Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1027

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
200.278.970_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:5929
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:6324
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2020:344
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

433 Rv. Beslissing aangehouden ivm ECLI:NL:HR:2020:538.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.278.970/01

arrest van 6 april 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J. Oerlemans te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [geintimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

hierna aan te duiden als [geintimeerde 1] ,

2. [geintimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

hierna aan te duiden als [geintimeerde 2] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. G.J.M. Verburg te Amsterdam,

op vervolg op de door het hof gegeven rolbeslissing van 16 juni 2020 in het hoger beroep van het onder zaaknummer C/01/337304 / HA ZA 18-544 gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 15 januari 2020 tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de rolbeslissing van 16 juni 2020;

  • -

    de akte van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte inzake niet-ontvankelijkheid van [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het bestreden vonnis is in het dictum onder meer het volgende opgenomen:

“De rechtbank

In conventie:

5.1.

gelast de wijze van verdeling in die zin dat de onroerende zaken:

kadastraal perceel [plaats] [sectieletter] [sectienummer 1] ;

kadastraal perceel [plaats] [sectieletter] [sectienummer 2] , en;

kadastrale perceel [plaats] [sectieletter] [sectienummer 3] ,

worden toegedeeld aan [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] tegen de door de hierna genoemde taxateur vast te stellen waarde en onder de verplichting om aan [appellant] een derde deel van de getaxeerde waarde te betalen,

met dien verstande dat als de verdeling (levering) niet binnen zes maanden na de betekening van dit vonnis is geëffectueerd, de onroerende zaken worden toegedeeld aan [appellant] tegen de door na te noemen taxateur vast te stellen waarde en onder de verplichting om aan [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] twee derde deel van de getaxeerde waarde te betalen,

waarbij de eventuele toedeling aan [appellant] plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde dat partijen in onderling overleg overeenstemming bereikt hebben over de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de percelen [plaats] [sectieletter] [sectienummer 2] en [sectieletter] [sectienummer 1] en dat vast te leggen bij notariële akte en plaatsvindt onder de voorwaarde dat de verdeling (levering) zal worden geeffectueerd binnen negen maanden na de betekening van dit vonnis;

5.2.

bepaalt dat, indien de partij die dient mee te werken aan de toedeling aan de andere partij zijn medewerking op eerste verzoek weigert, de onderhavige uitspraak in de plaats van de akte of een deel daarvan zal treden;(…)”

In het dictum is vervolgens een taxateur benoemd die de waarde van de toe te delen percelen vaststelt. De vordering in reconventie – inhoudende een verklaring voor recht dat [appellant] in strijd met de Memorandum of Understanding heeft gehandeld en dientengevolge schadevergoeding aan [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] dient te betalen nader op te maken bij staat - is afgewezen.

In het bestreden vonnis is in r.o. 4.8 overwogen dat de taxatie tussen partijen bindend zal dienen te zijn en niet opnieuw reden mag worden voor het ontstaan van nieuwe discussies of een voorzetting van reeds lopende discussies.

Het bestreden vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.2.

Naar aanleiding van dit dictum heeft de rolraadsheer bij genoemde rolbeslissing [appellant] in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, aangezien uit de stukken is gebleken dat het bestreden vonnis in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte en het hof niet is gebleken dat het hoger beroep conform artikel 3:301 lid 2 BW binnen acht dagen na het instellen daarvan is ingeschreven in de registers bedoeld in artikel 433 Rv.

2.3.

Door [appellant] wordt betwist dat hij niet-ontvankelijk is, althans is hij slechts gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Hij stelt dat [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] ook hoger beroep hebben ingesteld en denkbaar is dat zij het vonnis wel hebben ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Indien dat het geval is, is volgens [appellant] geen sprake van niet-ontvankelijkheid.

Ook wanneer [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] het vonnis evenmin hebben ingeschreven in het rechtsmiddelenregister, betwist [appellant] dat hij niet-ontvankelijk is, althans dat hij slechts gedeeltelijk niet-ontvankelijk is. Het dictum van het bestreden vonnis heeft een voorwaardelijk karakter en volgens [appellant] ziet artikel 3:301 lid 2 BW alleen op de situatie dat een uitspraak van een rechter heeft bepaald dat zij (onvoorwaardelijk) in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte.

Bovendien is nog geen sprake van dat [appellant] geen medewerking verleent aan de levering. Pas als duidelijk is op welke wijze de levering wordt beoogd kan [appellant] pas beoordelen of hij zijn medewerking daaraan verleent. [appellant] heeft ten tijde van de genomen akte echter nog geen concept leveringsakte ontvangen zodat nog geen sprake is van de situatie dat hij geen medewerking verleent. Wanneer hij zijn medewerking verleent, doet zich eenzelfde situatie voor als in HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538 en is de rechtszekerheid niet in het geding.

[appellant] stelt tot slot dat hij in elk geval ontvankelijk is voor zoveel hij in hoger beroep de inhoud van het deskundigenrapport ter discussie wil stellen. Volgens [appellant] betreffen de bevindingen van de deskundige niet een gedeelte van de uitspraak ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van een akte.

2.4.

[geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Allereerst stellen zij dat zij de door hen uitgebrachte dagvaarding een pro forma dagvaarding betrof die niet is aangebracht bij dit hof. [appellant] kan dus niet aanhaken bij het hoger beroep van [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] .

Vervolgens betwisten [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] dat het bestreden vonnis een voorwaardelijk karakter heeft. Zij betwisten voorts dat [appellant] zijn medewerking aan de levering niet op eerste verzoek zou hebben geweigerd. Volgens hen heeft [appellant] getracht de overdracht/toedeling volledig te saboteren door zijn zoon [zoon] in een vooropgezet plan conservatoir beslag te laten leggen op [appellant] zijn overdeelde deel van de registergoederen waar het hier om gaat. Daarnaast is [appellant] zelf een executie-kort geding gestart in een poging de toedeling van de registergoederen aan [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] te schorsen. De rechtbank heeft in het ene vonnis van 6 juli 2020 (C/01/359768/KG ZA 20-348) het beslag opgeheven wegens misbruik van recht en in het andere vonnis van 6 juli 2020 (C/01/359086/KG ZA 20-295) [appellant] zijn vorderingen tot schorsing van de executie van het bestreden vonnis afgewezen. In dit laatste vonnis is [appellant] onder meer veroordeeld om te dulden dat [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] overgaan tot inschrijving van het bestreden vonnis ter vervanging van een deel of de gehele akte waarbij de betreffende registergoederen worden toebedeeld aan [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] , waarbij [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] de verplichting op zich nemen om aan [appellant] € 743.333,33 te betalen. [appellant] is tevens verboden de inschrijving te frustreren, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,-.

Verwijzende naar de vonnissen van de voorzieningenrechter stellen [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] dat [appellant] op eerste verzoek zijn medewerking niet heeft verleend en er nooit enige blijk van heeft gegeven te willen meewerken. Volgens [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] doet zich derhalve niet eenzelfde situatie voor als in voormeld arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020.

Voor wat betreft het ter discussie stellen van het deskundigenrapport door [appellant] stellen [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] dat de waardering van de percelen weldegelijk betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank in het bestreden vonnis dat het vonnis bij gebreke van medewerking in de plaats treedt van de akte, aangezien de in te schrijven uitspraak in de plaats treedt van de (gehele) leveringsakte en in die leveringsakte ook de koopprijs dient te worden vermeld. De door de deskundige vastgestelde waarde dient als ‘een onlosmakelijk verbonden oordeel’ te worden gekwalificeerd. De sanctie van niet-ontvankelijkheid in geval van niet-tijdige inschrijving betreft ook de oordelen die onlosmakelijk zijn verbonden met de oordelen die betrekking hebben op dat gedeelte van de uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte, aldus [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] .

[geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] concluderen dat [appellant] niet-ontvankelijk is in dit hoger beroep, omdat hij heeft verzuimd zijn hoger beroep tijdig in te schrijven in het rechtsmiddelenregister.

2.5.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt vast dat de dagvaarding in hoger beroep niet door [appellant] is ingeschreven in het rechtsmiddelenregister zoals bedoeld in artikel 433 Rv. Verder is de appeldagvaarding van [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] niet aangebracht bij het hof zodat de aanhangigheid van die zaak op grond van artikel 125 lid 5 Rv is vervallen. Een beslissing over de ontvankelijkheid van het hoger beroep kan het hof nu niet nemen. Het partijdebat is daarover niet afgerond en bovendien is niet duidelijk hoe de situatie nu is.

Buiten de schuld van partijen is al geruime tijd verstreken nadat [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] de antwoordakte hebben genomen. Onder verwijzing naar HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:538, wil het hof meer duidelijkheid hebben over wat er is gebeurd na de antwoordakte van [geintimeerde 1] en [geintimeerde 2] en de vonnissen in kort geding en of het bestreden vonnis inmiddels ten uitvoer is gelegd. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om daarop in te gaan in de memorie van grieven en memorie van antwoord.

Het hof zal toepasselijkheid van het bepaalde van artikel 3:301 BW dan ook aanhouden tot de inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak.

3 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 25 mei 2021 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellant] en bepaalt dat hij tevens dient in te gaan op het in r.o. 2.5 overwogene;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, M.G.W.M. Stienissen en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 april 2021.

griffier rolraadsheer