Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:992

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
200.270.082_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beslissing rechtbank inzake ondertoezichtstelling. De kinderen zitten knel tussen strijdende ouders. hulpverlening vrijwillig kader ontoereikend. Hulpverlening zet in op parallel ouderschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 19 maart 2020

Zaaknummer : 200.270.082/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/361231 / JE RK 19-1430

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L. van der Steen,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling),

en

- [de vader],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.J. Lauwen.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] en

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 4 september 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 december 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI tot ondertoezichtstelling van de kinderen alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 januari 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

Gelijktijdige mondelinge behandeling

2.3.1.

De moeder is op 16 januari 2020 tevens in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 17 oktober 2019 met zaaknummer C/02/358789/ FA RK 19-2585 over het ouderlijk gezag over de kinderen en verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Dat hoger beroep is door de griffie geadministreerd onder zaaknummer 200.272.528/01. De mondelinge behandeling van dat hoger beroep heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak.

Het hof beslist bij afzonderlijke beschikking in dat hoger beroep.

2.3.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 februari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    partijen, bijgestaan door hun advocaten;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager heer [de huidige gezinsmanager] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.3.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 7 januari 2020. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 4 september 2019;

  • -

    het V-formulier van 9 december 2019 met bijlagen van de advocaat van de moeder;

  • -

    het V-formulier van 12 december 2019 met bijlagen van de advocaat van de moeder.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn van 11 november 2011 tot 28 mei 2018 met elkaar getrouwd geweest. Voorafgaand aan dit huwelijk zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1]), geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] en

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2]), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Er is gezamenlijk gezag en een verdeling van de zorg- en opvoedtaken waarbij de kinderen, kort gezegd, de helft van de tijd bij de vader verblijven.

3.2.

De kinderen zijn in het verleden onder toezicht gesteld met ingang van 10 augustus 2017. Deze ondertoezichtstelling is door de rechtbank – op verzoek van de GI – bij beschikking van 23 juli 2018 tussentijds opgeheven.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de raad de kinderen opnieuw onder toezicht gesteld met ingang van 4 september 2019 tot 4 september 2020.

3.4.1.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar beroepschrift voert zij, samengevat, het volgende aan.

De echtscheiding is zeer conflictueus verlopen en de verhouding tussen de ouders is nog immer slecht. De oudercommunicatie is tijdens de eerdere ondertoezichtstelling niet verbeterd. De GI is destijds niet voortvarend opgetreden. De moeder heeft klachten ingediend tegen de GI die voor een groot deel gegrond zijn verklaard. De ondertoezichtstelling is beëindigd door de rechtbank omdat die contraproductief bleek te zijn. Begin 2019 vond overleg plaats bij de Beschermtafel. Bij dat overleg werd duidelijk dat de Beschermtafel geen meerwaarde zag in een nieuw onderzoek door de raad. De Beschermtafel heeft geadviseerd dat het belangrijk is dat de ouders zich richten op hun eigen situatie, verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen situatie en de situatie bij de andere ouder loslaten en dat de ouders een manier moeten vinden waardoor de communicatie tussen hen zo minimaal en zo neutraal mogelijk kan zijn, alleen gericht op afspraken.

Er zit geen vooruitgang in de ondertoezichtstelling en er valt niet te verwachten dat de ondertoezichtstelling op korte en aanvaardbare termijn wel effect zal sorteren. Sinds augustus 2017 is er sprake van inmenging van de raad, de GI en diverse hulpverleningsinstanties in het leven van de moeder en de kinderen. De ondertoezichtstelling is schadelijk voor de kinderen. De kinderen moeten na vele jaren van onrust, spanningen en tal van hulpverleners uit de wind gehouden worden.

3.4.2.

De moeder heeft hier tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, aan toegevoegd dat het goed gaat met haar kinderen. Zij vindt de ondertoezichtstelling heel kwalijk: iets wat goed gaat, moet je niet verstoren. Bovendien vinden haar kinderen het niet fijn om met nog meer hulpverleners in gesprek te gaan. De moeder denkt dat parallel ouderschap geen kans van slagen heeft. Nu gaat het al niet, omdat de bestaande afspraken niet worden nagekomen. Bij de eerdere ondertoezichtstelling in 2017 is veel hulpverlening ingezet en dat heeft niet tot een noemenswaardig resultaat geleid. De communicatie tussen de ouders blijft slecht. De moeder wil niet het parallel ouderschap proberen en als het niet werkt ‘dan maar’ de schottenaanpak. Zij werkt altijd volledig mee en is heel flexibel, want zij wil dat alles goed wordt geregeld voor haar kinderen. Zij bemoeit zich niet met de kinderen als zij bij hun vader zijn, maar dit doet zij wel als het om hun veiligheid gaat. Het klopt dat de kinderen knel zitten. De moeder zal meewerken met Stichting [stichting] als haar kinderen niet worden geschaad.

3.5.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, het volgende verweer gevoerd.

Beide ouders zijn betrokken bij de kinderen. Alles valt of staat met het besef dat het niet goed gaat met de kinderen en de intrinsieke motivatie van de ouders. De ernstige ontwikkelingsbedreiging is er nog en de ondertoezichtstelling is nodig. In de gesprekken met de kinderen, hoor je volwassen zaken terug.

3.6.1.

De GI voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder heeft een klacht ingediend over de gang van zaken. Op 27 november 2019 is een jeugdzorgwerker toegewezen. De belangrijkste zorg is dat de ouders niet constructief met elkaar communiceren en de kinderen niet buiten de strijd weten te houden. Er is onvoldoende draagvlak voor oudergesprekken terwijl de schottenaanpak wordt aangemerkt als een uiterste redmiddel. Met de ouders is overeenstemming bereikt over de inzet van de module parallel ouderschap.

Op uitdrukkelijk verzoek van de moeder heeft de GI ermee ingestemd dat er voorlopig geen individueel gesprek met de kinderen plaatsvindt.

3.6.2.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de GI hier, kort gezegd, het volgende aan toegevoegd.

De rechtbank had de GI de opdracht gegeven om met de ouders in gesprek te gaan over de schottenaanpak. De schottenaanpak is een krachtig middel dat veel van iedereen vraagt. Parallel ouderschap is één tree lager. De GI had het gevoel dat de ouders het eens waren over de inzet van parallel ouderschap. De GI laat de schotten nu rusten. Partijen zijn aangemeld bij Stichting [stichting] voor de module parallel ouderschap. Stichting [stichting] heeft de beste mogelijkheden om bij deze casus aan te sluiten. Onderdeel van deze module is dat een kindercoach wordt ingezet zodat de kinderen hun verhaal kunnen doen. Dat laatste ligt voor de moeder erg gevoelig. Zij vindt dat onnodig en bovendien te belastend voor de kinderen. Het onderdeel kindercoach vormt een vast onderdeel van de module parallel ouderschap bij Stichting [stichting] . De GI kan niet inschatten of er uiteindelijk méér nodig is dan een module parallel ouderschap. De ouders zijn het erover eens dat de kinderen knel zitten en dat zij last hebben van hun strijd. Dat is de grondslag voor de ondertoezichtstelling. Als het hof de ondertoezichtstelling bekrachtigt, kan de gezinsmanager zijn werk doen. De gezinsmanager heeft al concrete stappen gezet en een tweetal zorgen van de moeder aangepakt: [minderjarige 2] wordt nu in overleg met school op donderdag om 8.15 uur afgezet door de vader op het schoolplein en de gezinsmanager heeft in een gesprek met de grootouders bevestigd gezien dat zij de kinderen niet meer ophalen van school. Desondanks blijft de moeder deze onderwerpen ter sprake brengen en vraagt bijvoorbeeld aan de gezinsmanager wat de sancties voor de vader zijn als hij [minderjarige 2] toch om 8.00 uur op het schoolplein afzet.

3.7.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep, kort gezegd, het volgende verklaard.

De rechtbank heeft in de beschikking uitdrukkelijk de schottenaanpak benoemd, maar de vader sluit zich aan bij het voorstel en de inschatting van de gezinsmanager om parallel ouderschap in te zetten; de vader staat hier positief tegenover. Het is in het belang van de kinderen dat de communicatie verbetert; beide ouders moeten dat inzien. Het werkt nu niet. Of parallel ouderschap werkt, is afhankelijk van de inzet van de ouders. De vader hoopt dat het komt tot een betere communicatie tussen de ouders. Het is van belang dat de ondertoezichtstelling blijft. Alleen dan kan de moeder binnenboord worden gehouden. De kinderen komen graag bij hem. De vader heeft een vrijere opvoedstijl dan de moeder. De moeder wil vat hebben op de kinderen, ook in de tijd dat de kinderen bij hem verblijven. De kinderen hebben daar last van.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep weliswaar verklaard dat de kinderen knel zitten tussen de ouders, maar zij ziet geen ontwikkelingsbedreiging die de ondertoezichtstelling rechtvaardigt. Het hof volgt de moeder niet in dit standpunt. Uit het dossier is gebleken dat beide kinderen sterk emotioneel belast worden door de langdurige en heftige ex-partnerstrijd tussen hun ouders. Het hof ziet met name in het raadsrapport veel aanknopingspunten hiervoor. [minderjarige 1] heeft bijvoorbeeld tegen de raad gezegd dat ze denkt dat haar vader niet van haar houdt. Dit vindt het hof erg verontrustend, temeer nu het hof ziet dat beide ouders – dus ook de vader – juist veel van de kinderen houden en het beste met hen voor hebben.

3.8.3.

Beide ouders zijn bekleed met het gezag over de kinderen en hiervoor is het vereist dat zij met elkaar de communicatie aangaan zonder de kinderen hiermee te belasten. De voortdurende heftige strijd tussen de ouders toont aan dat dit hen zelf niet lukt. Vrijwillige noch gedwongen hulpverlening heeft er tot op heden toe geleid dat de ouders de strijdbijl hebben begraven. De professionele inzet van de GI binnen het kader van de ondertoezichtstelling vormt op dit moment een noodzakelijk middel om de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen weg te nemen, dan wel zoveel mogelijk te beperken. Het hof acht het van belang dat de gezinsmanager de komende tijd verder gaat inzetten op het parallel ouderschap en het vormgeven van de minimaal noodzakelijke communicatie tussen de ouders. Dit traject acht het hof op dit moment de meest aangewezen route. De rechtbank heeft weliswaar expliciet de schottenaanpak benoemd, maar het hof ondersteunt (ook) ten volle het traject parallel ouderschap nadat de gezinsmanager zijn denkwijze hierover met het hof heeft gedeeld. De gedachte achter het parallel ouderschap is dat beide ouders respectvol met elkaar omgaan zonder zich met elkaar te bemoeien. Ze dienen zich te focussen op hun kinderen en hun eigen relatie met hen, en niet met hun relatie ten opzichte van elkaar of het ouderschap van de ander, waarbij beide ouders leren elkaar te vertrouwen en de kinderen niet langer worden belast met onderliggende spanningen. Dit kunnen de ouders nu nog niet en het hof heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de ouders in het vrijwillig kader het tij kunnen keren. In het verleden was dat (nog) anders. De GI heeft medio 2018 het verzoek tot verlenging van de eerste ondertoezichtstelling ingetrokken, mede omdat beide ouders toen bereid bleken om vrijwillig naar Stichting [stichting] te gaan om te werken aan hun ouderproblematiek. Het hof is momenteel niet overtuigd van de bereidheid van de moeder om onvoorwaardelijk aan het traject parallel ouderschap mee te werken. Zij heeft immers nog voordat het traject is begonnen eenzijdig de voorwaarde daaraan verbonden dat de kinderen niet in gesprek mogen gaan met de kindercoach. Verder is het een punt van grote zorg dat de moeder bij herhaling heeft laten zien dat zij de hulpverlening en het gezag van de GI niet accepteert en haar eigen koers vaart. Ook nu: zij verhindert tot op heden dat de gezinsmanager in direct contact met de kinderen komt. De effectiviteit van een ondertoezichtstelling is echter in hoge mate afhankelijk van de medewerking van de ouders (in dit geval zeker ook de moeder) met de door de GI noodzakelijk geachte hulpverlening. Het hof wijst de moeder erop dat een ondertoezichtstelling niet vrijblijvend is en dat beide ouders zijn gehouden, de aanwijzingen van de GI op te volgen. Het hof geeft de moeder dan ook mee dat zij haar houding dient te veranderen, zodat de noodzakelijke hulpverlening effectief kan worden ingezet. Het moeizame verloop mag niet – nogmaals – leiden tot beëindiging van de ondertoezichtstelling. Uiteraard wordt ook van de vader gevergd dat hij zich inspant om de ondertoezichtstelling goed te laten verlopen. Kortom: om te waarborgen dat beide ouders (met name de moeder) de hulpverlening – in het bijzonder de hulpverlening van Stichting [stichting] die is gericht op parallel ouderschap – blijven accepteren, acht het hof de ondertoezichtstelling noodzakelijk en gerechtvaardigd in het belang van de kinderen.

3.8.4.

Het is positief dat beide ouders hun bereidheid hebben uitgesproken om mee te werken aan het traject parallel ouderschap en dat zij inmiddels zijn aangemeld bij Stichting [stichting] . Het hof rekent erop dat de ouders deze kans met beide handen aangrijpen en, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de hulpverlening accepteren en zich daarvoor ook openstellen teneinde een situatie te creëren waarbij de kinderen zich veilig en prettig voelen bij de moeder én de vader. Tot slot overweegt het hof dat de kinderen (en de ouders) in korte tijd al baat hebben gehad bij de inzet van de huidige gezinsmanager: de heer [de huidige gezinsmanager] . Zoals tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken, heeft de gezinsmanager in korte tijd twee zorgpunten van de moeder op voortvarende wijze aangepakt. Het hof hoopt dat de heer [de huidige gezinsmanager] opbouwend met de ouders kan blijven werken en dat het niet zover hoeft te komen dat ten aanzien van de kinderen een kinderbeschermingsmaatregel met een verdergaand karakter moet worden genomen.

3.8.5.

Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.D.M. Lamers en H. van Winkel en is op 19 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.