Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:978

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
200.239.552_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:3175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

toedracht ongeval, schending veiligheidsnorm, bewijslastverdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0200
RAV 2020/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.239.552

(zaaknummer rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht 235616)

arrest van 17 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. F.C. Schirmeister,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon Provincie Limburg,

zetelend te Maastricht,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Provincie,

advocaat: mr. J.M. de Vries.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 4 april 2018 dat de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 3 mei 2018,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met 1 productie).

2.2

Vervolgens heeft de Provincie de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep – samengevat – veroordeling van de Provincie tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval van 18 maart 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Op 18 maart 2013 is [appellant] met zijn fiets om omstreeks 20.00 uur ten val

gekomen. Daarbij heeft hij ernstig letsel opgelopen. Het ongeval vond plaats buiten de bebouwde kom op het eenbaanse fietspad richting [plaats 1] naast de rijbaan van de Rijksweg N590, ter hoogte van de woning [adres] in [plaats 2] . Het was al donker. [appellant] kwam uit de richting van [plaats 2] en fietste in de richting van [plaats 1] . Het 2 meter brede fietspad is ter plaatse onverlicht en loopt, in de rijrichting van [appellant] gezien, bergafwaarts.

3.2.

Ter plekke waar [appellant] ten val is gekomen, liepen op dat moment twee voetgangers, mevrouw [de voetganger] (verder te noemen: [de voetganger] ), wonend in de woning [adres] , en haar vriend. Zij liepen op het fietspad of in ‘de goot’ daarnaast, in dezelfde richting als waarin [appellant] fietste. Toen de voetgangers voor hem opdoemden, heeft [appellant] getracht ze te ontwijken. In debat is of hij daarbij [de voetganger] heeft geraakt of slechts geschampt. Door de uitwijkmanoeuvre is [appellant] met zijn fiets gevallen.

3.3.

Ongeveer ter hoogte van de plek waar [appellant] is gevallen, bevonden zich in de grasberm tussen de hoofdrijbaan en het fietspad, twee zogenaamde RWS-banden (ook wel stoepbanden genoemd). Deze banden zijn van beton en zijn 60 cm lang, 30 centimeter breed, en 10 cm hoog.

3.4.

De Provincie is de wegbeheerder van de Rijksweg en het daarnaast gelegen fietspad. De RWS-banden zijn na het ongeval van [appellant] in opdracht van de Provincie verwijderd.

3.5.

Op 4 september 2013 heeft [appellant] de Provincie bij brief laten weten dat hij bij het uitwijken voor de voetgangers ten val is gekomen vanwege het raken van een RWS-band. Hij stelt de Provincie aansprakelijk voor de schade die hij daardoor geleden heeft.

3.6.

De verzekeraar van de provincie heeft bij brief van 11 oktober 2013 de aansprakelijkheid afgewezen. Volgens de verzekeraar is niet aangetoond dat de RWS-band de (enige) oorzaak van het ongeval is geweest.

3.7.

In een e-mailbericht van 4 februari 2015 schrijft [coördinator en adviseur van de wegentiteit op het gebied van verkeersveiligheid van de Provincie] (coördinator en adviseur van de Weg-Entiteit op het gebied van verkeersveiligheid, (dynamisch) verkeersmanagement en verkeerskundige ontwerpen en inrichting) van de Provincie, aan [medewerker risicobeheer en aansprakelijkheid van de Provincie] , medewerker risicobeheer en aansprakelijkheid van de Provincie, het volgende:

“Vanuit verkeersveiligheidsoogpunt ben ik van mening dat deze twee stukken RWS-banden

hier nooit geplaatst hadden moeten worden. Je kunt ze over een grotere lengte aanbrengen, dan zijn ze ook duidelijker zichtbaar. Hier vallen ze eigenlijk niet op, omdat de kleur door de omgeving (fietspad) is opgenomen. Plaats je ze over een grotere afstand dan kun je voor de duidelijkheid nog ervoor kiezen om aanvullende maatregelen te treffen, zoals het plaatsen van oranje flexpalen. (...) ”

3.8.

In een brief van 23 maart 2016 schrijft de Provincie aan haar aansprakelijkheids-verzekeraar:

“(...) Zoals gezegd zij wij inderdaad van mening dat de RWS-bank vanuit verkeersveiligheid niet geplaatst had moeten worden. Wij zijn echter eveneens van mening dat de oorzaak van het voorval in eerste instantie is gelegen in het gedrag van betrokkene (lees: [appellant] , hof) zelf."

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd veroordeling van de Provincie tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval van 18 maart 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Daartoe stelt [appellant] het volgende. Op 18 maart 2013 reed hij met zijn fiets in het donker op het onder 2.1 bedoelde onverlichte fietspad, komend uit de richting van [plaats 2] en gaande in de richting [plaats 1] . [appellant] stelt dat hij ter hoogte van perceel [adres] moest uitwijken voor twee voetgangers die op het fietspad liepen. Bij deze uitwijkmanoeuvre heeft [appellant] één van de voetgangers, [de voetganger] , licht in de flank geraakt, waarna hij naar links uitweek in de richting van het bermgedeelte tussen de hoofdrijbaan het fietspad. Bij die manoeuvre kwam [appellant] met zijn fiets in aanraking met één van de door de Provincie daar geplaatste RWS-banden, waardoor hij ten val kwam. Als gevolg van de val brak [appellant] zes ribben, liep hij een gecompliceerde sleutelbeenbreuk op, een gespleten schouderblad, scheurtjes in de wervelkolom, een hersenschudding en verwondingen in het gezicht. [appellant] houdt de Provincie als wegbeheerder aansprakelijk, zowel op grond van artikel 6:174 BW als op grond van artikel 6:162 BW. Op de Provincie als wegbeheerder rust de verplichting ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Als gevolg van de aanwezigheid van de RWS-banden is een gevaarlijke en risicovolle situatie ontstaan, welk risico zich met de val van [appellant] heeft gerealiseerd.

4.2.

De rechtbank heeft bij vonnis van 4 april 2018 deze vorderingen afgewezen en daarbij het volgende overwogen. De vraag is of de situatie ter plaatse gevaarzettend was. De RWS-banden lagen er met een bepaald doel, namelijk het voorkomen van parkeren in de berm. Het is niet relevant of die banden voor [appellant] wel of niet zichtbaar waren omdat het ongeval is ontstaan door onvoorzichtigheid van [appellant] . In het donker bergafwaarts fietsend op een onverlicht fietspad was hij niet in staat tijdig met zijn fiets te stoppen of uit te wijken om een aanrijding met [de voetganger] te voorkomen. Dat hij op een andere manier zou zijn uitgeweken als de RWS-banden beter zichtbaar waren geweest, acht de rechtbank niet aannemelijk. Bij de inrichting van de weg mocht de Provincie erop vertrouwen dat hier voorzichtig zou worden gereden. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een gevaarzettende situatie. De kans dat zich een ongeluk zou voltrekken op de wijze zoals volgens [appellant] is gebeurd, moet als klein en theoretisch worden ingeschat. Van de Provincie kan niet worden verwacht dat zij hiermee rekening zou houden. Het ongeluk is te wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

In deze zaak gaat het om de vraag of de Provincie als wegbeheerder op grond van artikel 6:174 BW en/of artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de gevolgen van het [appellant] op 18 maart 2013 overkomen ongeval.

5.2.

Het hof heeft de feiten in het voorgaande zelf vastgesteld. Grief 1, die is gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, hoeft bij gebrek aan belang daarom geen afzonderlijke bespreking.

5.3.

Volgens [appellant] moest hij uitwijken voor twee voetgangers op het fietspad, waarna hij met zijn fiets in botsing kwam met een RWS-band in de berm. Hij meent dat zijn schade is veroorzaakt door de inrichting van de weg. De Provincie meent dat de val van [appellant] niet is veroorzaakt door de inrichting van de weg, maar doordat hij een van de voetgangers aanreed. Partijen verschillen aldus van mening over de oorzaak van het ongeval.

5.4.

[appellant] legt aan zijn vordering ten grondslag de artikelen 6:174 en 6:162 BW. Het hof stelt bij de beoordeling van deze grondslagen het volgende voorop.

Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de eisen als bedoeld in art. 6:174 lid 1 BW om de eisen die men uit het oogpunt van veiligheid aan een weg mag stellen. Daarbij spelen gedragsnormen als veiligheidsvoorschriften en de in het algemeen aan een wegeigenaar te stellen zorgvuldigheidsnormen een belangrijke rol. De omstandigheid dat een weg in algemene zin voldoet aan geldende veiligheidsvoorschriften, betekent nog niet dat de weg daarmee aan alle eisen voldoet en dus niet gebrekkig is in de zin van art. 6:174 lid 1 BW.
Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en deze niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op de voorkoming van gevaar of personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (vgl. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283).

5.5.

Bij de beoordeling van de vraag of de weg gebrekkig was betrekt het hof dat [appellant] wijst op de CROW-richtlijnen, met name de uitgave ‘Handboek veilige inrichting van bermen’ van 2004 (vgl. inleidende dagvaarding sub 45). Hij stelt dat de inrichting van een berm volgens die richtlijnen zodanig moet zijn dat deze een veilige uitwijkmogelijkheid voor weggebruikers biedt. Obstakels in de berm moeten zoveel mogelijk worden voorkomen en botsgevaarlijke obstakels moeten worden afgeschermd. [appellant] meent dat de Provincie een met deze richtlijnen strijdige situatie in het leven heeft geroepen en heeft laten voortbestaan. De Provincie betwist dit.

5.6.

Naar het oordeel van het hof zijn de CROW-richtlijnen te beschouwen als veiligheidsnormen die onder meer ten doel hebben, zoals [appellant] stelt, het creëren van omstandigheden waardoor de ernst van eventuele ongevallen beperkt blijft. De Provincie wordt als wegbeheerder geacht de CROW-richtlijnen te kennen. De Provincie stelt dat de CROW-richtlijnen met name zijn gericht op de rijbanen voor gemotoriseerd verkeer en niet voor fietspaden, nu in het Handboek (p. 12) staat vermeld “Deze doelstellingen gelden in het bijzonder voor het tegengaan van ongevallen waarbij bestuurders van motorvoertuigen naast de rijbaan komen”. Daaruit is naar het oordeel van het hof niet af te leiden dat een smalle wegberm tussen een Rijksweg en een fietspad, zoals in deze zaak volgens de overgelegde foto’s aan de orde is, niet hoeft te voldoen aan de CROW-richtlijnen. Dat de doelstellingen in het bijzonder gelden voor motorvoertuigen omdat daarvoor vanwege hun grotere snelheid, in het algemeen meer gevaar uitgaat van voorwerpen in de wegberm, maakt niet dat fietsers aan deze richtlijnen geen aanspraken kunnen ontlenen. Het uitgangspunt van de richtlijnen is namelijk dat de berm op een veilige manier ruimte moet bieden aan voertuigen die van de rijbaan raken om te kunnen stoppen. Fietsers zijn volgens artikel 1 RVV ook voertuigen. Door de aanwezigheid van de RWS-banden was er ter hoogte van het perceel [adres] in ieder geval geen veilige uitwijkmogelijkheid. Daar komt bij dat de heer [coördinator en adviseur van de wegentiteit op het gebied van verkeersveiligheid van de Provincie] van de Provincie volgens zijn mail van 4 februari 2015 ook van mening is dat vanuit verkeersveiligheidsoogpunt de twee stukken RWS-banden hier nooit geplaatst hadden moeten worden. Het hof gaat er dan ook van uit dat door het plaatsen van de RWS-band in de berm tussen de rijweg en het fietspad, de berm geen veilige uitwegplek meer vormde voor voertuigen waardoor de CROW-richtlijnen zijn geschonden. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de inrichting van de weg niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden gesteld mogen worden. Aldus heeft de Provincie een veiligheidsnorm geschonden. Dit heeft gevolgen voor de bewijslastverdeling omdat daarmee de zogenoemde omkeringsregel in beeld komt.

5.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] ten gevolge van een uitwijkmanoeuvre in de wegberm is terechtgekomen met zijn fiets. De Provincie betwist dat [appellant] vervolgens een RWS-band heeft geraakt. Dit moet wel vast komen te staan omdat voor toepassing van de omkeringsregel nodig is dat vast staat dat het gevaar waarvoor de geschonden veiligheidsnorm beoogt te beschermen, zich heeft verwezenlijkt. Daartoe moet [appellant] aannemelijk maken dat hij bij het uitwijken een RWS-band heeft geraakt (vgl. HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:27). [appellant] zal daartoe worden toegelaten. Indien hij erin slaagt aannemelijk te maken dat hij bij het uitwijken tegen een RWS-band is gereden, moet het ervoor worden gehouden dat zijn schade daardoor is ontstaan, tenzij de Provincie bewijst dat deze schade ook zou zijn ontstaan als de RWS-banden daar niet hadden gelegen. Wanneer [appellant] niet erin slaagt aannemelijk te maken dat hij een van de RWS-banden heeft geraakt, moet zijn vordering tegen de Provincie worden afgewezen omdat dan de Provincie geen verwijt treft.

5.8.

De Provincie betoogt dat een aan [appellant] te wijten aanrijding met [de voetganger] de oorzaak van zijn val is geweest. Partijen verschillen van mening over de vraag of [appellant] [de voetganger] slechts heeft geschampt bij het uitwijken (versie [appellant] ) of dat hij haar heeft geraakt c.q. aangereden (versie Provincie). Maar zelfs als [appellant] [de voetganger] heeft aangereden, betekent dat naar het oordeel van het hof nog niet dat de Provincie zonder meer vrijuit gaat. Er zou wel sprake kunnen zijn van eigen schuld van de [appellant] . In dat kader zal nader onderzocht moeten worden in hoeverre hem kan worden verweten niet in staat te zijn geweest tijdig de voetgangers te ontwijken, waarbij ook het handelen van de beide voetgangers een rol speelt.

5.9.

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen en [appellant] toelaten om aannemelijk te maken dat hij door een uitwijkmanoeuvre met zijn fiets in aanraking is gekomen met een RWS-band in de wegberm.

5.10.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe aannemelijk te maken dat hij door een uitwijkmanoeuvre met zijn fiets in aanraking is gekomen met een RWS-band in de wegberm,

bepaalt dat, indien [appellant] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken op de roldatum 14 april 2020 in het geding dient brengen,

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. R.A. van der Pol, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ( [appellant] in persoon / de provincie vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 31 maart 2020 (twee weken na arrestdatum), waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, M.A.M. Vaessen en Ph.A.J. Raaijmaakers, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.

griffier rolraadsheer