Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:983

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
200.256.130_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:11313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

personen- en familierecht; huwelijksvermogensrecht; uitleg vaststellingsovereenkomst (Haviltex); benadeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.256.130/01

arrest van 17 maart 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. F.H. Kuiper te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. R.M.H.H. Tuinstra te Maastricht,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 10 december 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/244885 / HA ZA 18-7 gewezen vonnis van 21 november 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 10 december 2019 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 8 januari 2020. Het hof heeft daarbij een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

Dit geschil gaat over de uitleg van art. 6.3. sub c (in samenhang met de overige toepasselijke artikelen) van de in juli 2015 door partijen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden opgestelde vaststellingsovereenkomst. Verder gaat het over de vordering van de vrouw om herstel van het door haar geleden nadeel.

6.2.

De rechtbank heeft vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

6.2.1.

Partijen zijn op 11 juli 1985 gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden.

6.2.2.

De vrouw heeft op 14 november 2012 een verzoek tot echtscheiding ingediend.

6.2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 4 september 2013 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 30 september 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

6.2.4.

In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en verdeling van een eenvoudige gemeenschap heeft de rechtbank Limburg beschikkingen gewezen op

5 november 2014 en 28 mei 2015. De vrouw is op 28 januari 2015 bij dit hof in tussentijds hoger beroep gekomen van de (tussen)beschikking van 5 november 2014.

6.2.5.

Partijen zijn op 3 juli 2015 in het kader van mediation tot overeenstemming gekomen over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, het woonhuis en een alimentatieregeling. Zij hebben de afspraken daarover vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Partijen zijn gedurende de mediation bijgestaan door hun (toenmalige) advocaten.

6.2.5.1. In de vaststellingsovereenkomst zijn de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 1

Aan [de man] wordt toebedeeld c.q. tot zijn vermogen behoren (alles naar peildatum 31 december 2012, behoudens de waarde van de polissen van levensverzekering als bedoeld onder b in verband met het bepaalde in artikel 6, en met verwijzing naar rov. 2.3.12 in de beschikking van de rechtbank Limburg van 5 november 2013 [het hof begrijpt hier: 2014]):

a. Het woonhuis [adres] , [postcode] te [plaats] (hierna: het woonhuis)

b. De rechten terzake de polissen van levensverzekering bij ASR onder nrs. [polis levensverzekering ASR 1] en [polis levensverzekering ASR 2]

(...)

d. De garantieverzekering bij ASR nummer [garantieverzekering ASR]

(...)

j. De schuldrest op de hypothecaire geldleningen betrekking hebbend op het woonhuis onder a. vernoemd.

(…)

Artikel 2

Aan [de vrouw] wordt toebedeeld c.q. tot haar vermogen behoren (alles naar peildatum 31 december 2012 en met verwijzing naar rov. 2.3.12 in de beschikking van de rechtbank Limburg van 5 november 2013):

(…)

Artikel 4

Partijen zijn overeengekomen dat [de man] een schuld uit overbedeling c.q. verrekening jegens [de vrouw] heeft. Partijen zijn tevens overeengekomen dat deze schuld afhangt van de werkelijke opbrengst van het woonhuis bij een verkoop voor uiterlijk 1 maart 2019 resp. van de taxatiewaarde van het woonhuis per 1 maart 2019 indien de woning dan nog niet is verkocht, en rekening houdende met de op dat moment geldende restschuld aan ASR. Zij zijn daartoe een variabele wijze van afrekening overeengekomen in combinatie met een partneralimentatie-regeling zoals omschreven in artikel 5.

Artikel 5

5.1

Vanaf 1 september 2015 ontvangt [de vrouw] van [de man] een bruto alimentatiebedrag van € 1.250 per maand welk bedrag de 1ste van de maand op haar bankrekening gestort wordt. Overeengekomen is een vaste totale alimentatie die in termijnen wordt betaald zijnde een partneralimentatie van in totaal 36 x € 1.250 bruto per maand ofwel € 45.000. Dit bedrag is mede gebaseerd op de beschikking van Rechtbank Limburg van 22 mei 2015 waarin een behoefte op bruto basis vastgesteld werd van € 1.213. De in dit artikel genoemde bedragen worden niet jaarlijks geïndexeerd op grond van art. 1:402a BW.

5.2

De alimentatieplicht van [de man] eindigt in elk geval definitief en onherroepelijk na verkoop van het woonhuis, op het moment dat [de man] aan [de vrouw] haar gedeelte van de netto-verkoopopbrengst betaalt, waarbij dan het restant van bovengenoemd bedrag van € 45.000 ook door [de man] aan [de vrouw] als eenmalige afkoop alimentatie betaald wordt. De alimentatieplicht loopt dus tot uiterlijk 1 september 2018. Binnen een periode van 6 maanden na die datum moet er uiterlijk afgerekend worden tussen [de man] en [de vrouw] in het kader van de overbedeling/verrekening.

De in deze bepaling vermelde afspraak over alimentatieduur en -hoogte kan niet worden gewijzigd; de termijn kan niet worden verlengd.

Artikel 6

6.1

Het bedrag dat door [de man] aan [de vrouw] in het kader van de afrekening uit overbedeling/verrekening betaald dient te worden wordt als volgt bepaald:

6.2

Bij verkoop van de woning vóór 31 maart 2019: 50% van de netto verkoopopbrengst van de woning minus de schuldrest rustende op deze woning rekening houdende met de waarde/uitkering van de polissen van levensverzekering als onder artikel 1b vermeld op het moment van verkoop en de verwachte winstuitkering op dat moment. Dit bedrag wordt verhoogd met het verschil tussen het in artikel 5 genoemde bedrag van de totale alimentatie van € 45.000 en de door [de man] aan [de vrouw] betaalde bedragen ten titel van bruto alimentatie vanaf 1 september 2015.

6.3

Het schuldrest-saldo wordt alsdan vastgesteld op basis van de volgende uitgangspunten:

a) verschuldigde hoofdsom terzake hypothecaire geldlening aan ASR per transportdatum;

b) minus de op dat moment geldende waarde casu quo te ontvangen uitkering uit de verpande polissen van levensverzekering bij ASR Levensverzekering NV onder de nummers [polis levensverzekering ASR 2] en [polis levensverzekering ASR 1] , inclusief de daarvan onderdeel uitmakende winstuitkering;

c) minus de hoofdsom van de schuld U/G aan [de vennootschap] ad EUR 174,000,-.

6.4

Indien [de man] op dat moment in totaal ten titel van alimentatie minder betaald heeft dan € 45.000 wordt het af te rekenen bedrag verhoogd met het verschil tussen € 45.000 en het totaal van de bedragen die door [de man] ten titel van partneralimentatie aan [de vrouw] betaald zijn na 1 september 2015.

6.5

Om misverstanden te voorkomen een voorbeeldcasus: Stel, het woonhuis wordt verkocht voor een bedrag van € 500.000 op 1 september 2016 nadat er 12 maal een bedrag van € 1.250 partneralimentatie is betaald, terwijl het schuldrest-saldo als bedoeld onder 6.3 op dat moment EUR 214.612,- bedraagt.

Uitwerking: [de man] betaalt aan [de vrouw] alsdan bij gelegenheid van het verlijden van de notariële leveringsakte in verband met de verkoop van het woonhuis aan een derde een bedrag dat berekend wordt als volgt: 50% x (€ 500.000 - 214.612) + (€ 45.000 - (12 x € 1.250)) = € 157.694,-.

(...)

6.8.

Over het door [de man] aan [de vrouw] conform dit artikel te berekenen/te betalen bedrag is geen rente verschuldigd.

(…)

Artikel 12

Partijen verklaren door het ondertekenen van deze overeenkomst dat alle zaken rondom de uitvoering van de huwelijkse voorwaarden, de eenvoudige gemeenschap (het woonhuis) en de alimentatie volledig conform hun wensen zijn geregeld en verklaren dat zij na het uitvoeren van de in deze overeenkomst beschreven afspraken over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar daarvoor dan ook over en weer finaal kwijting geven.

(…)

Artikel 14

Partijen geven hun respectievelijke advocaten opdracht om alle lopende procedures te beëindigen binnen 2 maanden na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst en geven notaris [notaris] te [standplaats] opdracht tot het opmaken van een notariële verdelingsakte ter bevestiging/uitvoering van deze afspraken zodra mogelijk. De onderhavige overeenkomst kan dan aan deze verdelingsakte worden gehecht.”

6.2.6.

Conform art. 14 van de vaststellingsovereenkomst hebben de (toenmalige) advocaten van partijen vervolgens alle nog lopende gerechtelijke procedures ingetrokken.

6.2.7.

Op 8 augustus 2016 hebben partijen een akte van verdeling ondertekend. Hierin is de volgende bepaling opgenomen.

“Slotbepalingen

Tenslotte verklaarden [partijen], handelend als gemeld:

- dat vorenstaande onverdeeldheid naar wederzijds genoegen van de deelgenoten is verdeeld en dat bij benadeling voor meer dan een kwart – in de zin van artikel 3:196 lid 1 Burgerlijk Wetboek – wel verrekening tussen hen kan worden gevorderd tot herstel van het nadeel, doch geen vernietiging of ontbinding van de verdeling;”

6.2.8.

De man is directeur en enig aandeelhouder van [de vennootschap] (hierna ook: de bv).

6.3.1.

In eerste aanleg heeft de vrouw gevorderd:

1. de man te veroordelen aan haar te voldoen:

- het bedrag van € 174.413,50 te vermeerderen met de winstuitkering als bedoeld in art. 6 van de vaststellingsovereenkomst;

- subsidiair een bedrag van € 40.000,-- uit hoofde van het haar toekomende vergoedingsrecht en € 38.164,38 uit hoofde van verrekening, te vermeerderen met de helft van een door een deskundige te bepalen waarde van de aandelen van de bv, de winstuitkering als bedoeld in art. 6 van de vaststellingsovereenkomst;

- meer subsidiair het bedrag waarmee zij is benadeeld,

- uiterst subsidiair een door de rechtbank te bepalen bedrag,

te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

2. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

6.3.2.

Aan deze vordering heeft de vrouw ten grondslag gelegd:

- een uitleg van art. 6.3. van de vaststellingsovereenkomst in die zin dat ter bepaling van het bedrag dat de man haar in het kader van de afrekening uit overbedeling/verrekening moet betalen de waarde van de polissen en de schuld aan de BV in mindering dienen te worden gebracht op de aan ASR verschuldigde hoofdsom en

- een recht op het restant van de alimentatie als bedoeld in art. 5 juncto art. 6.4 van de vaststellingsovereenkomst, te weten (19 (maanden) x 1.250 =) € 23.750,--.

6.3.3.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.3.4.

De rechtbank heeft de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 484,43 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van de dagvaarding tot die van algehele voldoening en het meer of anders gevorderde afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

“4.4. (…)

- kort gezegd is volgens [de vrouw] afgesproken is dat zij het volledige bedrag van € 174.000,00 (zijnde een schuld van de B.V. aan [haar] en geen schuld van partijen aan de B.V.) terugkrijgt, hetgeen [de man] betwist. Volgens [de vrouw] moet van de netto-verkoopopbrengst van de woning (€ 491.794,82) worden afgetrokken het restant hypotheekbedrag (€ 229.660,31) minus de afkoopwaarde polissen ASR (€ 74.331,00) én minus de schuld aan [de vennootschap] (€ 174.000,00) (de “minus...minus”-bepaling), waardoor een positief saldo van € 13.803,51 resteert;

- kort gezegd moet volgens [de vrouw] de “minus...minus”-bepaling met betrekking tot het schuldrestsaldo moet worden gezien als enerzijds de resterende hypotheekschuld aan ASR, daarbij rekening houdend met de afkoopwaarde van de twee ASR polissen (onderdelen 6.3. sub a en sub b van de vaststellingsovereenkomst, te weten schuld van € 229.660,31 + afkoopwaarde € 74.331,00 = restschuld van € 155.329,31) en anderzijds de schuld aan [de vennootschap] (onderdeel 6.3. sub c van de vaststellingsovereenkomst, te weten € 174.000,00), zodat de uiteindelijke restschuld € 329.329,31 bedraagt. Volgens [de man] maakt [de vrouw] een denkfout door een schuld in mindering te brengen op een andere schuld waardoor een positief saldo overblijft.

4.5.

De rechtbank volgt [de vrouw] niet in de haar voorgestane uitleg. Uit niets in de vaststellingsovereenkomst is af te leiden dat partijen hebben afgesproken dat [de vrouw] het bedrag van € 174.000,00 volledig terug zou krijgen. Verder is onduidelijk op grond waarvan is af te leiden dat een schuld van een andere schuld moet worden afgetrokken, waardoor een positief saldo resteert. Het enkele gebruik van de woorden “minus...minus” in art. 6.3. van de vaststellingsovereenkomst is hiertoe onvoldoende. De rechtbank acht de uitleg van de man, dat in art. 6.2. van de vaststellingsovereenkomst het actief en in art. 6.3. het passief is opgesomd, aannemelijker en zal deze dan ook volgen.

4.6.

Gelet op al het vooroverwogene komt de rechtbank tot de volgende afrekening:

netto-opbrengst woning € 491.794,82

hypotheekschuld € 229.660,31

afkoopwaarde ASR polissen [polis levensverzekering ASR 1] en [polis levensverzekering ASR 2] € 74.331,00 -

resthypotheekschuld € 155.329,31-

schuld aan [de vennootschap] € 174.000,00-

rest overwaarde woning € 162.465,51

Hiervan komt aan beide partijen ieder de helft toe, zijnde € 81.232,76.”

6.4.

De vrouw heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en (na wijziging van eis) tot:

1. veroordeling van de man om aan haar te voldoen:

- primair het bedrag van € 174.467,--, te verminderen met hetgeen de man op grond van het vonnis van de rechtbank reeds heeft voldaan;

- subsidiair het bedrag waarmee zij is benadeeld;

- uiterst subsidiair een door het hof te bepalen bedrag,

te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van de dagvaarding tot die der algehele voldoening;

2. veroordeling van de man in de nakosten van € 131,-- dan wel indien betekening van het arrest plaatsvindt van € 199,--, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest tot aan de dag der hele voldoening.

6.5.

De man heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar beroep, dan wel tot afwijzing van dit beroep, met bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, al dan niet onder verbetering en/of aanvulling van gronden.

6.6.

De grieven I en II betreffen de uitleg van art. 6.3. van de vaststellingsovereenkomst. Met grief III doet de vrouw een beroep op benadeling voor meer dan een vierde gedeelte.

Het hof zal eerst de grieven I en II gezamenlijk behandelen.

Artikel 6.3 van de vaststellingsovereenkomst (grieven I en II)

6.7.1.

Door middel van deze grieven betoogt de vrouw dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste uitleg van art. 6.3. van de vaststellingsovereenkomst. De vrouw stelt dat uitgegaan moet worden van een letterlijke interpretatie van art. 6.3. van de vaststellingsovereenkomst. Deze letterlijke interpretatie betekent dat van de hoofdsom terzake de hypothecaire geldlening aan ASR (art. 6.3. onder a.) de waarde van de polissen moet worden afgetrokken (de minus-bepaling in art. 6.3. onder b.) én de schuld aan de bv (de minus-bepaling in art. 6.3. sub c). Zij voert ter ondersteuning van de door haar bepleite “letterlijke” uitleg het volgende aan:

Achtergrond is, aldus de vrouw, zoals nader toegelicht ter gelegenheid van de comparitie, dat de schuld aan de bv geen schuld is van partijen aan de bv maar een schuld van de man aan de bv, aangezien het vermogen van de bv afkomstig is uit haar privévermogen (hetgeen de man ten belope van € 80.000,-- ook heeft erkend). Middels schenking en nalatenschap heeft zij van haar ouders ruim € 500.000,-- ontvangen, waarvan meer dan de helft is binnengekomen op de gemeenschappelijke rekeningen van partijen. De man heeft zonder haar toestemming of medeweten een bedrag ter grootte van € 266.844,-- naar de bv doorgesluisd. Uit het feit dat de schuld in de jaarrekeningen van de bv en de aangifte inkomstenbelasting van de man is opgevoerd als een eigenwoningschuld, heeft de rechtbank ten onrechte afgeleid dat de schuld tot de eenvoudige gemeenschap behoort.

Met de gelden, die dus haar privévermogen zijn, zijn aflossingen gedaan op de hypothecaire geldlening bij ASR en is de verbouwing bekostigd. Zij heeft dan ook geen schuld aan de bv maar een vergoedingsrecht op de gemeenschap (en aanmerkelijk hoger dan door de rechtbank is aangenomen). Partijen hebben hiermede aldus rekening gehouden door op de schuld aan ASR in mindering te brengen de waarde van de polissen én de schuld aan de bv.

Dat art. 6.3 op de door haar voorgestane wijze moet worden uitgelegd volgt ook daaruit dat de schuld aan de bv niet wordt genoemd in art. 4 van de vaststellingsovereenkomst, waarvan art. 6 een nadere uitwerking is, en evenmin in art. 1 van de vaststellingsovereenkomst, waarin een opsomming wordt gegeven van aan de man toe te delen respectievelijk toebehorende vermogensbestanddelen. Dit zou alleen dan logisch zijn, als de schuld (als schuld van de man aan de bv) in het kader van de verdeling en verrekening niet relevant wordt geacht.

Voor haar uitleg pleit ook dat zij (blijkens rov. 2.3.12 van de beschikking van 5 november 2014 waar in de artt. 1 en 2 van de vaststellingsovereenkomst naar wordt verwezen) uit hoofde van verrekening aanspraak heeft op een bedrag van € 38.164,38, te vermeerderen met de helft van de waarde van de aandelen van de bv. De door de man voorgestane uitleg van art. 6.3 daarentegen zou niet alleen betekenen dat zij de schuld aan de bv niet langer betwist, maar ook dat zij afstand heeft gedaan van haar vordering uit hoofde van verrekening en haar recht op vergoeding van € 40.000,-- (die deel uitmaakt van haar vordering van € 174.826). Waarom zij dat zou doen, maakt de man op geen enkele wijze duidelijk.

Als de schuld aan de bv evenals de schuld aan ASR in mindering moet worden gebracht op de netto verkoopopbrengst zou art. 6.3 anders hebben moeten luiden. Na sub c had dan niet het woord “minus” moeten volgen, maar het woord “plus”. Dat in art. 6.3 het passief van de eenvoudige gemeenschap wordt opgesomd, zoals de man stelt, is onjuist. Immers onder (b) van art. 6.3 wordt de waarde van de polissen van levensverzekering bij ASR betrokken.

6.7.2.

De man voert hiertegen het volgende aan.

Noch de vaststellingsovereenkomst zelf noch de (in de aan de mediation voorafgaande procedures gewisselde) stukken bieden een grondslag of enig aanknopingspunt voor de uitleg van de vrouw.

Partijen hebben in het kader van de mediation alle geschilpunten geregeld. Daarbij heeft onverkort als uitgangspunt gegolden dat de schuld aan de bv, die betrekking heeft op gelden die zijn besteed aan aflossing van de hypothecaire geldlening bij ASR en aan de verbouwing van de woning, als eigenwoningschuld in mindering zou strekken op de uiteindelijke verkoopopbrengst van de woning. Niets duidt er op dat dit uitgangspunt zou zijn verlaten.

In art. 1 onder j. van de vaststellingsovereenkomst wordt verwezen naar de schuldrest op de hypothecaire leningen betrekking hebbend op het woonhuis (dus (impliciet) óók, anders dan de vrouw stelt, naar de schuld aan de bv). In art. 6.3. is de schuld aan de bv expliciet vermeld als te betrekken bij de bepaling/berekening van het schuldrestsaldo. In art. 4 is de schuld aan de bv enkel niet genoemd omdat in art. 4 slechts de variabele posten zijn opgesomd, te weten, de verkoopopbrengst van het huis en de schuld aan ASR die immers afhankelijk was van de waarde van de verpande polissen van levensverzekering. De schuld aan de bv was echter geen variabele post: de hoogte van deze schuld stond vast.

6.7.3.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen staat vast dat door de man aan de vrouw in het kader van de afrekening uit overbedeling/verrekening betaald dient te worden 50% van de netto verkoopopbrengst van de woning minus de schuldrest rustende op de woning (art. 6.2). In geschil is de vraag of ter bepaling van het door de man aan de vrouw te betalen bedrag de schuld van € 174.826,-- aan de bv in mindering dient te worden gebracht op de hypothecaire geldlening (zoals de vrouw betoogt) of op de verkoopopbrengst van de woning (zoals de man betoogt).

Voor de beantwoording van die vraag dient het hof de vaststellingsovereenkomst uit te leggen. Die uitleg dient plaats te vinden met toepassing van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158):

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”

Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

In de Haviltex-maatstaf ligt besloten dat de uitleg dient te geschieden aan de hand van de wils-vertrouwensleer, zoals neergelegd in de art. 3:33 en 3:35 BW. Het gaat er niet om te bepalen wat letterlijk in de vaststellingsovereenkomst is neergelegd maar om wat partijen over en weer uit elkaars verklaringen redelijkerwijze mochten afleiden (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315).

In geschil is de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning. Kern van het betoog van de vrouw is dat het vermogen van de bv afkomstig is uit haar privévermogen, waardoor de schuld aan de bv geen schuld is van partijen aan de bv maar een schuld van de man aan de bv en dat om die reden partijen zijn overeengekomen (en art. 6.3. van de vaststellingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd) dat de schuld aan de bv in mindering moet worden gebracht op de schuld die per saldo (nadat rekening is gehouden met de opbrengst van een beleggingspolis) resteert uit hoofde van de hypothecaire geldlening bij ASR.

Dit betoog gaat mank. In de door de vrouw voorgestane uitleg wordt van de hypothecaire geldlening, die een schuld is van partijen (naast de waarde van de polissen die partijen toekomt), een schuld in mindering gebracht, de schuld aan de bv, die volgens de vrouw alleen van de man is. Dit leidt er weliswaar toe dat de opbrengst van de woning toeneemt, maar de vrouw ontvangt van die opbrengst slechts de helft, zodat de schuld aan de bv deels nog wel voor haar rekening komt. Waarom zij de schuld aldus nog (deels) voor haar rekening zou nemen, terwijl het volgens haar een schuld van de man is, had de vrouw moeten toelichten. Dat heeft zij echter nagelaten.

Ook overigens heeft de vrouw onvoldoende aanknopingspunten verschaft die tot het aanvaarden van de door haar bepleite uitleg van art. 6.3 van de vaststellingsovereenkomst kunnen leiden. Zo heeft zij geen afschriften in het geding gebracht waaruit blijkt dat door haar ouders meer dan € 250.000,-- op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen is gestort, waarna een bedrag ter grootte van € 266.844,-- van die rekening naar de rekening van de BV is doorgesluisd. Dit mocht van haar worden verwacht en zij mocht hiertoe ook in staat worden geacht nu het een gemeenschappelijke bankrekening betreft. Hiermee heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd dat er sprake was van een schuld van de man aan de bv. Dit betekent dat niet vast is komen staan dat de schuld aan de bv een schuld is van de man en dat daarmee op de door de vrouw voorgestane wijze in art. 6.3. van de vaststellingsovereenkomst rekening is gehouden.

Ter gelegenheid van de comparitie heeft de vrouw, op de vraag of in het kader van de mediation de eigenwoningschuld (de schuld aan de bv) is besproken, als volgt verklaard:

“Ja, dat is aan de orde gekomen, ik heb altijd van de mediator begrepen: “Komt het niet uit het huis, dan komt het uit de BV.”

En ook:

“Het is voor mij altijd heel onduidelijk geweest. Ik heb van mijn ouders geld gekregen, € 500.000,--. Dat is gestort op een spaarrekening en van daaruit is het naar de BV gegaan. De man zegt dat de BV heeft betaald en dat klopt ook, maar dat geld kwam wel van mijn spaarrekening.”

Naar het oordeel van het hof kan uit voormelde verklaringen niet worden afgeleid dat partijen over en weer redelijkerwijze aan art. 6.3 de betekenis moeten toekennen dat de vrouw uit hoofde van verdeling en verrekening een aanspraak heeft van € 174.826,-- en dat daarmee op de door de vrouw gestelde wijze in art. 6.3. van de vaststellingsovereenkomst rekening is gehouden.

De stelling van de vrouw dat de door de man voorgestane uitleg zou betekenen dat zij afstand doet van haar (door de man erkende) vergoedingsvordering van € 40.000,-- en haar verrekeningsvordering, biedt evenmin steun aan de door haar bepleite uitleg, nu de man daartegenover heeft aangevoerd dat hij van zijn kant ook rechten heeft prijsgegeven, zoals die met betrekking tot het aandeel van de vrouw in de rekening-courant schuld.

Hetgeen de vrouw overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op al het voorgaande deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat de uitleg van de man moet worden gevolgd in die zin dat partijen redelijkerwijze aan de bepalingen van de overeenkomst (art. 6.2 en 6.3) de betekenis moesten toekennen dat (ook) de schuld aan de BV in mindering strekt op de verkoopopbrengst van de woning.

De grieven I en II falen en de primaire vordering van de vrouw zal worden afgewezen.

Het hof zal nu overgaan tot de beoordeling van grief III.

Benadeling (grief III)

6.8.1.

De vrouw vordert op grond van de slotbepaling van de akte van verdeling herstel van het nadeel dat zij lijdt. Zij voert daartoe het volgende aan.

Zelfs indien de schuld aan de bv tot de eenvoudige gemeenschap wordt gerekend, aan de aandelen van de bv geen enkele waarde wordt toegekend en de winstuitkering bedoeld in art. 6 van de vaststellingsovereenkomst nihil is, zou zij uit hoofde van verdeling en verrekening recht hebben gehad op een bedrag van € 120.766,18 (verdeling eenvoudige gemeenschap inclusief vergoedingsrecht) + € 38.164,38 (verrekening) = € 158.930,88. Zij heeft evenwel slechts € 80.766,18 ontvangen.

Bij de door de man voorgestane uitleg van art. 6.3 van de vaststellingsovereenkomst wordt zij dus voor meer dan 50% benadeeld. Op grond van art. 3:196 BW wordt zij aldus vermoed te hebben gedwaald over de waarde en is het aan de man om dit vermoeden te weerleggen.

6.8.2.

De man voert daartegen het volgende aan.

De vaststellingsovereenkomst had betrekking op alle onderdelen van de tussen partijen bestaande geschilpunten (verdeling van de gemeenschappelijke woning, afwikkeling huwelijkse voorwaarden en alimentatie). Daarvoor is onder leiding van de mediator een vaststellingsovereenkomst/package-deal gesloten tegen finale kwijting. Daarbij past niet dat er één onderdeel wordt uitgelicht om aan te tonen dat er ten aanzien daarvan sprake zou zijn geweest van benadeling voor meer dan een vierde, nu de regeling uitdrukkelijk in zijn geheel, in onderlinge samenhang en ten aanzien van alle onderdelen moet worden beoordeeld (vgl. ook HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BV6689). Een beroep op dwaling bij een vaststellingsovereenkomst is in beginsel ook niet mogelijk, nu deze er toe strekt onzekerheid of geschil te voorkomen casu quo definitief te beslechten. Er is een onaantastbare verdeling/verrekening afgesproken en vastgelegd in de vaststellingsovereenkomst.

De vrouw heeft niet over “de waarde” gedwaald. Zij had geen onjuiste voorstelling van de waarde. Als haar al een beroep op art. 3:196 lid 1 BW zou toekomen, dan is daarmee het ‘vermoeden” van dwaling reeds “weerlegd”.

Het is niet zo is dat partijen in het kader van de mediaton met elkaar hebben onderhandeld op basis van “aanspraken van de vrouw” alsof deze reeds onherroepelijk zouden zijn vastgesteld. Er liepen immers nog procedures (in eerste aanleg en appel). Ook om die reden kan een beroep op benadeling voor meer dan een vierde niet worden gehonoreerd.

6.8.3.

Het hof overweegt als volgt. Nog daargelaten of de aanspraken in de door de vrouw gemaakte berekening juist zijn, hetgeen de man betwist, stuit het beroep van de vrouw daarop af dat de vaststellingsovereenkomst van partijen de strekking heeft een einde te maken aan de tussen hen bestaande geschilpunten betreffende de verdeling van de gemeenschappelijke woning, afwikkeling huwelijkse voorwaarden en alimentatie (vgl. HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4400). Weliswaar is een aantasting van de vaststellingsovereenkomst onder omstandigheden mogelijk (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BY3129), doch omstandigheden die daartoe aanleiding zouden kunnen geven, zijn in deze zaak gesteld noch gebleken.

Grief III slaagt daarom evenmin.

6.9.

Nu partijen gewezen echtgenoten zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en

T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 maart 2020.

griffier rolraadsheer