Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2021:1018

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
200.222.461_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5624
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Psychotherapeut in opleiding na tussentijdse beëindiging opleiding niet gehouden aan onder meer een concurrentiebeding, geen wanprestatie of onrechtmatige daad ook niet voor de opleidingsinstelling en opvolgende praktijkopleidingsinstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.222.461/01

arrest van 6 april 2021

in de zaak van

[Psychologie] Psychologie B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. K.J. Breedijk te Tilburg,

tegen

1 [geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. G.J.L. van der Sluis te Oosterhout NB,

2. Stichting Regionaal Instituut voor Nascholing en Opleidingen in de gezondheidszorg en hulpverlening in Zuid-Nederland, voorheen statutair genaamd Stichting Regionaal Instituut voor Nascholing en Opleidingen in de gezondheidszorg en hulpverlening in Zuid-Nederland,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. G.J.M. Philipsen te Eindhoven,

3. Stichting GGz Breburg Groep,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

advocaat: mr. D.B. Muller te Breda,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

en geïntimeerden sub 1 en 3 tevens appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als respectievelijk [geïntimeerde] Rino en GGz,

op het bij exploten van dagvaarding van 14 augustus 2017 (Rino en GGz) en 17 augustus 2017 ( [geïntimeerde] ) ingeleide hoger beroep van het vonnis van 5 juli 2017, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie in de zaak tegen [geïntimeerde] en [geïntimeerde] als gedaagde tevens eiseres in reconventie, en tussen [appellante] als eiseres in de zaak tegen Rino en GGz en Rino en GGz als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/322106 / HA ZA 16-756)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daarin genoemde tussenvonnis van 14 december 2016.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven tevens wijziging van eis met producties;

  • -

    van alle drie de geïntimeerden een memorie van antwoord en zijdens [geïntimeerde] en GGz tevens memorie van grieven in incidenteel appel;

  • -

    de memories van antwoord in het incidenteel appel van [geïntimeerde] en GGz;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de bij brieven dan wel H-formulieren met de hierna genoemde afzenders en data, toegezonden producties, die bij het pleidooi bij akte in het geding zijn gebracht, elk in hun eigen geschil:

o 12 februari 2020: de productie R van [appellante] ;

o 24 februari 2020: de producties 4 t/m 6 van Rino;

o 24 feb 2020: de producties 24 t/m 26 van [geïntimeerde] ;

o 25 feb 2020: de producties 3 en 4 van GGz en

o 26 feb 2020: de producties S t/m Y van [appellante] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

Ten aanzien van de eiswijziging van [appellante] geldt het volgende. Op grond van artikel 130 lid 1 Rv in samenhang met artikel 353 lid 1 Rv komt aan [appellante] de bevoegdheid toe haar eis of de gronden daarvan te wijzigen. De toelaatbaarheid van een eiswijziging moet, zo nodig ambtshalve, mede worden beoordeeld in het licht van de herstelfunctie van het hoger beroep. De grenzen van het toelaatbare zijn door de eiswijziging van [appellante] niet overschreden; deze leidt niet tot onredelijke vertraging van het geding en/of tot onredelijke bemoeilijking van de verdediging, zoals is aangevoerd door [geïntimeerde] en Rino. De eiswijziging ziet op dezelfde overeenkomsten als de eerdere eis. Ook is de eiswijzing direct bij memorie van grieven ingediend en toegelicht, zodat het geding in hoger beroep hierdoor in zoverre dan ook niet is vertraagd. Geïntimeerden hebben bij antwoord (subsidiair) gereageerd op de eiswijziging en hebben de gelegenheid gehad tijdens het pleidooi hun standpunt nader toe te lichten. Van een ontoelaatbare uitbreiding van het partijdebat als gevolg van de gewijzigde vordering, is geen sprake, noch van een substantiële uitbreiding van het feitencomplex. Het feitencomplex (zie hierna) dat aan de eisvermeerdering ten grondslag ligt, is overzichtelijk. Bovendien moet worden bedacht dat een verandering of vermeerdering van eis (zelfs nadat van grieven of van antwoord is gediend) toelaatbaar kan zijn, indien de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen (ECLI:NL:HR:2009:BI8771). Het hof oordeelt dat geïntimeerden door de eiswijziging niet onredelijk in hun verdediging worden bemoeilijkt en/of dat het geding er onredelijk door zal worden vertraagd. Het hof zal dus uit gaan van de eiswijziging.

3 De beoordeling

in het hoger beroep van [appellante] en ten aanzien van [geïntimeerde] en GGz ook in incidenteel hoger beroep

3.1.

Deze zaak gaat in het kort over het volgende. [geïntimeerde] is als psychotherapeut in opleiding werkzaam geweest bij [appellante] . Zij heeft in 2015 haar opleiding in samenspraak met Rino, voortgezet bij GGz. [appellante] stelt onder meer dat [geïntimeerde] met haar had moeten overleggen en daarnaast dat [geïntimeerde] het overeengekomen concurrentiebeding en geheimhoudingsbeding heeft geschonden. [appellante] vordert onder meer een verklaring voor recht, betaling van boetes en schadevergoeding. [geïntimeerde] en Ggz hebben (voorwaardelijke) tegenvorderingen ingesteld.

3.2.

In rov. 3.1. van het eindvonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. [appellante] heeft aangevoerd dat deze feitenweergave onjuist is. Hierop zien de grieven 1 en 2 in het principaal hoger beroep. Verdere bespreking van deze grieven is niet nodig, omdat het hof hierna een nieuw overzicht zal geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen:

a. [appellante] is gevestigd in [vestigingsplaats] en heeft diverse nevenvestigingen. In de praktijk zijn circa 50 zelfstandig gevestigde basispsychologen, gezondheidszorgpsychologen en psychotherapeuten in maatschapsverband met [appellante] werkzaam.

b. Rino is een opleidingsinstituut dat de postdoctorale opleidingen in de geestelijke gezondheidszorg verzorgt, na afronding waarvan een opleideling (meestal beginnend als basispsycholoog aan de opleiding tot psychotherapeut) ingeschreven kan worden in het BIG-register. Inschrijving voor het BIG-register is noodzakelijk om werkzaamheden te kunnen declareren als hoofdbehandelaar bij zorgverzekeraars.

c. In de regio Brabant verzorgt Rino als enige aanbieder de postdoctorale opleidingen die leiden tot het diploma voor psychotherapeut of gezondheidszorgpsycholoog. Per 1 april 2012 is [appellante] door Rino erkend als praktijkopleidingsinstelling voor de psychotherapeut-opleiding. In de erkenningsbrief staat onder andere: “In afwachting van landelijke richtlijnen over de uitwerking en toelaatbaarheid van verschillende opleidingscontracten kunnen aan de erkenning, in het bijzonder aan de door u thans gebruikte Opleidingsovereenkomst, nadere eisen gesteld worden. (…) Wij gaan ervan dat u bij de invulling van de praktijkopleiding de Erkenningseisen voor een praktijkopleidingsinstelling Psychotherapie (versie oktober 2011) in acht neemt.” Deze erkenningseisen zijn aangepast op 1 januari 2014, waarbij onder meer geldt:
15. (…) f. Bij tussentijdse beëindiging van de opleiding kan er geen sprake zijn van een concurrentiebeding of relatiebeding.”.

d. [appellante] is – behalve als aanbieder van geestelijke gezondheidszorg – ook ingericht als praktijkinstelling waarbinnen basispsychologen onder verantwoordelijkheid van een praktijkbegeleider staan. De praktijkbegeleider ondersteunt de basispsychologen in het praktijkdeel van de opleiding die door deze psychologen (hierna: “opleidelingen”) bij Rino wordt gevolgd.

e. Op 1 oktober 2013 sluiten [geïntimeerde] en [appellante] een maatschapsovereenkomst en daarnaast een opleidingsovereenkomst, waarin onder meer wordt overeengekomen dat zij met ingang van 1 december 2013 een maatschap met elkaar aangaan en dat [appellante] per 1 januari 2014 een opleidingsplaats tot psychotherapeut beschikbaar stelt aan [geïntimeerde] . In de opleidingsovereenkomst is opgenomen dat de maatschapsovereenkomst onderdeel uitmaakt van de opleidingsovereenkomst. Ook is bepaald dat de opleidingsovereenkomst één geheel vormt met de ‘opleidingsovereenkomst postmaster beroepsopleiding tot psychotherapeut’ van Rino (artikel 1.2 van de opleidingsovereenkomst). Verder is overeengekomen dat de opleidingsovereenkomst van rechtswege eindigt als de maatschapsovereenkomst beëindigd wordt.

In de maatschapsovereenkomst staat onder meer artikel 7:

“Het is (B) {hof:= [geïntimeerde] } verboden gedurende de eerste twee jaren na het beëindigen van deze overeenkomst, psychologische werkzaamheden te verrichten, tegen betaling of om niet, binnen een cirkel met een straal van 15 kilometer gerekend vanaf het praktijkhuis in [plaats] of een van de nevenlocaties waar door (B) in het kader van deze overeenkomst cliënten zijn gezien. Indien opdrachtnemer dit verbod overtreedt, is zij per overtreding een onmiddellijk opeisbare en niet voor verrekening of matiging vatbare boete verschuldigd van € 5.000 (zegge: vijfduizend euro) per overtreding en per dag dat deze overtreding voortduurt.”

Twee relevante artikelen in de opleidingsovereenkomst luiden als volgt.

Artikel 1.4:

“(…) Partijen verplichten zich over en weer om tijdens en na beëindiging van deze overeenkomst geheimhouding te bewaren ten aanzien van elkaars bedrijfsaangelegenheden. Er mogen in geen geval mededelingen aan derden worden gedaan.”

Artikel 5:

“Alle geschillen welke uit deze overeenkomst voortvloeien worden in eerste instantie getracht in onderling overleg op te lossen en in tweede instantie in overleg met opleidingsinstelling RINO Groep. Indien hier geen adequate oplossing wordt overeengekomen kunnen geschillen worden voorgelegd aan een bevoegde rechter.”

f. Op 13 maart 2014 wordt de ‘opleidingsovereenkomst postmaster beroepsopleiding tot psychotherapeut’ gesloten tussen [appellante] , [geïntimeerde] en Rino (hierna: driepartijen-overeenkomst). In deze overeenkomst staat onder meer:

artikel 15:

“De opleidingsinstelling {hof: Rino} is verantwoordelijk voor organisatie en beheer van de opleiding en bewaakt op systematische wijze het opleidingstraject van de psychotherapeut i.o.”

artikel 16:

“Alle drie partijen zijn gerechtigd de opleidingsovereenkomst op te zeggen zodra:

• de (leer-) arbeidsovereenkomst tussen de psychotherapeut i.o. en de prakijkopleidingsinstelling {hof: [appellante] } wordt beëindigd. Beëindiging van de (leer-) arbeidsovereenkomst ontslaat de psychotherapeut i.o.. niet van de aangegane financiële verplichtingen met de opleidingsinstelling. De psychotherapeut i.o, kan de postacademische beroepsopleiding tot psychotherapeut eerst dan vervolgen als hij/zij tijdig een (leer-) arbeidsovereenkomst aangaat met een andere door het opleidingsinstelling erkende praktijkopleidingsinstelling en hiertoe een nieuwe opleidingsovereenkomst heeft afgesloten. De verantwoordelijkheid voor het vinden van een nieuwe praktijkplaats ligt bij de psychotherapeut i.o.

• naar het oordeel van de hoofdopleider de resultaten in de cursorische opleiding en/of in de praktijkwerkzaamheden, ook na herkansing onvoldoende zijn. Een en ander conform de richtlijnen van het opleidings- en examenreglement.

• de andere partij in verzuim blijft met de nakoming van een verplichting uit deze overeenkomst, doch niet dan nadat deze andere partij schriftelijk gesommeerd is zijn/haar tekortkoming te herstellen en een termijn van dertig dagen is verstreken zonder dat deze andere partij de tekortkoming heeft hersteld. In dit geval wordt betaling van de opleidingskosten in onderling over1eg geregeld.

• de nakoming door de andere partij van een opeisbare verplichting uit hoofde van deze overeenkomst blijvend of tijdelijk (met een maximale termijn van 6 maanden) onmogelijk wordt. In dit geval wordt betaling van de opleidingskosten in onderling overleg geregeld.”

Artikel 18:

“In geval partijen in gezamenlijk overleg geen oplossing kunnen vinden, voor geschillen die ontstaan met betrekking tot de uitleg en uitvoering van bepalingen uit deze overeenkomst en voor mogelijke andere geschillen inzake de postacademische beroepsopleiding tot psychotherapeut, treedt bijgevoegde geschillenregeling in werking.”

In de geschillenregeling bij de driepartijenovereenkomst is bepaald:

“Alle geschillen die mochten ontstaan (…) worden voorgelegd aan een commissie die hierover bindend adviseert: de Geschillencommissie”.

g. GGz is een zorgaanbieder in de geestelijke gezondheidszorg en telt ongeveer 2000 medewerkers. GGz is tevens vertegenwoordigd in het bestuur van Rino in de persoon van [bestuurslid] (zowel lid Raad van Bestuur bij GGz als bij Rino).

h. Begin februari 2015 heeft [geïntimeerde] contact met zowel Rino als GGz. Zo schrijft [naam 1] van Rino aan [geïntimeerde] op 4 februari 2015: “Ik heb jullie signaal besproken met de hoofdopleider en wij hebben besloten een werkbezoek te brengen bij [appellante] Psychologie”.

[naam 2] van GGz schrijft [geïntimeerde] op 5 februari 2015: “Is het RINO op de hoogte van je onvrede met je plek? Heb je inhoudelijke (opleidingsrelevante) argumenten om niet tevreden te zijn over de plek? (Maw, is een overstap naar een andere organisatie ook voor de hoofdopleider vanzelfsprekend?)”

i. Op 17 maart 2015 heeft Rino een werkbezoek gebracht bij [appellante] . Enkele dagen later, op 24 maart 2014, schrijft Rino aan [geïntimeerde] : “Onlangs brachten wij een constructief werkbezoek bij [appellante] . Tijdens het werkbezoek zijn er een aandachtspunten besproken. Voor ons is er geen reden om te adviseren dat een van de deelnemers voor haar opleiding beter kan overstappen naar een andere opleiding. Dit laat onverlet dat je om jouw moverende redenen hier zelf voor kunt kiezen. In dat geval horen we het graag en kunnen we je mogelijke overstap mogelijk ondersteunen (…) (Ik zal eenzelfde soort bericht aan Anneloes van den Broek gestuurd.).”

j. Rino bericht [geïntimeerde] op 15 april 2015 dat Rino bij GGz het verzoek zal neerleggen om de overstap van [geïntimeerde] opnieuw in behandeling te nemen. Als argumenten daarvoor noemde Rino dat uit het voortgangsgesprek duidelijk is geworden dat de werkwijze van [appellante] niet past bij haar persoonlijkheid en dat hierdoor het opleidingsproces verstoord raakt.

k. Op 19 mei 2015 stelt GGz [geïntimeerde] per mail op de hoogte van het feit dat er een opleidingsplek beschikbaar is voor haar bij GGz.

l. Op 22 juni 2015 schrijft Rino onder meer aan [appellante] : “Enige tijd geleden heeft [geïntimeerde] contact met ons gezocht om haar voortgang in de psychotherapie opleiding te bespreken. Tijdens dit gesprek heeft [geïntimeerde] aangegeven dat het opleidingsproces wat haar betreft stagneerde. Zij gaf verder aan contact te hebben opgenomen met GGZ Breburg om de mogelijkheden van een overstap te onderzoeken.

Vanwege het reeds ver gevorderde stadium, hebben wij op dat moment geen contact met jullie opgenomen. Vanuit het RINO hebben wij haar initiatief om over te stappen - vanwege de voor haar ontstane situatie - ondersteund. Wij hebben met [geïntimeerde] afgesproken dat zij een en ander persoonlijk aan jullie zal toelichten.(…).”

m. [geïntimeerde] stuurt [appellante] op 22 juni 2015 het volgende bericht: “(…) Ik wil het er graag met je persoonlijk over hebben dat ik bij [appellante] ontslag wil nemen. Ik vindt het vervelend om je dit nu al via de mail te moeten zeggen, dus excuses daarvoor. Maar daar zou het gesprek over gaan. (…)” Voornoemd gesprek heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015.

n. Op 25 juni 2015 heeft er een overleg plaatsgevonden over de ontstane situatie tussen [geïntimeerde] , Rino en [appellante] .

o. Op 7 juli 2015 heeft [geïntimeerde] de opzegging bevestigd van de maatschapsovereenkomst en opleidingsovereenkomst met [appellante] . [geïntimeerde] schrijft: “Hiervan heb ik [appellante] reeds eerder op de hoogte gesteld… 22-06-2015…[en]…23-06-2015. Bij deze wil ik mijn besluit van toen nogmaals benadrukken middels deze brief.”

p. [geïntimeerde] heeft in juli 2015 haar werkzaamheden afgebouwd en sinds 1 augustus 2015 helemaal geen werkzaamheden meer voor [appellante] verricht.

q. In augustus 2015 heeft [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst gesloten met GGz en zij is op 1 september 2015 met haar werkzaamheden en opleiding bij GGz begonnen.

r. Op 14 januari 2016 schrijft de advocaat van [appellante] aan de advocaat van [geïntimeerde] per e-mail onder meer dat [geïntimeerde] is doorgegaan met schending van het concurrentiebeding en dat zij in rechte zal worden betrokken. Op 3 oktober 2016 is de dagvaarding in eerste aanleg in deze zaak aan [geïntimeerde] betekend.

3.3.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellante] in eerste aanleg, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:

Ten aanzien van [geïntimeerde] :

I en II: voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met het concurrentiebeding en haar te veroordelen tot betaling van een boete aan [appellante] ;

III en IV: voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met het geheimhoudingsbeding en haar te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding;

V en VI: voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] wanprestatie heeft gepleegd door met Rino beëindiging van haar contractuele relatie met [appellante] te bewerkstelligen en haar te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding;

Ten aanzien van Rino:

VII en VIII: voor recht te verklaren dat Rino wanprestatie heeft gepleegd door beëindiging van de contractuele relatie tussen [appellante] en [geïntimeerde] actief te bewerkstelligen en haar te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding;

Ten aanzien van [geïntimeerde] c.s:

IX en X: voor recht te verklaren dat door [geïntimeerde] , Rino en GGz een onrechtmatige daad is gepleegd jegens [appellante] en hen te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding;

XI. [geïntimeerde] , Rino en GGz te veroordelen tot betaling van de gevolgschade;

XII. te bepalen dat de gevorderde schade zoals gevorderd onder VI, VIII en X door [geïntimeerde] c.s. aan [appellante] wordt voldaan des dat de een heeft voldaan, de ander zijn gekweten;

XIII. [geïntimeerde] c.s. te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.3.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met het concurrentiebeding uit de maatschapsovereenkomst door per 1 september 2015 in dienst te treden bij GGz.

[geïntimeerde] heeft ook in strijd gehandeld met het geheimhoudingsbeding uit de opleidingsovereenkomst, nu [geïntimeerde] tegenover GGz ten onrechte interne (en deels onware) informatie heeft gedeeld over [appellante] .

Met betrekking tot Rino en [geïntimeerde] vordert [appellante] een verklaring voor recht dat zij wanprestatie hebben gepleegd. In de visie van [appellante] heeft Rino in strijd gehandeld met de drie-partijenovereenkomst en de daarin opgenomen geschillenregeling, door niet met [appellante] in onderling overleg te treden ten aanzien van de problematiek rond [geïntimeerde] . Ook [geïntimeerde] heeft in strijd gehandeld met artikel 18 van de drie-partijenovereenkomst en tevens met artikel 5 van de opleidingsovereenkomst.

Ten aanzien van Rino, [geïntimeerde] (beiden subsidiair) en GGz vordert [appellante] een verklaring voor recht wegens onrechtmatig handelen door buiten medeweten van [appellante] om de overstap van [geïntimeerde] van [appellante] naar GGz te realiseren. GGz heeft geprofiteerd van de aan [geïntimeerde] en [appellante] verbonden beschikbaarheidstoelage en daarbij gebruik heeft gemaakt van de wanprestatie van [geïntimeerde] jegens [appellante] (ten aanzien van het concurrentiebeding), aldus [appellante] .

3.3.3.

In reconventie heeft [geïntimeerde] (na vermindering van eis) gevorderd:

primair:

a. te verklaren voor recht dat het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding ex artikel 7 van de maatschapsovereenkomst niet van toepassing is, althans dat het concurrentiebeding beperkt wordt in geografisch bereik tot het stadsdeel waar de locaties van [appellante] te [vestigingsplaats] en te [vestigingsplaats] gevestigd zijn en het concurrentiebeding te beperken in tijdsduur tot één jaar, althans een in goede justitie te bepalen beperking, alsmede de boete te matigen tot nihil, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

b. [appellante] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te voldoen de achterstallige betalingen ad € 32.565,25 (inclusief BTW), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;

c. een zodanige beslissing te nemen als de rechter meent te behoren;

subsidiair:

d. te verklaren voor recht dat sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] ;

e. het concurrentiebeding in de overeenkomst geheel te vernietigen, althans het concurrentiebeding te beperken in geografisch bereik tot het stadsdeel waar de locaties van [appellante] te [vestigingsplaats] en te [vestigingsplaats] gevestigd zijn en het concurrentiebeding te beperken in tijdsduur tot één jaar, althans een in goede justitie te bepalen beperking, alsmede de boete te matigen tot nihil, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

f. [appellante] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te voldoen het achterstallige salaris (begroot op € 31.347,35 bruto), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging over het achterstallig loon, alsmede alle overige schade die Spiering door het handelen of nalaten van [appellante] heeft geleden of nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

g. een zodanige beslissing te nemen als de rechter meent te behoren;

h. [appellante] in conventie en in reconventie te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.4.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] in het kort het volgende ten grondslag gelegd.

Zij vordert primair nakoming van artikel 3.3. van de maatschapsovereenkomst ter zake van achterstallige betalingen aangaande door haar verrichtte maar door [appellante] nog niet betaalde werkzaamheden, alsmede betaling van haar aandeel in de door [appellante] ten onrechte achtergehouden btw. [geïntimeerde] stelt voorts dat het concurrentiebeding uit de maatschapsovereenkomst buiten toepassing moet worden verklaard op grond van artikel 6:248 lid 2 BW. Subsidiair stelt zij dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, zodat toepasbaar is de wettelijke regeling met de mogelijkheid van (gedeeltelijke) vernietiging van het concurrentiebeding en zij recht heeft op uitbetaling van achterstallig loon (inclusief de wettelijke verhoging) en overige schade.

3.3.5.

Partijen hebben (in conventie en reconventie) over en weer gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.6.

In het tussenvonnis van 14 december 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.7.

In het eindvonnis van 5 juli 2017 heeft de rechtbank (samengevat en voor zover van belang in hoger beroep) het volgende overwogen:

concurrentiebeding

[geïntimeerde] heeft in strijd gehandeld met het in artikel 7 van de maatschapsovereenkomst tussen haar en [appellante] overeengekomen concurrentiebeding door met ingang van 1 september 2015 werkzaamheden bij GGz in [vestigingsplaats] te gaan verrichten. [geïntimeerde] is binnen twee jaar na het beëindigen van de maatschapsovereenkomst, tegen betaling psychologische werkzaamheden gaan verrichten binnen het in het concurrentiebeding overeengekomen gebied. In de gegeven omstandigheden van het geval is echter een beroep van [appellante] op het concurrentiebeding jegens [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. (rov. 3.8)

geheimhoudingsbeding

Uit de tekst van het geheimhoudingsbeding vloeit voort dat dit beding handelt over cliënten en bedrijfsvoering. Omdat sprake is van een opleidingssituatie, vormt het geheimhoudingsbeding geen beletsel voor [geïntimeerde] om met Rino te spreken over de (problemen die zij ervaart met de) opleiding. Rino heeft vervolgens GGz op de hoogte gesteld van de opleidingssituatie en bericht dat de werkwijze binnen [appellante] niet past bij de persoonlijkheid van [geïntimeerde] . [appellante] heeft onvoldoende concreet gemotiveerd onderbouwd, welke uitlatingen [geïntimeerde] zelf zou gedaan hebben ten opzichte van GGz die schending van het geheimhoudingsbeding zouden behelzen. Bovendien geldt, dat in een opleidingssituatie als de onderhavige terughoudendheid moet worden betracht bij het oordeel dat een opleideling het geheimhoudingsbeding schendt wanneer de opleiding elders wordt voortgezet. (rov. 3.9)

geschillenregeling

Er is slechts sprake van een inspanningsverplichting tot overleg en – indien dat niet zou slagen – tot het volgen van een geschillenregeling. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast, dat er wel degelijk overleg heeft plaatsgevonden en dat [geïntimeerde] pas na dit overleg heeft besloten om de samenwerking met [appellante] te beëindigen en de overstap te maken naar GGz. Voor zover [appellante] betoogt dat [geïntimeerde] niet mocht opzeggen zonder gebruik te maken van de geschillenregeling gaat dit voorbij aan het bepaalde in artikel 16 van de drie-partijenovereenkomst. Overigens had ook [appellante] de kwestie kunnen aanmerken als geschil, maar heeft dat om haar moverende redenen niet gedaan. (rov. 3.10)

Rino heeft geen wanprestatie gepleegd door te handelen in strijd met artikel 18 van de drie-partijenovereenkomst, nu daaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd als ten aanzien waarvan hiervoor reeds is overwogen dat er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming ex artikel 6:74 BW, noch van causaal verband, tussen de gestelde wanprestatie en de schade.

Hetzelfde geldt voor de gestelde onrechtmatige daad van Rino en de uit dien hoofde gevorderde schadevergoeding. Ook ten aanzien van GGz niet kan worden geoordeeld, dat zij onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld omdat zij beweerdelijk heeft geprofiteerd van de overtreding van het concurrentiebeding. Immers, het enkele feit GGz zou hebben geprofiteerd van de wanprestatie van anderen - zoals [appellante] stelt - is op zichzelf ontoereikend. Daarvoor zijn volgens vaste jurisprudentie bijkomende omstandigheden vereist die door [appellante] die niet zijn gesteld, terwijl juist het feit dat GGz een opleidingsplaats heeft geboden in een situatie als de onderhavige, des te minder aanleiding geeft om te concluderen dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld in het maatschappelijk verkeer. (rov. 3.11)

De rechtbank heeft in conventie de gevorderde verklaring voor recht toegewezen dat [geïntimeerde] door met ingang van 1 september 2015 bij GGz in dient te treden heeft gehandeld in strijd met het in de maatschapsovereenkomst overeengekomen concurrentiebeding. In reconventie is [appellante] veroordeeld om € 32.565,25 (inclusief BTW) aan achterstallige betalingen, te vermeerderen met wettelijke rente, aan [geïntimeerde] te voldoen. De overige vorderingen zijn afgewezen en [appellante] is zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld.

3.4.1.

[appellante] heeft in principaal hoger beroep negen grieven aangevoerd (genummerd 1 tot en met 10, waarbij nummer 7 is overgeslagen). [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 5 juli 2015 (het hof begrijpt 5 juli 2017) in conventie en reconventie met uitzondering van rov. 4.1. [appellante] vordert na eiswijziging in hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor zover in eerste aanleg niet geheel toegewezen:

In conventie:

ter zake [geïntimeerde] :
I. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] door met ingang van 1 september 2015 bij GGz in dienst te treden, heeft gehandeld in strijd met het in artikel 7 van de maatschapsovereenkomst tussen haar en [appellante] overeengekomen concurrentiebeding;

II. [geïntimeerde] te veroordelen op grond van het onder ad I gevorderde wegens schending van het concurrentiebeding tot betaling aan [appellante] door [geïntimeerde] een boete van € 250.000,-- althans een in goede justitie te bepalen boete, te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] heeft gehandeld in strijd met het in artikel 1.4 van de opleidingsovereenkomst neergelegde geheimhoudingsbeding.

IV. [geïntimeerde] te veroordelen op grond van het onder ad III gevorderde wegens schending van het geheimhoudingsbeding tot betaling aan [appellante] door [geïntimeerde] van een schadevergoeding nader op te maken bij staat.

V. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] jegens [appellante] tekort geschoten is in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen jegens [appellante] uit hoofde van de opleidingsovereenkomst alsmede uit de driepartijenovereenkomst.

VI. [geïntimeerde] te veroordelen op grond van het onder ad V gevorderde wegens door [geïntimeerde] geleverde wanprestatie tot betaling van een schadevergoeding aan [appellante] ter hoogte van € 155.854,-- althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

ter zake Rino:

VII. voor recht te verklaren dat Rino jegens [appellante] tekort geschoten is in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen jegens [appellante] uit hoofde van de driepartijenovereenkomst.

VIII. Rino te veroordelen op grond van het onder ad VII gevorderde wegens door Rino geleverde wanprestatie tot betaling van een schadevergoeding aan [appellante] ter hoogte van € 155.854,-- althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

IX. voor recht te verklaren dat zowel door [geïntimeerde] , Rino (subsidiair) als GGz een onrechtmatige daad is gepleegd jegens [appellante] .
alsmede:

X. [geïntimeerde] , Rino (subsidiair) en GGz te veroordelen op grond van het onder ad IX gevorderde wegens door hen geleverde onrechtmatige daad tot betaling van een schadevergoeding aan [appellante] ter hoogte van € 155.854,-- althans een in goede justitie te bepalen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

XI. [geïntimeerde] , Rino en GGz te veroordelen voor betaling van de gevolgschade aan [appellante] nader op te maken bij staat.

XII. te bepalen dat de gevorderde schade ter hoogte van € 155.854,-- zoals gevorderd onder ad VI, VIII en X door geïntimeerden aan [appellante] wordt voldaan des dat de een heeft voldaan, de ander zijn gekweten.

XIII. geïntimeerden te veroordelen in de kosten van dit geding, de kosten in eerste aanleg alsmede de nakosten.
[appellante] heeft verder in reconventie gevorderd om de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzigen althans te matigen tot een bedrag van € 17.353,79, althans een in goede justitie te bepalen geldsom.

3.4.2.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep één voorwaardelijke en één onvoorwaardelijke grief aangevoerd. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor wat betreft het oordeel dat zij in strijd heeft gehandeld met het concurrentiebeding en voor zover haar primaire vordering in reconventie is afgewezen en tot het alsnog geheel wijzen van deze vordering, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties en de nakosten, met rente.

3.4.3.

GGz heeft in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. GGz heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover het het oordeel betreft dat het concurrentiebeding in het maatschapscontract rechtsgeldig is overeengekomen en het vonnis voor het overige te bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in beide instanties met rente.

de omvang van het hoger beroep

3.5.1.

Allereerst stelt het hof vast dat het verweer in eerste aanleg dat [appellante] als lid van de maatschap geen beroep zou toekomen op nakoming van het maatschapscontract geen deel uitmaakt van het debat in hoger beroep. Het hof gaat er evenals de rechtbank vanuit dat [appellante] dat beroep kan doen.

3.5.2.

Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft [appellante] grief 10 ingetrokken. Deze grief was gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de door [geïntimeerde] gevorderde achterstallige bedragen, welke vordering volgens [appellante] alsnog moet worden afgewezen, althans moet worden gematigd tot € 17.353,79. Het hof zal het door de rechtbank toegewezen deel van deze reconventionele vordering (rov. 4.5 van het beroepen vonnis) dan ook bekrachtigen.

de grieven

3.6.

Het hof zal eerst de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep in het geschil tussen [appellante] en [geïntimeerde] bespreken. Deze grieven zijn te rangschikken aan de hand van de volgende bedingen uit de overeenkomsten tussen partijen:

- het concurrentiebeding;

- het geheimhoudingsbeding en

- het geschillenbeding.

Daarna zal het hof de andere rechtsverhoudingen nader beschouwen; eerst die tussen [appellante] en Rino, ten slotte die tussen [appellante] en GGz.

het geschil [appellante] - [geïntimeerde]

het concurrentiebeding

3.7.1.

Het hof zal hierbij als eerste ingaan op het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] voert onder meer aan dat de rechtbank een andere uitleg aan het concurrentiebeding had moeten geven. Volgens [geïntimeerde] kan [appellante] als praktijkopleidingsinstelling geen beroep doen op het concurrentiebeding nu sprake is van een overstap van een opleiding gedurende de opleiding. [geïntimeerde] stelt dat zij ten tijde van het aangaan van het concurrentiebeding een net afgestudeerde basis-psychologe was die een schaarse plek zocht voor een post master specialisatieopleiding. [appellante] legde de maatschapsovereenkomst voor en onderhandelen was niet mogelijk. In de verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde] was geen gelijkheid zoals gebruikelijk in een maatschap. [geïntimeerde] bevond zich in een afhankelijke positie, zij heeft vertrouwd op de geruststellende uitlatingen van [appellante] dat ze zich daarover geen zorgen hoefde te maken en was bovendien niet juridisch geschoold/had geen deskundige bijstand. [geïntimeerde] stelt verder dat waarde moet worden toegekend aan het feit dat de per 1 januari 2014 van kracht geworden erkenningseisen voor de praktijkopleidingsinstellingen een concurrentiebeding bij tussentijdse beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst niet toestonden.

3.7.2.

[appellante] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] een universitair geschoolde vrouw is, dat het [geïntimeerde] vrij stond om juridisch advies in te winnen en dat wel was beoogd om samen te werken op voet van gelijkheid. Rino heeft pas later een extra eis toegevoegd aan de voorwaarden voor opleiding. Ten tijde van de overeenkomst tussen partijen was dat nog niet aan de orde.

3.7.3.

Het hof volgt [geïntimeerde] in haar standpunt dat het beroep van [appellante] op het concurrentiebeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voorts zijn bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Wel is in praktisch opzicht vaak van groot belang de taalkundige betekenis van de bewoordingen van het geschrift, gelezen in de context ervan als geheel, die deze in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben (ECLI:NL:HR:2004:AO1427, rov. 4.5).

Dit betekent voor [appellante] en [geïntimeerde] het volgende. [appellante] en [geïntimeerde] zijn op 1 oktober 2013 twee overeenkomsten aangegaan, te weten de maatschapsovereenkomst met het non-concurrentiebeding (artikel 7) en de opleidingsovereenkomst waarin expliciet is overeengekomen dat de maatschapsovereenkomst hiervan onderdeel uitmaakt (zie rov. 3.2 onder e). De maatschapsovereenkomst en de opleidingsovereenkomst tussen [appellante] en [geïntimeerde] zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Verder is van belang dat de opleiding van [geïntimeerde] valt onder opleidingsinstelling Rino, waarbij [appellante] de praktijkopleidingsinstelling (POI) is (zie: de driepartijenovereenkomst genoemd in rov. 3.2. sub f). Als POI moet [appellante] zich houden aan de zogeheten “Erkenningseisen” van Rino (rov 3.2. sub c). Bij de wijziging per 1 januari 2014, dus slechts drie maanden na ondertekening van de overeenkomsten tussen [appellante] en [geïntimeerde] , heeft Rino bepaald dat bij tussentijdse beëindiging van de opleiding geen sprake kan zijn van een concurrentie- of relatiebeding. Uit een e-mail van Rino aan [appellante] van 22 januari 2016 volgt dat een concurrentiebeding het volgens Rino voor een opleideling buitenproportioneel moeilijk maakt om de opleiding goed en tijdig af te ronden en zijn de belangen van de praktijkinstelling dan volstrekt uit balans.

In dit geval is het concurrentiebeding opgenomen in de maatschapsovereenkomst tussen [appellante] als praktijkopleidingsinstelling (POI) en [geïntimeerde] die een postdoctorale opleiding volgde, de opleideling, waarbij in de opleidingsovereenkomst expliciet is bepaald dat de maatschapsovereenkomst hiervan onderdeel uitmaakt. [geïntimeerde] was dus als opleideling gebonden aan een concurrentiebeding. [geïntimeerde] bevond zich als opleideling in een afhankelijke positie ten opzichte van [appellante] . [geïntimeerde] heeft onbestreden naar voren gebracht dat het aantal opleidingsplekken beperkt was voor basispsychologen, hetgeen de onderhandelingspositie van [geïntimeerde] bij het aangaan van de overeenkomsten verder heeft beperkt. Het feit dat Rino slechts drie maanden na het sluiten van de overeenkomst een cruciale wijziging met betrekking tot concurrentiebedingen heeft doorgevoerd, in die zin dat in een opleidingsovereenkomst geen concurrentiebeding mocht worden overeengekomen, had voor [appellante] een aanwijzing moeten en kunnen zijn dat haar als POI in het geval van [geïntimeerde] niet langer een beroep op het concurrentiebeding zou toekomen. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat [appellante] degene is die de twee overeenkomsten heeft opgesteld, gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] over het concurrentiebeding heeft kunnen onderhandelen, dat [geïntimeerde] vanaf 1 januari 2014 tot 31 december 2017 in opleiding was tot psychotherapeut en wegens een door haar ervaren ‘mismatch’ met [appellante] , in samenspraak met Rino, deze vierjarige opleiding per 1 september 2015 heeft voortgezet bij GGz en niet is gebleken dat cliënten van [geïntimeerde] bij [appellante] met haar zijn meegegaan naar GGz.

Op grond van deze bijzondere omstandigheden van het geval oordeelt het hof dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellante] zich beroept op het concurrentiebeding. Partijen hebben geen andere feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, leiden tot een ander oordeel. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
Het hof zal de door [appellante] gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] door met ingang van 1 september 2015 bij GGz in dienst te treden, heeft gehandeld in strijd met het in artikel 7 van de maatschapsovereenkomst tussen haar en [appellante] overeengekomen concurrentiebeding alsnog afwijzen. Op dit punt zal de uitspraak van de rechtbank dus worden vernietigd. Dit betekent dat grief I in het incidenteel hoger beroep slaagt, de (voorwaardelijke) incidentele grief II geen verdere behandeling behoeft en grief 3 in het principaal hoger beroep faalt.

het geheimhoudingsbeding

3.8.1.

[appellante] keert zich met grief 4 tegen het oordeel van de rechtbank dat zij haar standpunt onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van schending van het geheimhoudingsbeding. [appellante] voert aan dat uit een e-mailbericht van 31 maart 2015 van [naam 2] (GGz) aan Rino blijkt dat [geïntimeerde] informatie met betrekking tot deinterne bedrijfsvoering van [appellante] heeft verstrekt aan [naam 2] . In deze e-mail staat: “(…) Het opleidingsklimaat zoals [geïntimeerde] {hof: [geïntimeerde] } weergeeft, lijkt qua samenstelling heel beperkt: een psychotherapeut en 5 PTio. Hier kan niet echt gesproken worden van een multidisciplinair team. De Praktijkopleider en diens onafhankelijkheid in keuzes en besluitvormingsmogelijkheden tbv de bevordering van de kwaliteit van de opleiding, lijkt twijfelachtig. De praktijkopleider is in dienst van de praktijkhouder, de vraag is of in dit geval geen externe praktijkopleider aangewezen zou moeten worden De praktijk lijkt geen open cultuur te hebben. Veel zaken blijven onbesproken. De PTio lijkt de rol van de klokkenluider op zich te moeten nemen.. De inhoudelijk keuze voor specifieke methoden (schema of anderszins) wordt bij regelmaat beperkt. Het betrekken van een psychiater wordt gelimiteerd. (…)”. Deze kennis echter ziet niet op overleg tussen [geïntimeerde] , Rino en [appellante] in het kader van de door haar te volgen opleiding. Wat de opleidingssituatie betreft onderkent [appellante] wel dat [geïntimeerde] bepaalde zaken moet kunnen bespreken met Rino. Anders zou immers een onwerkbare situatie kunnen ontstaan, aldus [appellante] .

3.8.2.

[geïntimeerde] stelt dat het uitwisselingen van ervaringen en strubbelingen waar opleidelingen in de praktijk tegenaan liepen, een belangrijk onderdeel vormde van de specialisatieopleiding. Daarnaast begeleidde de supervisor de opleideling op persoonlijk vlak om leerdoelen te bereiken, feedback op het functioneren te geven en vertrouwelijk te spreken over eventuele twijfels en moeilijkheden. Het feit dat mevrouw Van den Broek vanwege haar achtergrond conclusies heeft getrokken, kan [geïntimeerde] niet worden verweten. [geïntimeerde] heeft slechts gesproken over en in het kader van haar opleidingssituatie.

3.8.3.

Het hof overweegt als volgt. In de opleidingsovereenkomst zijn [appellante] en [geïntimeerde] overeengekomen:

Bij de uitleg van deze bepaling zal ook de Haviltex-maatstaf worden toegepast. Zoals hiervoor (in rov. 3.7.3) al is overwogen, zijn de opleidingsovereenkomst en de maatschapsovereenkomst onlosmakelijk met elkaar verbonden. Deze overeenkomsten kunnen verder ook niet los gezien worden van de driepartijenovereenkomst tussen [appellante] , Rino en [geïntimeerde] . De opleiding van een psychotherapeut wordt vorm gegeven in de verhouding tussen het opleidingsinstituut Rino in nauwe samenwerking met POI [appellante] en opleideling [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] was dus in opleiding bij [appellante] en moest zelfs om tot verdere ontwikkeling te kunnen komen, als psycholoog in opleiding. informatie over interne aangelegenheden delen met Rino. Dit is ook erkend door [appellante] . Dit betekent dat artikel 1.4 [geïntimeerde] niet kan en mag belemmeren in het delen van essentiële informatie in het kader van haar opleiding, zoals zij in dit geval heeft gedaan. De door [appellante] aangevoerde berichten tonen ook niet meer dan informatiedeling vanwege de overgang naar een nieuwe POI. Het hof volgt [appellante] dan ook niet in haar standpunt dat het beding zo moet worden uitgelegd dat [geïntimeerde] in haar contacten met GGz het beding heeft overtreden. Grief 4 faalt dus.

het geschillenbeding

3.9.1.

Met grief 5 brengt [appellante] naar voren dat [geïntimeerde] artikel 5 uit de opleidingsovereenkomst en artikel 18 van de driepartijenovereenkomst heeft geschonden door geen enkele inspanning te verrichten om te komen tot overleg met [appellante] . [geïntimeerde] betwist dit gemotiveerd.

3.9.2.

Het hof overweegt dat de voornoemde Haviltex-maatstaf leidt tot het betrekken van alle drie de overeenkomsten bij de uitleg van deze bedingen (zie rov. 3.2 onder e). Als eerste is van belang dat de maatschapsovereenkomst de mogelijkheid geeft tot het opzeggen van de overeenkomst met een opzegtermijn van drie maanden. Dat er dus vóór het afronden van de opleiding een einde zou kunnen komen aan de verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde] , zijn partijen uitdrukkelijk overeengekomen. De betekenis van de beide bepalingen die overleg voorschrijven voordat de gang naar de rechter (opleidingsovereenkomst) c.q. de Geschillencommissie (driepartijenovereenkomst) wordt gemaakt, moet dan ook gezien worden in dat licht. Het is een inspanningsverbintenis om te bewerkstelligen in goed overleg in een korte tijd tot een einde van de overeenkomst kunnen komen, om (naar het hof aanneemt) de opleiding niet nodeloos te laten stagneren.

Het hof constateert dat het echter niet [geïntimeerde] is geweest die een procedure is gestart bij de rechtbank, maar [appellante] . Uit het voorgaande volgt geen sprake is van een schending door [geïntimeerde] van artikel 5 van de opleidingsovereenkomst en artikel 18 van de drie partijenovereenkomst. Ook grief 5 in het principaal hoger beroep faalt.

3.9.3.

Grief 6 van [appellante] wordt hierna besproken en grief 7 ontbreekt.

onrechtmatige daad

3.10.1.

Met grief 8 verwijt [appellante] [geïntimeerde] dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door vanaf begin februari 2015 tot eind juni 2015 bewust alle communicatie over de overstap naar GGz achter te houden. [appellante] is als POI de schakel tussen Rino als opleidingsinstelling en [geïntimeerde] .

3.10.2.

[geïntimeerde] betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Zij had het recht om tussentijds de maatschapsovereenkomst op te zeggen. [geïntimeerde] is in gesprek gegaan met [appellante] in elk geval vanaf medio november 2014, maar [appellante] heeft daar niets mee gedaan. Daarna is [geïntimeerde] gaan praten met Rino, aldus [geïntimeerde] .

3.10.3

Het hof verwijst naar rov. 3.8.3 waarin is overwogen dat [geïntimeerde] om tot verdere ontwikkeling te kunnen komen, als psycholoog in opleiding informatie over interne aangelegenheden kon en moest delen met Rino en dat dit ook is erkend door [appellante] . Dit betekent dat juist ook overleg buiten medeweten van [appellante] noodzakelijk zou kunnen zijn. [appellante] heeft onvoldoende onderbouwd dat er desondanks in een door [geïntimeerde] ervaren onveilig opleidingsklimaat bij [appellante] , sprake is van een onrechtmatige daad jegens [appellante] . Zo is niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] de informatie bewust heeft achtergehouden om [appellante] te benadelen. Ook overigens is hiervan niet gebleken. Grief 8 faalt ten opzichte van [geïntimeerde] . Grief 8 richt zich ook tegen Rino. Dat komt hierna aan de orde.

het geschil [appellante] - Rino

3.11.1.

[appellante] heeft grief 6 gericht tegen Rino. [appellante] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van wanprestatie door Rino jegens [appellante] . Rino heeft in strijd met het bepaalde in artikel 16 lid eerste punt van de driepartijenovereenkomst, reeds in maart 2015 GGz actief benaderd. Rino had op grond van de driepartijenovereenkomst met [appellante] in gesprek moeten gaan of anders de geschillenregeling moeten toepassen in plaats van [appellante] volledig in het duister te doen tasten. Rino had zich geen actieve rol mogen aanmeten door voor [geïntimeerde] te gaan bemiddelen bij concurrent GGz, zo stelt [appellante] .

3.11.2.

Rino voert aan dat [appellante] er zelf voor heeft gekozen om het geschil niet aan de Geschillencommissie voor te leggen, maar aan de rechtbank. De reden daarvoor is vermoedelijk, zo stelt Rino, dat artikel 18 van de driepartijenovereenkomst en de geschillen waar deze bepaling over spreekt niets van doen hebben met het onderhavige geschil. De driepartijenovereenkomst zag met name op de wijze van invulling van de opleiding. De aard van de problemen tussen [appellante] en [geïntimeerde] zagen niet op enige bepaling van de driepartijenovereenkomst, althans [appellante] stelt en onderbouwt niet concreet welk artikel uit de driepartijenovereenkomst zou zijn geschonden waardoor artikel 18 gevolgd had moeten worden. Verder is de stelling van [appellante] onbegrijpelijk dat Rino artikel 16 eerste punt van de driepartijenovereenkomst zou hebben geschonden door in maart 2015 GGz te hebben benaderd. De strekking van artikel 16 eerste punt is dat continuering zinledig zou zijn wanneer [geïntimeerde] niet meer werkzaam was bij [appellante] .

3.11.3.

Het hof overweegt dat uit de driepartijenovereenkomst blijkt dat Rino onder meer als taak had om het opleidingstraject van [geïntimeerde] te bewaken. Dat Rino dit onjuist zou hebben gedaan, is niet gebleken. Uit de e-mail van Rino van 17 maart 2015 (rov. 3.2 onder i) volgt dat zij met [appellante] aandachtspunten heeft besproken en dat er voor haar geen reden was om te adviseren dat [geïntimeerde] voor haar opleiding beter kon overstappen naar een andere opleiding. Volgens Rino liet dat onverlet dat [geïntimeerde] om haar moverende redenen daar zelf voor kon kiezen en kon zij die mogelijke overstap ondersteunen. [geïntimeerde] heeft uiteindelijk zelf voor een overstap naar GGz gekozen. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd volgt uit artikel 16 eerste punt van de driepartijenovereenkomst niet dat het Rino niet vrij stond om GGz hierover te benaderen. De omstandigheid dat [appellante] zich niet tot de Geschillencommissie heeft gewend, maar de onderhavige procedure is gestart omdat zij het niet eens was met de manier waarop jegens haar is gehandeld, kan [geïntimeerde] en Rino niet worden verweten. Dit betekent dat ook grief 6 faalt.

3.12.1.

Met grief 8 verwijt [appellante] Rino dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door buiten haar medeweten om een overstap van [geïntimeerde] naar GGz te bewerkstelligen en te realiseren en door vanaf begin februari 2015 tot eind juni 2015 bewust alle communicatie over de overstap naar GGz achter te houden. [appellante] is als POI de schakel tussen Rino als opleidingsinstelling en [geïntimeerde] . Verder stelt [appellante] dat Rino misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt (artikel 3:13 BW) door te dreigen met stappen richting intrekking van de erkenning als POI.

3.12.2.

Rino voert aan dat [geïntimeerde] met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden de maatschaps- en opleidingsovereenkomst met [appellante] mocht opzeggen. De schade die [appellante] pretendeert te hebben, is hooguit veroorzaakt door de opzegging en niet doordat Rino nagelaten zou hebben om [appellante] eerder over de overstap te informeren. Het causaal verband ontbreekt. Bovendien heeft Rino [appellante] wel geïnformeerd alvorens [geïntimeerde] de beslissing tot opzegging nam. Het ‘meewerken aan een overgang’ van [geïntimeerde] door Rino naar GGz heeft enkel daaruit bestaan dat Rino bereid was de opleiding van [geïntimeerde] te continueren ook als zij zou overstappen naar GGz. Dat Rino ook heeft bemiddeld om GGz bereid te vinden [geïntimeerde] aan te nemen, staat los van de autonome beslissing van [geïntimeerde] om vervolgens daadwerkelijk over te stappen.

Over het gestelde misbruik van bevoegdheid voert Rino aan dat de discussie over het concurrentiebeding van [geïntimeerde] niet het enige was dat speelde tussen [appellante] en Rino. Dit was slechts de druppel. De gebrouilleerde relatie heeft er toe geleid dat Rino te kennen heeft gegeven niet meer te willen samenwerken met [appellante] .

3.12.3.

Het hof overweegt dat Rino de postacademische beroepsopleiding tot psychotherapeut organiseerde en verantwoordelijk was voor de toetsing van de psychotherapeut in opleiding (artikelen 3 en 6 van de driepartijenovereenkomst). Uit de eigen stellingen van [appellante] volgt dat Rino in de praktijk de uitvoering van de opleiding verzorgde, POI’s visiteerde en controleerde en regelgeving handhaafde. Hieruit volgt dat Rino gehouden was om signalen van [geïntimeerde] over de onvrede over haar opleiding bij [appellante] te onderzoeken en waar mogelijk mee te denken en mee te werken aan een oplossing. Rino heeft op 17 maart 2015 een werkbezoek gebracht aan [appellante] en dat als positief ervaren. Rino heeft destijds aan [geïntimeerde] laten weten dat zij geen reden zag om in te stemmen met een overstap (zie rov. 3.2 onder i). Dat er voor Rino tot die tijd geen aanleiding was om mededelingen te doen aan [appellante] over de klachten van [geïntimeerde] , is naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig. Dat Rino nadat duidelijk was geworden dat [geïntimeerde] haar opleiding niet wilde voortzetten bij [appellante] , het initiatief aan [geïntimeerde] heeft gelaten om mededeling te doen van haar keuze tot opzegging is, mede gelet op het feit dat [geïntimeerde] in de bewuste periode vier weken met vakantie was, niet geheel onbegrijpelijk en daarom zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te kwalificeren als onrechtmatig jegens [appellante] .

3.12.4.

Ten aanzien van het gestelde misbruik van bevoegdheid onderkent het hof dat een intrekking van de erkenning van een POI ingrijpende gevolgen voor [appellante] met zich mee konden brengen. Dat maakt naar het oordeel van het hof evenwel niet dat Rino misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt in de zin van artikel 3:13 BW. Daarbij weegt zwaar dat volgens Rino de discussie over het concurrentiebeding van [geïntimeerde] niet het enige was wat tussen hen speelde, maar dat dat de druppel vormde die ertoe leidde dat Rino te kennen gaf niet meer met [appellante] te willen samenwerken. [appellante] heeft niet ontkend dat de relatie met Rino gebrouilleerd is geraakt. In deze omstandigheden is dus niet een van de in de wet genoemde gevallen van misbruik van recht aan de orde. Te weten: (1) uitoefening van een bevoegdheid met geen ander doel dan een ander te schaden (2) uitoefening met een ander doel dan waartoe de bevoegdheid is verleend of (3) dat de bevoegde persoon in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen gediend en geschaad belang. Ook overigens heeft [appellante] onvoldoende gesteld om van misbruik van recht van Rino uit te kunnen gaan. Grief 8 in principaal hoger beroep faalt dus eveneens ten opzichte van Rino.

het geschil [appellante] - GGz

3.13.1.

[appellante] stelt in grief 9 dat GGz onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] door te profiteren van de wanprestatie van zowel [geïntimeerde] als Rino. GGz kent de inhoud van de contracten, omdat zij deze contracten ook zelf heeft met Rino. GGz is ook op de hoogte van zowel de wanprestatie van [geïntimeerde] ten aanzien van haar concurrentiebeding, als van Rino ten opzichte van artikel 16.1 onder 1 van de driepartijenovereenkomst. Daarbij is GGz vertegenwoordigd in het bestuur van Rino. De Raad van Bestuur van GGz is betrokken geweest bij het proces. GGz had enkel plaats voor [geïntimeerde] als aanspraak kon worden gemaakt op de subsidie die tot dan aan [appellante] verbonden was. GGz heeft de wanprestatie van [geïntimeerde] mede uitgelokt door een actieve rol te spelen en door maanden van overleg, aldus nog steeds [appellante] .

3.13.2.

GGz voert aan dat het eerste contact tussen [geïntimeerde] en GGz tot stand is gekomen door een telefoontje van de supervisor die getoetst wilde hebben of haar oordeel klopte over het opleidingsklimaat en de positie van [geïntimeerde] en de positie van [geïntimeerde] bij [appellante] . Er is binnen GGz inderdaad intern overleg geweest om te bespreken of voldaan kon worden aan dit verzoek voor een second opinion. GGz betwist dat zij door haar eigen overeenkomsten met Rino op de hoogte was van de inhoud van de overeenkomsten van [appellante] waaronder het concurrentiebeding. In elk geval staat in hun eigen contracten geen concurrentiebeding. GGz heeft niet geprofiteerd van wanprestaties. Deze wanprestaties zijn er ook niet. Er zijn ook geen bijkomende omstandigheden. GGz heeft zich louter door het belang van [geïntimeerde] laten leiden en zich aangesproken gevoeld als grote POI in de regio. De subsidie heeft hier geen enkele rol in gespeeld.

3.13.3.

Het hof overweegt dat uit voorgaande overwegingen volgt dat geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten door [geïntimeerde] of Rino. Dit betekent dat het verwijt tot het uitlokken van een wanprestatie of het profiteren van een wanprestatie zonder grondslag is. Voor het anderszins aannemen van onrechtmatig handelen heeft [appellante] onvoldoende gesteld. Grief 9 in principaal hoger beroep faalt.

3.14.1.

In incidenteel hoger beroep heeft GGz haar grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het concurrentiebeding in het maatschapscontract rechtsgeldig is overeengekomen. GGz meent dat de rechtbank een te beperkte toets heeft aangelegd, omdat POI’s te allen tijde moeten voldoen aan de erkenningseisen. GGz stelt dat de voorwaarde weliswaar op 1 januari 2014 aan de erkenningseisen is toegevoegd, maar dat sluit directe werking van dit verbod niet uit en neemt niet weg dat concurrentiebedingen in bestaande contracten per direct niet meer geldig waren. Verder moet bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het concurrentiebeding meegewogen worden dat geen onderhandeling mogelijk was bij het contract en zo’n beding drie maanden na tekening werd verboden. [appellante] heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.

3.14.2.

Het hof overweegt dat er geen aanleiding is af te wijken van de hoofdregel ‘pacta sunt servanda’ (overeenkomsten moeten worden nagekomen). Niet gebleken is dat ten tijde van het ondertekenen van de maatschapsovereenkomst met het concurrentiebeding (artikel 7) sprake was van een wilsgebrek aan de zijde van [geïntimeerde] . De door GGz genoemde ‘gevoelde druk’ bij het tekenen van de overeenkomst is daarvoor onvoldoende. Dat korte tijd na tekening van de overeenkomst, de erkenningseisen zijn gewijzigd, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat het concurrentiebeding tussen [appellante] en [geïntimeerde] niet rechtsgeldig zou zijn overeengekomen. Deze omstandigheid maakt echter wel mede dat [appellante] geen beroep op het beding toekomt, zoals is overwogen in rov. 3.7.3. De conclusie is dat de incidentele grief faalt.

slotsom

3.15.1.

Het door partijen gedane bewijsaanbod, voor zover nog niet besproken, is niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

3.15.2.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen in het principale hoger beroep, althans dat het hof aan die grieven voorbijgaat, evenals de grief in het incidentele hoger beroep van GGz. De onvoorwaardelijke grief in incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt en brengt een wijziging in het dictum mee zoals hieronder staat opgenomen. Deze wijziging leidt niet tot een andere beslissing over de proceskosten in eerste aanleg, omdat [appellante] daartoe al was veroordeeld als de overwegend in het ongelijk gestelde partij.

3.15.3.

[appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het principale hoger beroep en het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde] , omdat [appellante] in het ongelijk is gesteld.

3.15.4.

GGz zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van haar incidentele hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde] en GGz

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover de rechtbank de verklaring voor recht in rov. 4.1 heeft toegewezen;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst (in conventie) de vordering van [appellante] om voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] door met ingang van 1 september 2015 bij GGz in dient te treden heeft gehandeld in strijd met het in artikel 7 van de maatschapsovereenkomst tussen haar en [appellante] overeengekomen concurrentiebeding alsnog af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

op het principaal hoger beroep

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden:

- aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.628,-- aan griffierecht en op € 14.553,-- aan salaris advocaat;

- aan de zijde van Rino op € 5.200,-- aan griffierecht en op € 9.834,-- aan salaris advocaat;

- aan de zijde van GGz op € 5.200,-- aan griffierecht en op € 9.834,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 163,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 248,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat de bedragen van € 5.200,-- en € 9.834,-- binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en het bedrag van € 163,-- binnen veertien dagen na de datum van dit arrest dan wel het bedrag van € 248,-- vermeerderd met explootkosten binnen veertien dagen na de dag van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

op het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde]

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 1.671,-- aan salaris advocaat;

en voor wat betreft de nakosten op € 163,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 248,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat het bedragen van € 7.276,50 binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en het bedrag van € 163,-- binnen veertien dagen na de datum van dit arrest dan wel het bedrag van € 248,-- vermeerderd met explootkosten binnen veertien dagen na de dag van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

op het incidenteel hoger beroep van GGz

veroordeelt GGz in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 1.671,-- aan salaris advocaat;

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Smorenburg, H.K.N. Vos en J. van der Steenhoven en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 april 2021.

griffier rolraadsheer