Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:994

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
200.272.307_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : (bij vervroeging) 19 maart 2020

Zaaknummer : 200.272.307/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/266506 / FA RK 19-2554

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S. Mestrini,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland,

verweerder in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de raad,

en

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. P. Winkens.

Als overige belanghebbenden worden aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling));

- [de pleegouders] , de grootouders van vaderszijde (hierna te noemen: de pleegouders).

Deze zaak gaat over de minderjarigen

[minderjarige 1] , geboren [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , en

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 november 2019.

2 Het geding in principaal en incidenteel hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 januari 2020, heeft de vader verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair: voormelde beschikking deels te vernietigen en het verzoek van de raad om het gezag van de vader over de hierna nader te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen, alsnog af te wijzen;

- subsidiair: voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij de GI tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is benoemd, en de grootouders (vz), te weten [de pleegouders] , met de voogdij over deze kinderen te belasten.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 februari 2020, heeft de moeder verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen.

Tevens heeft de moeder incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht voormelde beschikking deels te vernietigen en het verzoek van de raad om het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te beëindigen alsnog af te wijzen.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel hoger beroep, ingekomen ter griffie op 21 februari 2020, heeft de vader verzocht, zo begrijpt het hof, het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Mestrini;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de moeder, bijgestaan door mr. Winkens;

- [de pleegvader] , de pleegvader.

2.4.1.

De GI en de pleegmoeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 15 oktober 2019;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader van 20 januari 2020;

  • -

    de brief van de raad van 10 juli 2019 met als bijlage het rapport van de raad van 9 juli 2019.

3 De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep

Feiten

3.1.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die in 2014 is verbroken. Uit deze relatie zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

De vader heeft de kinderen erkend.

3.2.

[minderjarige 1] verblijft sinds december 2014 in het pleeggezin van de grootouders (vz) en [minderjarige 2] sinds medio januari 2015. De kinderen hebben sinds 20 oktober 2015 onder toezicht van de GI gestaan.

Sinds 20 oktober 2015 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst (bij de grootouders).

Nadat zij een korte periode bij de moeder zijn teruggeplaatst (vanaf 29 april 2016 tot 18 juli 2016) verblijven zij (wederom op grond van een machtiging uithuisplaatsing) sinds medio juli 2016 onafgebroken bij de grootouders (vz).

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de vader en de moeder over de kinderen beëindigd en de GI tot voogdes over hen benoemd.

3.4.

De vader kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover daarbij zijn gezag over de kinderen is beëindigd en hij is hiervan in zoverre in hoger beroep gekomen.

De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen voor zover daarbij haar gezag over de kinderen is beëindigd en zij is hiervan in zoverre in hoger beroep gekomen.

Standpunten

3.5.

De vader voert - samengevat - het volgende aan.

De kinderen worden niet ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij doen het goed op school en zijn actief in het sociale leven.

Beëindiging van het gezag is niet noodzakelijk om de kinderen duidelijkheid over hun toekomstperspectief te bieden. De vader verzet zich niet tegen het verblijf van de kinderen bij de pleegouders. Voor de kinderen is dan ook duidelijk dat zij in het pleeggezin mogen blijven wonen. Bij voortzetting van de uithuisplaatsing lopen de kinderen geen ontwikkelingsschade op.

In de toekomst moet een natuurlijke doorgroei naar een permanent verblijf bij de vader mogelijk zijn, te meer nu er volgens de raad geen opvoedperspectief bij de moeder ligt.

De vader is op termijn in staat om de verzorging en opvoeding van de kinderen voor zijn rekening te nemen. De vader heeft zijn leven op orde. Hij heeft vast werk en ziet de kinderen dagelijks bij de pleegouders. Structureel verblijven de kinderen iedere woensdagmiddag alsmede een weekend per veertien dagen vanaf vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de vader. De contacten tussen de vader en de kinderen verlopen goed. De vader is ook betrokken bij de begeleiding en de ondersteuning die de kinderen krijgen.

De vader betwist met klem dat hij niet leerbaar is, zoals de rechtbank heeft overwogen. Hij heeft altijd getracht de communicatie met de moeder op peil te houden.

Het verzoek van de raad is prematuur. De aanvaardbare termijn is nog niet verstreken. Er is nog niet onderzocht of het opvoedperspectief van de kinderen bij de vader kan liggen. Ook volgt [minderjarige 1] nog steeds therapie.

Het toekomstperspectief van de kinderen ligt niet bij de moeder. Zij is niet leerbaar gebleken. Door de zorgelijke thuissituatie bij de moeder zijn de kinderen uithuisgeplaatst. De moeder heeft een tweede kans gekregen toen de kinderen later bij haar zijn teruggeplaatst, maar zij heeft deze kans niet gegrepen. De omgang tussen de moeder en de kinderen is nu zeer beperkt.

Subsidiair meent de vader dat in geval van een beëindiging van het gezag van de ouders de voogdij bij de pleegouders dient te komen liggen. Zij zijn momenteel de feitelijke opvoeders. De pleegouders zullen er alles aan doen om het contact tussen de moeder en de kinderen zo goed mogelijk te laten verlopen.

3.6.

De moeder voert - samengevat - het volgende aan.

Aan het wettelijke criterium voor een beëindiging van het gezag is niet voldaan.

De door de wet genoemde aanvaardbare termijn is nog niet verstreken. De moeder heeft niet de gelegenheid gehad om aan te tonen dat zij op termijn voor de kinderen kan zorgen. De moeder is wel degelijk leerbaar. De kinderen zijn immers aanvankelijk bij haar teruggeplaatst. Buiten haar schuld zijn de kinderen vervolgens weer uithuisgeplaatst.

De moeder zit nu nog in een herstelproces. Door de zeer kort durende bezoekmomenten zijn de opvoedcapaciteiten van de moeder niet voldoende in beeld gebracht. In de nabije toekomst kan de moeder de kinderen mogelijk bieden wat zij nodig hebben.

Zij heeft een eengezinswoning. De contacten met de kinderen zouden ook in haar woning kunnen plaatsvinden. De moeder wil een uitbreiding van de contactmomenten.

Door een voortzetting van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing lopen de kinderen geen schade op. Voor hen is namelijk duidelijk dat zij op korte termijn niet teruggaan naar de vader of de moeder. De vader is niet in staat om de kinderen op te voeden. Binnen een aanvaardbare termijn ligt bij hem geen opvoedperspectief.

In geval het gezag van de ouders wel wordt beëindigd, dient de GI de voogdij te krijgen. Het contact tussen de moeder enerzijds en de pleegouders en de vader anderzijds is zeer moeizaam. De moeder heeft er geen vertrouwen in dat zij een reële plek krijgt in het leven van de kinderen indien de grootouders met de voogdij worden belast.

3.7.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd en het hof verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

3.8.

De pleegvader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat het goed gaat met de kinderen. De pleegouders willen graag met de voogdij over de kinderen worden belast.

Wettelijke regeling

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

Motivering van het hof

3.9.2.

Met de raad is het hof van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, lid 1 sub a, BW is voldaan. Het hof overweegt als volgt.

3.9.3.

Anders dan de vader is het hof van oordeel dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Uit het rapport van de raad blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op jonge leeftijd al veel hebben meegemaakt. Met name [minderjarige 1] heeft hulp nodig bij het verwerken van een opgelopen trauma. Dit uit zich bij hem in problemen met het reguleren van agressie en het accepteren van autoriteit. [minderjarige 1] laat kenmerken zien van een onveilige hechting. Daarnaast worden de kinderen, met name door de moeder, belast met zaken voor volwassenen. Ook de loyaliteitsproblematiek is een bedreiging voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. [minderjarige 2] kopieert het gedrag van [minderjarige 1] en vanuit school zijn er zorgen over zijn didactische ontwikkeling.

De kinderen zijn, met een korte onderbreking, al ruim vijf jaar uithuisgeplaatst. Zij zijn in oktober 2015 onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst, omdat het ontbrak aan de minimaal noodzakelijke rust, regelmaat en structuur die hele jonge kinderen nodig hebben. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben door hetgeen zij in het verleden hebben meegemaakt meer nodig dan een gemiddeld kind. [minderjarige 1] volgt al geruime tijd speltherapie bij [instelling] . Daarvóór had hij therapie om zijn trauma’s te verwerken en om zijn emoties te reguleren.

Met de raad is het hof van oordeel dat de door de wet bedoelde aanvaardbare termijn voor beide kinderen is verstreken. Uit het rapport van de raad blijkt dat de ouders de kinderen, gelet ook op hun kind eigen problematiek, op dit moment niet kunnen bieden wat zij nodig hebben. De ouders beseffen dit ook, maar zij vragen meer tijd om te laten zien dat zij in de toekomst mogelijk wel in staat zijn om voor de kinderen te zorgen. Het hof wijst er op dat het bij het bepalen van de aanvaardbare termijn niet gaat om de tijd die ouders nodig hebben om in staat te zijn hun kinderen adequaat te verzorgen en opvoeden, maar om de periode van onzekerheid over het opvoedperspectief die de kinderen kunnen overbruggen zonder meer schade voor hun ontwikkeling op te lopen. Op grond van de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling is het hof met de raad van oordeel dat het toekomstperspectief van de kinderen binnen een afzienbare termijn niet bij de ouders ligt.

De moeder heeft maar zeer beperkt omgang met de kinderen en volgens het raadsrapport verlopen deze omgangsmomenten wisselend. Ondanks dat de moeder in haar eigen proces gegroeid is, laat zij weinig groei zien ten aanzien van haar opvoedvaardigheden en het kunnen aansluiten bij de kinderen.

De vader neemt een behoorlijk deel van de opvoeding en de verzorging van de kinderen voor zijn rekening, maar hij leunt daarbij zeer op zijn moeder, zo blijkt uit het raadsrapport. De vader heeft ook maar in beperkte mate zijn betrokkenheid getoond bij de hulpverlening voor [minderjarige 1] . Onduidelijk is of de vader voldoende opvoedcapaciteiten heeft of kan ontwikkelen om zelfstandig voor de kinderen te zorgen en met name [minderjarige 1] de extra zorg te bieden die hij nodig heeft. De kinderen kunnen daar echter niet op wachten. Bij hen zorgt de onduidelijkheid over hun woonperspectief voor onrust. Dit kan leiden tot stagnatie van hun ontwikkeling.

Door het gezag van de ouders te beëindigen wordt aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de voor hen zo noodzakelijke duidelijkheid gegeven dat zij bij de pleegouders kunnen blijven wonen, zodat zij in rust aan hun ontwikkelingstaken kunnen toekomen. Ook voor de ouders en de grootouders schept een dergelijke maatregel duidelijkheid. Dat de ouders zich op dit moment niet verzetten tegen de uithuisplaatsing van de kinderen is voor het verschaffen van de duidelijkheid voor de kinderen dat zij bij de pleegouders kunnen blijven wonen, ontoereikend.

Met de raad is het hof ten slotte van oordeel dat het belang van de kinderen het meest wordt gediend wanneer de GI met de voogdij over de kinderen belast wordt. Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder een moeizaam contact heeft met de grootouders. Weliswaar zijn de grootouders tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank teruggekomen op hun -bij de raad ingenomen- standpunt dat zij niet open staan voor contact met de moeder, maar deze verandering van standpunt is vrij recent. Het is dan ook nog niet duidelijk of deze koerswijziging van de grootouders bestendig is. Ook de vader communiceert niet of nauwelijks met de moeder. Gelet op een en ander acht het hof de kans te groot dat wanneer de grootouders met de voogdij worden belast de moeder geen reële plek in het leven van de kinderen krijgt. Dit zou schadelijk zijn voor de ontwikkeling van de kinderen en daarom in strijd met de belangen van de kinderen. Het hof acht het in deze situatie in het belang van de kinderen noodzakelijk dat er een onafhankelijke instantie zoals de GI betrokken is, die de belangen van de kinderen door middel van het uitoefenen van de voogdij behartigt.

Conclusie

3.10.

Nu uit het voorgaande volgt dat de ouders hun grieven tevergeefs hebben voorgedragen, zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 november 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma - Beversluis, C.N.M. Antens en

H. van Winkel en is bij vervroeging op 19 maart 2020 uitgesproken in het openbaar

door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.