Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1020

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
200.247.455_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Berekening legitieme porties; legitimaris is eerst in nalatenschap van zijn vader (erflater; overleden in 2012) uitgesloten als erfgenaam en daarna in nalatenschap van zijn moeder (erflaatster; overleden in 2015). De rechtbank heeft bij de berekening van de legitieme porties de berekening van de notaris gevolgd, maar deze is om twee redenen niet juist:

1) bij de berekening van de erfdelen in de nalatenschap van erflater is ten onrechte de legitimaire aanspraak van de legitimaris daarop niet in mindering gebracht en 2) bij de berekening van de legitieme portie van legitimaris in de nalatenschap van erflaatster is bij de schulden van die nalatenschap geen rekening gehouden met de legitieme portie in de nalatenschap van erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.247.455/01

arrest van 6 april 2021

in de zaak van

[appellant] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflaatster],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] en ook als de executeur,

advocaat: mr. G.W.J. van Dijke te Middelburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.J.M. Jansen-van Beek te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 december 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/340647 / HA ZA 18-71 gewezen vonnis van 22 augustus 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 4 december 2018 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 12 februari 2019;

  • -

    de memorie van grieven (met producties 10 en 11);

  • -

    de memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties 12 en 13);

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel;

  • -

    het pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

In overweging 2.1 t/m 2.7 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof geeft hierna een iets uitgebreider overzicht van de relevante feiten.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

6.1.1.

Op 23 april 2012 is [erflater] (hierna: erflater), geboren op [geboortedatum 1] 1923, overleden. Op 21 maart 2015 is [erflaatster] (hierna: erflaatster), geboren op [geboortedatum 2] 1931, overleden. Erflater en erflaatster zijn de ouders van de [appellant] en [geïntimeerde] . Zij hebben verder nog twee zussen.

6.1.2.

Erflater en erflaatster hebben beiden laatstelijk bij testamenten van 3 maart 2008 in hun uiterste wil voorzien. In deze testamenten hebben zij beiden [geïntimeerde] en zijn afstammelingen uitdrukkelijk uitgesloten als erfgenaam. Zij hebben - voor zover van belang - elkaar en hun drie andere kinderen als erfgenaam, ieder voor een gelijk deel, benoemd, de wettelijke verdeling (afdeling 4.3.1 BW) op hun nalatenschap van toepassing verklaard en bepaald dat de langstlevende echtgenoot met de overige erfgenamen in overeenstemming met artikel 4:13 lid 4 BW een andere rente dan de wettelijke rente kan overeenkomen, welke rente verschuldigd is vanaf datum overlijden.

6.1.3.

Erflaatster, [appellant] en de twee zussen waren de erfgenamen van erflater. Vanwege de van toepassing zijnde wettelijke verdeling verkregen [appellant] en zijn twee zussen een vordering op erflaatster.

6.1.4.

Op 15 oktober 2012 heeft erflaatster met de andere erfgenamen van erflater een renteovereenkomst gesloten. Daarin is overeengekomen dat erflaatster op de erfdelen van

[appellant] en zijn twee zussen een samengestelde rente is verschuldigd van 6% per jaar vanaf 23 april 2012.

6.1.5.

Na het overlijden van erflaatster zijn [appellant] en zijn twee zussen haar erfgenamen. [appellant] is in het testament van erflaatster tot executeur benoemd en hij heeft deze benoeming aanvaard.

6.1.6.

Op 22 maart 2016 heeft [geïntimeerde] tijdens een bespreking met [notaris] (hierna: de notaris) een beroep gedaan op zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflater en erflaatster. Bij brief van 23 maart 2016 heeft de notaris aan [geïntimeerde] naar aanleiding van deze bespreking onder meer het volgende geschreven:

“Aan u heb ik meegegeven een kopie van de testamenten van uw beide ouders zomede een kopie van de berekening van uw legitieme porties in beide nalatenschappen, door mij opgesteld na overlijden van uw moeder.

Ik zal uw broer, de heer [appellant] , zomede uw beide zussen op de hoogte stellen van het feit, dat u een beroep heeft gedaan op uw legitieme portie terzake de beide nalatenschappen.”

6.1.7.

In de in deze brief genoemde berekening (gedateerd januari 2016) is door de notaris de legitieme portie van [geïntimeerde] in de nalatenschap van erflater berekend op € 34.611,97 en in de nalatenschap van erflaatster op € 43.005,21, in totaal dus op een bedrag van € 77.617,18.

6.1.8.

In aangetekend verstuurde brieven van 8 augustus 2016 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] als executeur en erfgenaam van erflater en erflaatster en zijn zussen eveneens als erfgenamen het volgende geschreven:

“Ik vraag voor de bepaling van de massa van de erfenis mij toe te zenden over de laatste 30 jaar van af 01.01.1985 een overzicht van

x schenkingen

x bevoordelingen, zoals leningen kwijtschelding enz.

x inkomsten en uitgaven

x jaarlijkse banktegoeden

x belastingaangiftes

Bovenstaande om mijn wettelijk erfdeel te bepalen.

Gevraagde informatie binnen 14 dagen na dagtekening toe te zenden aan (…)”.

6.1.9.

Nadat op deze brieven niet werd gereageerd, heeft de (toenmalige) advocaat van [geïntimeerde] op 23 december 2016 een concept-dagvaarding in kort geding aan de gemachtigde van de executeur gestuurd.

6.1.10.

De gemachtigde van de executeur heeft daarop bij brief van 11 januari 2017 aan de advocaat van [geïntimeerde] als volgt gereageerd:

“(...)

Als bijlage doe ik u de in mijn bezit zijnde stukken ten tijde van het overlijden van erflater en erflaatster toekomen.

Stukken bij de banken en de Belastingdienst zijn opgevraagd, en inmiddels ontvangen. De opgevraagde stukken van de bank(en), met uitzondering van de SNS bank, zijn bijgevoegd. Het gaat om 16 bijlagen die ik in twee berichten doorstuur. Een kort geding voor enkel de SNS stukken heeft dan ook geen enkele zin. Wat cliënt nog niet heeft kan hij ook niet afgeven. Ik bericht u zodra ik de resterende stukken van cliënt tegemoet heb mogen zien.

(…)”

Bij deze brief zijn zes bijlagen gevoegd: stukken bank 2015 mevrouw [erflaatster] (moeder), stukken bank 2012 de heer [erflater] (vader), betaalrekening RABOBANK vanaf september 2010, ING betaalrekening vanaf 23 april 2007, mutatieoverzicht profijtrekening ING, mutatieoverzicht leaseplanbank. Bij de tweede brief van 11 januari 2017 zijn tien bijlagen betreffen de stukken van de belastingdienst gevoegd: IB 2008 (pa), IB 2009 (pa), IB 2010 (pa), IB 2011 (pa), IB 2011, IB 2012 (pa), IB 2012 (ma), IN 2013, IB 2014, IB 2015. En bij e-mailbericht van 18 januari 2017 heeft de gemachtigde van de executeur aan de advocaat van [geïntimeerde] de bankuitdraaien van drie SNS rekeningen toegestuurd.

6.1.11.

In reactie daarop heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de gemachtigde van de executeur bij e-mailbericht van 13 februari 2017 onder meer het volgende geschreven:

“Na bestudering van de stukken zijn bij cliënt enkele vragen gerezen. Zo valt op dat erflater en erflaatster op 15 februari 2008 € 1.000,-- hebben overgemaakt aan [naam] – [erflater] én erflaatster voorts op 20 maart 2015 (nota 1 dag voor haar overlijden € 1.418,98 naar [naam] – [erflater] heeft overgemaakt. Cliënt gaat ervan uit dat de beide betalingen schenkingen zijn geweest en verzoekt uw cliënt deze bedragen mee te nemen in de berekening van de legitimaire massa.”

6.1.12.

Er is daarna tussen de gemachtigde van de executeur en de advocaat van [geïntimeerde] nog verder gecorrespondeerd over de hoogte van de legitimaire aanspraak van [geïntimeerde] .

Bij brief van 7 juni 2017 is namens [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op betaling van € 87.667,90 en is aangekondigd dat indien niet binnen 14 dagen tot betaling wordt overgegaan er rechtsmaatregelen zullen worden getroffen. In een brief van 7 juli 2017 wordt door de gemachtigde van de executeur de berekening van [geïntimeerde] betwist en wordt aan de hand van twee opties de legitimaire aanspraak van [geïntimeerde] berekend. Die berekening komt in beide opties uit op een bedrag van ongeveer € 75.000,00. Daarbij wordt opgemerkt dat in beide gevallen de schenkingen die [geïntimeerde] in het verleden van zijn ouders heeft ontvangen daarvan nog moeten worden afgetrokken.

6.2.1.

Daarop heeft [geïntimeerde] bij dagvaarding van 17 januari 2018 deze procedure jegens de executeur aanhangig gemaakt en gevorderd dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de executeur veroordeelt:

  1. tot betaling van € 77.870,14 aan [geïntimeerde] , althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW primair vanaf 7 juni 2017 en subsidiair vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

  2. tot het overleggen van informatie en bescheiden betreffende giften die door erflaters zijn gedaan en die krachtens artikel 4:67 BW bij de berekening van de legitieme porties van [geïntimeerde] in aanmerking moeten worden genomen;

  3. tot het overleggen van een boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflaatster;

  4. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten aan [geïntimeerde] ten bedrage van

€ 1.553,71;

in de kosten van de procedure en de nakosten.

6.2.2.

[geïntimeerde] heeft aan zijn vorderingen (kort samengevat) het volgende ten grondslag gelegd. Hij heeft zijn legitieme porties op basis van de afgegeven stukken berekend op het bedrag van € 77.870,14. Hij is van mening dat de bedragen van € 1.000,00 en € 1.418,98 aan zijn zus zijn geschonken en dat daarmee bij de bepaling van de legitimaire massa van de nalatenschappen van erflater en erflaatster rekening moet worden gehouden. Verder stelt hij dat bij de berekening van de erfdelen van de erfgenamen in de nalatenschap van erflater eerst zijn legitimaire aanspraak in mindering moet worden gebracht op het zuivere saldo van die nalatenschap en dat het dan resterende saldo naar rato over de erfgenamen moet worden verdeeld. [geïntimeerde] vordert voorts nadere informatie, gestaafd met bescheiden, om na te kunnen gaan of erflaters nog andere bij de berekening van de legitimaire massa in aanmerking te nemen giften hebben gedaan aan de executeur en de twee zussen. Hij vermoedt dat giften zijn gedaan, onder meer omdat erflaters omstreeks 1984 hun landbouwbedrijf hebben verkocht voor fl. 2.500.000,00, hun in 1986 voor fl. 300.000,00 gekochte woning in 2000 hebben verkocht voor fl. 865.000,00 en omdat ten tijde van het overlijden van erflater het gezamenlijk vermogen van erflaters € 707.250,00 bedroeg. Om de omvang van de nalatenschap en daarmee de legitimaire massa vast te stellen en te controleren vordert hij op grond van art. 4:78 lid 1 BW een boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflaatster. Voorts vordert hij vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten omdat hij kosten heeft moeten maken om inzage te krijgen in de omvang van zijn legitieme porties. Aangezien er op 7 juni 2017 concreet een vordering tot betaling van zijn legitieme porties is ingesteld, vordert hij vanaf die datum de wettelijke rente.

6.2.3.

De executeur heeft gemotiveerd verweer gevoerd en dat verweer zal hierna, voor zover relevant, aan de orde komen.

6.2.4.

Bij vonnis van 4 april 2018 is een comparitie gelast en die heeft op 28 mei 2018 plaatsgevonden. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

6.2.5.

Bij eindvonnis van 22 augustus 2018 heeft de rechtbank (samengevat) geoordeeld dat van de vordering sub A inzake de legitieme porties een bedrag van € 77.617,18 toewijsbaar is, hetgeen het bedrag is zoals door de notaris berekend. De wettelijke rente over dat bedrag heeft de rechtbank toegewezen vanaf 21 juni 2017, omdat in de brief van 7 juni 2017 aan de executeur een betalingstermijn van 14 dagen is verleend. De vorderingen onder B, C en D heeft de rechtbank afgewezen en de proces- en nakosten heeft de rechtbank gelet op de familierechtelijke relatie van partijen gecompenseerd.

6.3.1.

De executeur komt van dit vonnis in hoger beroep, omdat hij het niet eens is met (de hoogte van) het toegewezen bedrag. Hij voert tegen dit vonnis twee grieven aan, concludeert tot vernietiging van het vonnis en vordert alsnog afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] dan wel de veroordeling te matigen tot een bedrag van € 67.897,75, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.

6.3.2.

Ook [geïntimeerde] kan zich niet vinden in het vonnis van de rechtbank, voert daartegen drie incidentele grieven aan, concludeert tot vernietiging van het vonnis en (kort gezegd) tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

6.3.3.

Deze vorderingen zijn, zoals in nr. 20 van de memorie van antwoord in incidenteel appel terecht is gesignaleerd, in hoger beroep (deels) gewijzigd. Deze eiswijziging is niet zoals in het procesreglement voorschrijft in de kop van zijn memorie aangekondigd.

De executeur heeft tegen deze eiswijziging geen bezwaar gemaakt en het hof ziet ook ambtshalve geen reden waarom deze eiswijziging op grond van de goede procesorde niet toelaatbaar zou zijn. Het hof gaat daarom van deze gewijzigde eis uit.

6.3.4.

De vorderingen van [geïntimeerde] , zoals in hoger beroep gewijzigd, luiden als volgt:

  1. de legitieme porties van [geïntimeerde] in de nalatenschappen van erflaters vast te stellen, rekening houdende met al hetgeen in deze procedure zal worden gesteld, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf 21 juni 2017;

  2. deze vordering is hetzelfde als vordering B in eerste aanleg (zie 6.2.1);

  3. de executeur te veroordelen tot het overleggen van een boedelbeschrijving waaruit de omvang van de nalatenschap van erflaatster onomstotelijk (onderstreping hof) blijkt;

  4. de executeur te veroordelen tot het overleggen van informatie waaruit de omvang van de nalatenschap onomstotelijk (onderstreping hof) blijkt, waaronder in ieder geval de informatie betreffende de betaling aan de Belastingdienst door erflaatster op 20 maart 2015 ten bedrage van € 9.035,-- en een eventueel daarop volgende betaling en de niet geanonimiseerde facturen betreffende de uitvaart van erflaatster;

  5. deze vordering is hetzelfde als vordering D in eerste aanleg (zie 6.2.1);

met veroordeling van de executeur, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure waaronder de nakosten.

6.3.5.

Het hof zal hierna deze vorderingen van [geïntimeerde] mede aan de hand van de grieven beoordelen. Het hof ziet aanleiding eerst de vorderingen sub B, C en D te bespreken. Deze vorderingen strekken er immers toe de executeur te veroordelen aan [geïntimeerde] nadere informatie te verstrekken op grond waarvan, naar het hof begrijpt: vervolgens, de legitieme porties van [geïntimeerde] – zie de vordering sub A – zullen moeten worden berekend.

De vordering sub B: het verstrekken van informatie betreffende giften

6.4.1.

Vooropgesteld wordt dat de informatieplicht van artikel 4:78 BW van erfgenamen en met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aan een legitimaris die niet erfgenaam is, een ruime is. Dit artikel moet mede worden gelezen in samenhang met artikel 4:67 BW. [geïntimeerde] moet als legitimaris over zodanige informatie beschikken dat hij zijn legitimaire aanspraken kan berekenen, waaronder informatie betreffende giften. In dit geval rust de informatieplicht op de executeur.

6.4.2.

Op grond van rov. 6.1.10 en 6.1.11 staat vast dat de executeur aan [geïntimeerde] over een lange periode voorafgaande aan het overlijden van erflaters overzichten van banksaldi, bankafschriften, belastingaangiftes en -aanslagen heeft verstrekt. Naar het oordeel van het hof kan de aan [geïntimeerde] verstrekte informatie feitelijk als een boedelbeschrijving worden aangemerkt. Op grond van deze informatie kan immers het saldo van de nalatenschap ten tijde van het overlijden van erflaters worden vastgesteld en daarmee ook de legitimaire aanspraken van [geïntimeerde] .

6.4.3.

[geïntimeerde] heeft vervolgens uit de hem verstrekte stukken afgeleid dat sprake is geweest van twee schenkingen aan een van zijn zussen. De executeur heeft betwist dat sprake is geweest van schenkingen en daartoe aangevoerd dat erflaters hun erfgenamen gelijk wilden behandelen en dat om die reden niet voor de hand ligt dat zij (bij herhaling) maar aan één van de erfgenamen hebben geschonken. Het hof gaat hierna bij de vordering sub A nader op deze gestelde schenkingen in. Voor zover [geïntimeerde] thans stelt dat er nog meer schenkingen moeten zijn, gaat het hof aan deze stelling als louter speculatief voorbij. Daarbij acht het hof van belang dat uit de vele bankafschriften van andere dan genoemde twee gestelde schenkingen niet is gebleken.

6.4.4.

De conclusie is dat de executeur door het verstrekken van de hiervoor genoemde informatie aan [geïntimeerde] ruimschoots heeft voldaan aan de informatieplicht van artikel 4:78 BW. De vordering sub B wordt afgewezen. Grief 2 in incidenteel appel faalt.

De vordering sub C: het overleggen van een boedelbeschrijving

6.5.1.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat er in wezen al een boedelbeschrijving aan [geïntimeerde] is verstrekt. [geïntimeerde] heeft evenwel in hoger beroep niet alleen het overleggen van een boedelbeschrijving gevorderd, maar daaraan toegevoegd dat het een boedelbeschrijving moet zijn waaruit de omvang van de nalatenschap van erflaatster onomstotelijk blijkt.

Nog daargelaten dat deze toevoeging niet is toegelicht, is het naar het oordeel van het hof vrijwel onmogelijk daaraan te voldoen en zal een veroordeling daarom moeilijk te executeren zijn, en ook ontbreekt hiervoor een wettelijk grondslag.

6.5.2.

Dit betekent dat deze vordering wordt afgewezen. Ook grief 3 in incidenteel appel is ongegrond.

De vordering sub D: overleggen informatie Belastingdienst en facturen uitvaart

6.6.1.

Dit betreft een nieuwe vordering, die kennelijk ook ziet op het bepalen van de legitimaire massa. [geïntimeerde] wenst namelijk informatie te ontvangen betreffende de betaling aan de Belastingdienst op 20 maart 2015 van het bedrag van € 9.035,00 en een eventueel daarop volgende terugbetaling en verder wenst hij, zo begrijpt het hof, de niet-geanonimiseerde facturen betreffende de uitvaart van erflaatster te ontvangen.

6.6.2.

De executeur heeft opmerkt dat alle beschikbare belastinggegevens zijn toegezonden en dat alle bedragen “op aanslag” zijn betaald en dat ten aanzien van de uitvaartkosten aan [geïntimeerde] de nota’s die daarop zien zijn verstrekt. Dat is voldoende om de legitimaire aanspraak te berekenen, aldus de executeur.

6.6.3.

Wat betreft de betaling aan de Belastingdienst van € 9.035,00 is het hof van oordeel dat in reactie op de gemotiveerde betwisting dat alle beschikbare belastinggegevens zijn verstrekt, [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat daarop een teruggave van de Belastingdienst gevolgd zou moeten zijn. De vordering is bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing niet toewijsbaar.

De vordering tot het verstrekken van niet-geanonimiseerde facturen van de begrafeniskosten is bij gebrek aan belang evenmin toewijsbaar. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is het doel van het verstrekken van informatie de legitimaris in staat te stellen de omvang van zijn legitieme portie te berekenen. Op basis van de verstrekte facturen is [geïntimeerde] voldoende inzicht gegeven in hoogte van de begrafeniskosten en daarom valt niet in te zien waarom hij daarnaast over de volledige tekst van de facturen zou moeten kunnen beschikken.

Overigens is gesteld noch gebleken dat de kosten van de begrafenis niet in overeenstemming zijn met de omstandigheden van erflaatster, zodat ook om die reden niet valt in te zien welk belang [geïntimeerde] heeft om de volledige tekst van de facturen in te zien.

6.6.4.

De conclusie is dat de executeur aan [geïntimeerde] voldoende informatie heeft verstrekt. Ook

de vordering sub D is niet toewijsbaar.

Vordering sub A: vaststelling legitieme porties [geïntimeerde]

I legitieme portie nalatenschap erflater

6.7.1.

Tussen partijen is niet in discussie dat het saldo van de nalatenschap van erflater

€ 347.862,05 bedraagt. Volgens [geïntimeerde] moet dit saldo worden vermeerderd met een bedrag van € 500,00, zijnde de helft van het bedrag van € 1.000,00 dat zijn ouders op 15 maart 2008 aan zijn zus [zus] hebben geschonken. De executeur betwist dat sprake is geweest van een schenking. De overboeking van € 1.000,00 betrof een vergoeding voor door de zus gemaakte kosten in verband met ziekte van erflaters in die periode. Voor zover het wel als schenking moet worden aangemerkt, moet het worden gezien als een gebruikelijke schenking.

6.7.2.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] in het licht van de gemotiveerde betwisting van de executeur onvoldoende heeft onderbouwd waarom genoemd bedrag als een schenking moet worden aangemerkt. Dit betekent dat bij de berekening van het saldo van de nalatenschap van erflater dit bedrag niet wordt meegenomen.

6.7.3.

Volgens grief II in principaal appel heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de door [geïntimeerde] van zijn ouders ontvangen schenkingen. De executeur stelt dat [geïntimeerde] voor zijn vervolgstudie een half jaar gebruik heeft gemaakt van een door zijn ouders gehuurde woning in Vlissingen en voorts dat zijn ouders de premie van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben betaald. De executeur begroot deze giften - naar hij stelt zeer behoudend - op € 7000,00, welk bedrag hij voor de helft aan erflater en voor de helft aan erflaatster toerekent. Bij de berekening van de legitieme portie is het saldo van de nalatenschap van erflater vermeerderd met een bedrag van € 3.500,00 en vervolgens is de legitieme portie met eenzelfde bedrag verminderd c.q. geïmputeerd (zie productie 11 bij memorie van grieven).

6.7.4.

[geïntimeerde] betwist dat van schenkingen sprake is geweest. De door zijn ouders gehuurde woning in [plaats] is niet voor hem, maar voor de studie van de executeur gehuurd. [geïntimeerde] heeft daar inderdaad een half jaar ingewoond, maar gedurende dat half jaar heeft hij alle kosten van de huishouding betaald. Volgens [geïntimeerde] hebben zijn ouders hoogstens de eerste maand van de verzekeringspremie betaald, dus maximaal een bedrag van fl. 33,33.

6.7.5.

Het hof is van oordeel dat in het licht van deze gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] de executeur onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangereikt om te kunnen concluderen dat van schenkingen of giften aan [geïntimeerde] sprake is geweest. Ook is het hof met [geïntimeerde] van oordeel dat de door hem ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkering niet als een schenking of gift kan worden aangemerkt. Deze uitkering heeft als grondslag de arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] . De premiebetaling door erflaters - voor zover daar al vanuit kan worden gegaan - had niet de strekking [geïntimeerde] ten koste van het eigen vermogen te verrijken met die uitkering.

6.7.6.

Dit alles leidt ertoe dat voor het saldo van de nalatenschap van erflater uitgegaan moet worden van het bedrag van € 347.862,05. Op grond van art. 4:64 lid 1 BW staat vast dat de legitieme portie van [geïntimeerde] één tiende deel bedraagt van het saldo van de nalatenschap van erflater, dus € 34.786,20.

6.7.7.

Partijen verschillen van mening over de wijze waarop vervolgens de erfdelen van de vier erfgenamen van erflater - moeder, de executeur en de twee zussen - moeten worden berekend. Volgens [geïntimeerde] moet het saldo van de nalatenschap eerst worden verminderd met zijn legitieme portie en moet daarna het resterende saldo worden verdeeld onder de erven.

De executeur daarentegen stelt dat de legitimaire aanspraak van [geïntimeerde] de omvang van de erfdelen van de kinderen in de nalatenschap van erflater niet beperkt.

6.7.8.

Het hof overweegt als volgt.

Het standpunt van de executeur kan niet worden gevolgd, want zoals [geïntimeerde] terecht stelt, moet het saldo dat resteert na aftrek van de legitieme onder de erfgenamen worden verdeeld. De erfgenamen dienen immers ieder in evenredigheid bij te dragen aan voldoening van de legitieme (zie art. 4:80 lid 2 BW). Iedere erfgenaam heeft vervolgens recht op één vierde van het saldo dat na aftrek van de legitieme resteert, dus op een bedrag van € 78.268,96 (€ 347.862,05 -/- € 34.786,20 = € 313.075,85 : 4). In zijn (voorwaardelijke) incidentele grief 1 heeft [geïntimeerde] er terecht op gewezen dat de berekening van de erfdelen door de executeur, gebaseerd op de berekening van de notaris, niet juist is. Deze berekening is overgenomen door de rechtbank en dat betekent dat het vonnis op dit punt niet juist is. De incidentele grief 1 slaagt.

II legitieme portie nalatenschap erflaatster

6.8.1.

Tussen partijen is niet in discussie dat de bezittingen van erflaatster op het moment van haar overlijden € 671.146, 48 bedragen, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep herhaald dat dit bedrag moet worden vermeerderd met de schenkingen aan zijn zus van € 500,00 en € 1.418,98.

6.8.2.

Wat het bedrag van € 500,00 betreft, volgt uit hetgeen hiervoor onder 6.7.1 is overwogen, dat geen sprake is van een schenking. Inzake het bedrag van € 1.418,14 is het hof met de rechtbank van oordeel dat de omschrijving bij het bankafschrift van 20 maart 2015 dat het betreft “laminaat divers”, het verweer van de executeur bevestigt. Dit bedrag betreft daarom geen schenking aan de zus maar een vergoeding van de ten behoeve van erflaatster door haar gemaakte kosten. Dit standpunt van [geïntimeerde] wordt verworpen.

6.8.3.

Partijen zijn het erover eens dat bij de berekening van het saldo van de nalatenschap van erflaatster, de inkomstenbelasting 2014, de erfdelen van de executeur en de zussen in de nalatenschap van erflater (vermeerderd met de overeengekomen jaarrente van 6% van 23 april 2012 tot en met 21 maart 2015), de legitieme portie van [geïntimeerde] in de nalatenschap van erflater en de uitvaartkosten als schulden van de nalatenschap moeten worden meegenomen. De rechtbank heeft evenwel – in navolging van de notaris – de legitieme portie van [geïntimeerde] niet als schuld meegenomen.

6.8.4.

Grief I in principaal appel verwijt de rechtbank de berekeningsmethodiek van de legitieme portie niet juist te hebben toegepast. In de memorie van grieven is niet duidelijk toegelicht waarom de berekening van de rechtbank niet juist is. Uit de daarbij als productie 10 overgelegde berekening begrijpt het hof dat is bedoeld dat de rechtbank bij de berekening van de schulden van de nalatenschap ten onrechte de legitieme portie van [geïntimeerde] in de nalatenschap van vader niet heeft meegenomen.

6.8.5.

Het hof overweegt als volgt.

[geïntimeerde] heeft op grond van zijn legitieme portie een niet-opeisbare schuld op zijn moeder gekregen. Deze schuld is door haar overlijden opeisbaar geworden. Dit is een schuld in de zin van artikel 4:7 sub a BW. De executeur en [geïntimeerde] hebben dan ook geheel op juiste en deugdelijke gronden deze schuld bij de berekening van de schulden van de nalatenschap van erflaatster meegenomen. Deze grief slaagt dan ook.

6.8.6.

Dit betekent dat de legitieme portie van [geïntimeerde] in de nalatenschap van erflaatster door het hof moet worden berekend. En wel als volgt:

Nalatenschap C. [appellant]

Bezittingen € 671.146,48

Schuld IB 2014 € -5.293,00

Schulden uit onverdeelde boedel in verband

met afwikkeling nalatenschap erflater €-278.241,12

(3 x € 78.268,96 + 6% samengestelde rente

vanaf 23 april 2012 t/m 21 maart 2015 ad

€ 14.478,08)

Legitimaire aanspraak erflater € -34.786,20

Uitvaartkosten € -10.468,12

Saldo nalatenschap € 342.358,04

Legitieme portie (1/8) € 42.794,75

Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.7.5 is overwogen, is er anders dan de executeur stelt geen sprake van schenkingen of giften die op dit bedrag moeten worden geïmputeerd. Dit alles leidt ertoe dat de legitieme portie van [geïntimeerde] in de nalatenschap van moeder € 42.794,75 bedraagt.

Vaststelling legitieme porties [geïntimeerde] : € 77.580,95

6.9.

De beide legitieme porties van [geïntimeerde] bedragen derhalve : € 77.580,95 (€ 34.786,20 + € 42.794,75). [geïntimeerde] heeft in hoger beroep onder A gevorderd dat het hof het bedrag inzake beide legitieme porties vaststelt. Anders dan in eerste aanleg is niet tevens de veroordeling van de executeur tot betaling van dit bedrag gevorderd. Gelet op het feit dat bij pleidooi is meegedeeld dat aan het vonnis is voldaan, begrijpt het hof dat [geïntimeerde] om die reden geen veroordeling tot betaling heeft gevorderd. Het hof beperkt zich thans dan ook zoals gevorderd tot de vaststelling van het totaalbedrag inzake de legitieme porties.

De vordering sub E

6.10.1.

Deze vordering ziet op de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.553,71 en is

door de rechtbank in rov. 4.7 afgewezen omdat, kort gezegd, de zogenaamde 14-dagen brief niet is verstuurd. Hoewel [geïntimeerde] tegen deze afwijzing geen incidentele grief heeft gericht, leidt het hof uit het feit dat [geïntimeerde] in hoger beroep alsnog toewijzing van incassokosten vordert af dat sprake is van een impliciete grief. De executeur heeft dat ook zo begrepen.

6.10.2.

Als het hof de stellingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg over de buitengerechtelijke incassokosten beschouwt (in hoger beroep voert [geïntimeerde] geen nadere stellingen hierover aan) en het verweer daartegen van de executeur, dan verwerpt het hof de impliciete grief. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank op dit punt en verwijst naar de overwegingen van de rechtbank.

Resumé

6.11.

De conclusie van het voorgaande is dat de rechtbank de omvang van de legitieme porties van [geïntimeerde] niet op de juiste wijze heeft berekend. Om twee redenen is de berekening van de rechtbank niet juist. Bij de berekening van de erfdelen in de nalatenschap van erflater is ten onrechte de legitimaire aanspraak van [geïntimeerde] daarop niet in mindering gebracht. Vervolgens is bij de berekening van de legitieme portie van [geïntimeerde] in de nalatenschap van erflaatster bij de schulden van die nalatenschap geen rekening gehouden met de legitieme portie van [geïntimeerde] in de nalatenschap van erflater. Zowel de executeur als [geïntimeerde] hebben met hun grieven de door de rechtbank gevolgde berekening van notaris terecht bestreden. Het vonnis moet worden vernietigd voor zover door de rechtbank een ander bedrag is toewezen dan zoals hiervoor door het hof is berekend.

6.12.

Om pragmatische reden wordt het hele vonnis vernietigd, aangezien ook de door [geïntimeerde] in hoger beroep gewijzigde vorderingen sub C en de nieuwe vordering sub D moeten worden afgewezen. Gelet op de familierechtelijke relatie van partijen zullen de proceskosten, waaronder ook de nakosten, worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en

opnieuw rechtdoende:

stelt vast dat de legitieme portie van [geïntimeerde] in de nalatenschap van erflater € 34.786,20 bedraagt en in de nalatenschap van erflaatster € 42.794,75 en dat de legitieme porties van [geïntimeerde] in beide nalatenschappen dus in totaal € 77.580,95 bedragen;

compenseert de proceskosten, zowel van de eerste aanleg als het hoger beroep, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af;

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, H.K.N. Vos en J. van der Steenhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 april 2021.

griffier rolraadsheer