Vakanties en Christelijke/Islamitische feestdagen

3.9.3.

De vader is het in beginsel met de beslissing van de rechtbank eens dat [minderjarige] de helft van de vakanties bij hem kan doorbrengen. Het hof zal hier echter, in het belang van [minderjarige] en op verzoek van de vader, één correctie op maken. Het hof acht het namelijk in het belang van [minderjarige] als zij ook om het jaar de Kerstdagen met haar vader kan doorbrengen. Met de huidige regeling is dit niet mogelijk. Het hof zal daarom de regeling van de rechtbank in zoverre wijzigen zodat [minderjarige] in de oneven jaren de eerste week van de Kerstvakantie bij de vader doorbrengt en in de even jaren de tweede week van de Kerstvakantie. Het hof ziet in het overige door de vader verzocht, geen aanleiding om wijzigingen aan te brengen in de vakantie- en feestdagenverdeling die de rechtbank heeft vastgesteld. Dit zou op dit moment teveel vergen van de ouders en [minderjarige] . De omgangsregeling is nog in opbouw en brengt nu al zoveel spanningen met zich. Voor de Christelijke en Islamitische feestdagen zal geen uitzondering worden gemaakt op de omgangsregeling zoals hierboven is weergegeven. Dit houdt in dat [minderjarige] die dagen doorbrengt bij de ouder bij wie zij op dat moment verblijft. Al met al acht het hof de vakantie- en feestdagenregeling die er nu ligt, met de hiervoor vermelde aanpassing voor de Kerstvakantie, het meest in het belang van [minderjarige] .

- Verjaardag van [minderjarige]

3.9.4.

Mede gezien de gespannen wijze waarop partijen met elkaar omgaan, is het het meest in het belang van [minderjarige] als er een strakke regeling wordt vastgelegd met zo min mogelijk wijzigingen. Er zijn extra wisselmomenten als [minderjarige] het ene jaar haar verjaardag bij de moeder viert en het andere jaar bij de vader. Dat zal leiden tot meer spanning. Het is daarom beter dat [minderjarige] haar verjaardag viert bij de ouder bij wie zij op dat moment, volgens de omgangsregeling, is. Het hof wijst erop dat [minderjarige] volgens de huidige regeling 7 van de 14 dagen fysiek contact heeft met haar vader. De vader heeft hierdoor evenveel kans als de moeder om [minderjarige] op haar daadwerkelijke verjaardag te zien. Mogelijk kunnen partijen in de toekomst flexibeler hiermee omgaan.

- Halen en Brengen

3.9.5.

De rechtbank heeft het halen en brengen van [minderjarige] in de vakanties gelijk verdeeld, maar niet voor de reguliere regeling: daar heeft de rechtbank beslist dat de vader [minderjarige] haalt én brengt. Als uitgangspunt geldt echter dat ouders in beginsel in gelijke mate zorg dienen te dragen voor het halen en brengen van hun kind(eren) in de uitvoering van een omgangsregeling, zowel in reguliere weekenden, als bij vakanties- en feestdagen. Hierbij is gangbaar dat de ouder waar het kind op dat moment is, het kind naar de andere ouder terugbrengt: beide ouders geven hiermee het signaal aan hun kind dat dat verblijf bij de andere ouder wordt ondersteund en gestimuleerd. Het hof ziet geen reden om hier bij deze ouders volledig van af te wijken. Het hof brengt daarom een kleine wijziging aan in de omgangsregeling, in die zin dat de moeder nu voortaan [minderjarige] naar de vader zal brengen voorafgaand aan een omgangsweekend en dat de vader [minderjarige] weer terugbrengt. Voor de omgangsmomenten van maandag op dinsdag blijft gelden dat de vader [minderjarige] van school haalt en haar dinsdag weer naar school brengt.

Het hof gaat ervan uit dat de ouders op zodanige wijze met elkaar omgaan dat [minderjarige] er geen last van heeft.

- Onbeperkt op vakantie in de Schengenzone

3.10.

Er bestaat geen juridische grond voor het hof om de vader een doorlopende en onbeperkte toestemming geven om met [minderjarige] op vakantie te gaan binnen de Schengenzone. Dit is te ruim geformuleerd en valt buiten het toetsingskader van 1:377a lid 1 BW. Uit de door de moeder tijdens de mondelinge behandeling afgelegde verklaring, begrijpt het hof dat de moeder geen bezwaar heeft hiertegen zo lang zij maar weet waar de vader [minderjarige] mee naartoe wil nemen op vakantie. Deze voorwaarde komt het hof begrijpelijk en terecht voor. De moeder dient van te voren te worden geïnformeerd waar [minderjarige] vakantie gaat vieren met haar vader voordat zij haar toestemming geeft.

Identiteitskaart

3.11.

De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat de vader niet heeft aangetoond dat het van de wetgeving van Duitsland vereist is dat hij hierover moet beschikken. In hoger beroep heeft de vader dit wel voldoende onderbouwd. Omdat [minderjarige] in Nederland woont en de omgangsregeling met de vader in Duitsland wordt uitgevoerd, heeft [minderjarige] een eigen paspoort of identiteitskaart nodig als ze naar het buitenland – in dit geval: naar haar vader – reist. [minderjarige] moet zich, ongeacht haar leeftijd, kunnen legitimeren in Duitsland, bijvoorbeeld als zij zorg nodig heeft. Het hof bepaalt daarom dat de ouders ervoor moeten zorgen dat het identiteitsbewijs van [minderjarige] steeds in bezit is van de ouder bij wie [minderjarige] verblijft. De ouders zullen het identiteitsbewijs dus steeds als [minderjarige] naar de andere ouder gaat moeten meegeven.

Ten overvloede wijst het hof erop dat, ook al krijgt de vader vanaf nu de identiteitskaart mee, de vader nog steeds toestemming van de moeder nodig heeft als hij met [minderjarige] naar het buitenland op vakantie wil gaan.

Dwangsom

3.12.

In hetgeen de vader heeft aangevoerd, ziet het hof geen enkele reden om eraan te twijfelen dat de moeder deze beschikking zal nakomen. Dat heeft zij altijd gedaan en ook tijdens de mondelinge behandeling heeft zij dit toegezegd. De noodzaak tot het opleggen van een dwangsom ontbreekt dan ook. Overigens zou dit de onderlinge verhouding van partijen niet ten goede komen, hetgeen zou kunnen leiden tot nog meer spanningen en verdriet bij [minderjarige] .

Proceskosten

3.13.

Het hof ziet geen aanleiding om de vader te veroordelen in de proceskosten, zoals door de moeder verzocht. Dit is een familierechtelijke procedure die betrekking heeft op het minderjarige kind van partijen. Het is gebruikelijk dat in dat geval de proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet geen reden om hiervan af te wijken.

Conclusie

3.14.

Omwille van de leesbaarheid zal het hof de omgangsregeling zoals door de rechtbank bepaald in het geheel vernietigen en een nieuwe regeling vaststellen in het dictum van deze beschikking. Al het overige door de vader aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

De regeling die het hof nu vastlegt, acht het hof het meest in het belang van [minderjarige] .

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover het de omgangsregeling betreft en, opnieuw rechtdoende:

stelt tussen de vader en [minderjarige] (geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ) de volgende omgangsregeling vast:

  • -

    iedere maandag na school tot dinsdag voor school, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt van school en haar op dinsdag naar school brengt;

  • -

    om het weekend vanaf vrijdag na school tot dinsdag voor school, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op dinsdag naar school brengt;

Tijdens de vakanties:

  • -

    Carnavalsvakantie bij de moeder;

  • -

    Meivakantie: eerste week bij de vader, tweede week bij de moeder, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;

  • -

    Zomervakantie: week één en twee bij de moeder, week drie en vier bij de vader, week vijf bij de moeder, week zes bij de vader. De moeder brengt [minderjarige] naar de vader, de vader brengt [minderjarige] terug naar de moeder;

  • -

    Wisselmomenten op zondag om 15.00 uur.

  • -

    Herfstvakantie: bij de vader;

  • -

    Kerstvakantie: in de oneven jaren de eerste week bij de vader (tweede week bij de moeder) en in de even jaren de tweede week bij de vader (eerste week bij de moeder), waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder.

  • -

    Voor de verjaardagen geldt dat [minderjarige] op de verjaardag van de jarige ouder bij die ouder is. De verjaardag van grootouders kan zij vieren bij de betreffende grootouder, ongeacht of zij dat weekend bij de betreffende ouder is. Voor andere familieleden wordt geen uitzondering gemaakt zo lang de ouders daar niet in overleg zelf naar toe kunnen werken;

  • -

    [minderjarige] hoeft aansluitend bij een wissel vanwege een verjaardag geen dagdelen in te halen bij de andere ouder;

bepaalt dat de moeder het paspoort / de identiteitskaart van [minderjarige] meegeeft als [minderjarige] naar de vader gaat en bepaalt dat de vader na ieder omgangsmoment met [minderjarige] het paspoort / de identiteitskaart van [minderjarige] teruggeeft aan de moeder;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.P. de Beij, C.D.M. Lamers en E.M.C. Dumoulin, en is op 8 april 2021 uitgesproken in het openbaar door mr. E.A.M. Scheij in tegenwoordigheid van de griffier.