Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:972

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
20-000497-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:415, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer ook in hoger beroep gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000497-18

Uitspraak : 18 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 30 januari 2018 in de strafzaak met parketnummer

01-865055-17 tegen:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is:

  • -

    de verdachte vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde (poging tot doodslag);

  • -

    het subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) bewezen verklaard;

  • -

    het bewezen verklaarde feit niet strafbaar verklaard en de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging;

  • -

    de benadeelde partij [aangever ] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding;

  • -

    met betrekking tot de kosten van partijen beslist dat elke partij de eigen kosten draagt;

  • -

    de teruggave gelast van het inbeslaggenomen mes en de inbeslaggenomen mobiele telefoon.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het inbeslaggenomen mes zal worden verbeurd verklaard. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.

Van de zijde van de verdachte is bepleit dat:

  • -

    verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde (poging tot doodslag);

  • -

    verdachte een beroep toekomt op noodweer, subsidiair noodweerexces, waardoor verdachte in het geval van een bewezenverklaring dient te worden vrijgesproken/ ontslagen van alle rechtsvervolging;

  • -

    de benadeelde partij [aangever ] , gelet op het verweer dat strekt tot vrijspraak/ ontslag van alle rechtsvervolging, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding, dan wel dat deze vordering moet worden afgewezen vanwege culpa in causa aan de zijde van de benadeelde partij. Voorts is bepleit dat, voor het geval de verweren door het hof worden gepasseerd, de post ‘beschadigde trui’ dient te worden gematigd en dat de post ‘immateriële schade’ dient te worden afgewezen, aangezien deze posten onvoldoende zijn onderbouwd;

  • -

    het inbeslaggenomen mes niet verbeurd dient te worden verklaard, omdat er geen sprake is van enige relatie met het ten laste gelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust:

A.

met verbetering van de bewijsmiddelen;

B.

met aanvulling van de bewijsoverweging;

C.

met aanvulling van de overweging met betrekking tot de strafbaarheid van het bewezen verklaarde.

A.

Verbetering van de bewijsmiddelen

Het hof verenigt zich met de in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen, met uitzondering van de in het eerste bewijsmiddel, proces-verbaal van aangifte door [aangever ] d.d. 10 mei 2017, (op pagina 2 van het vonnis) opgenomen zin: “Ik zag dat hij op mij afgelopen kwam.” Deze zin komt te vervallen.

B.

Aanvullende overweging met betrekking tot de vrijspraak van het primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag

De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat het primair ten laste gelegde, poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte aangever met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn rug en in zijn zij heeft gestoken, waardoor aangever onder andere een klaplong heeft opgelopen. Door ongericht te steken op deze delen van het lichaam bestond de kans dat het hart, de lever en/of de milt van aangever geraakt zouden worden, hetgeen tot de dood van aangever had kunnen leiden.

Daarnaast is de rechtbank er volgens de advocaat-generaal te makkelijk vanuit gegaan dat verdachte het letsel heeft toegebracht met een kurkentrekker, aangezien het dossier meerdere aanwijzingen bevat dat het een mes is geweest. Immers, toen de politie verdachte kort na het incident vroeg of hij een mes bij zich had, antwoordde verdachte dat hij dat meteen had weggelegd (dossierpagina 55). Verder heeft getuige [naam getuige] verklaard dat verdachte een mes in zijn hand had, aldus de advocaat-generaal.

Afrondend heeft de advocaat-generaal gesteld dat in het midden kan blijven of er met een mes of met een kurkentrekker is gestoken en dat bewezen kan worden verklaard dat met een scherp en/of puntig voorwerp is gestoken.

Het hof overweegt als volgt.

Blijkens de medische verklaring in het dossier heeft aangever twee steekwonden in zijn rug, één steekwond op zijn bovenbeen en een klaplong opgelopen (dossierpagina 190). Het hof overweegt dat bij dergelijke verwondingen de kans op overlijden niet zonder meer aanmerkelijk is.

Voorts is het hof van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat om met een voldoende mate van zekerheid aan te kunnen nemen dat verdachte tijdens het gevecht met aangever een mes heeft gebruikt.

Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij zag dat “[naam verdachte] met een mes of scherp voorwerp in zijn linkerhand stond” (dossierpagina 211). Hij weet niet of het op een mes leek. Het hof leest deze verklaring van de getuige zo, dat hij verdachte met een scherp voorwerp in zijn hand heeft zien staan, maar niet met zekerheid kan zeggen dat het een mes was.

Ook het feit dat verdachte op de vraag van politieagent [naam politieagent] of hij een mes bij zich had, antwoordde dat hij dat meteen had weggelegd (dossierpagina 55), acht het hof onvoldoende doorslaggevend. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover verklaard dat hij met de frase “dat hij dat meteen had weggelegd” uiteraard bedoelde te zeggen dat hij de kurkentrekker meteen had weggelegd.

Bij gebrek aan doorslaggevende getuigenverklaringen die de verklaring van aangever dat verdachte een mes zou hebben gebruikt ondersteunen, gaat het hof uit van de verklaring van verdachte dat hij een kurkentrekker, zijnde een scherp en/of puntig voorwerp, heeft gebruikt en daarmee aangever in de rug heeft gestoken.

Gelet op bovenstaande is het hof, anders dan de advocaat-generaal, met de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de kans op overlijden van aangever aanmerkelijk was. Verdachte heeft aangever wel geslagen terwijl hij een scherp voorwerp in zijn hand had. Echter, hoe en met welke kracht verdachte het scherpe voorwerp heeft gehanteerd en in hoeverre het scherpe voorwerp geschikt was om dodelijk letsel toe te brengen – mede gelet op de plaats op het lichaam waar verdachte aangever heeft geraakt – is onvoldoende duidelijk geworden.

Wel acht het hof, net als de rechtbank, de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

C.

Aanvullende overweging met betrekking tot de strafbaarheid van het feit

De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat niet voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste en daarnaast culpa in causa van verdachte een geslaagd beroep op noodweer in de weg staat. Verdachte is in een escalerende situatie met een steekvoorwerp naar de woning van aangever gegaan. Daarbij komt dat de verdachte te weinig medicatie had ingenomen. Hij had daar, in de visie van de advocaat-generaal nooit aan de deur moeten staan en ondanks het feit dat aangever terug zijn woning inging en schreeuwde “ga weg!”, is verdachte blijven staan.

Voorts is, volgens de advocaat-generaal, een geslaagd beroep op noodweerexces, niet aan de orde.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank omtrent het beroep op noodweer. De overweging van de rechtbank zal hieronder omwille van de leesbaarheid worden weergegeven.

“De rechtbank heeft in haar overwegingen met betrekking tot de strafbaarheid van het feit de volgende omstandigheden betrokken:

a) De moeder van aangever, mevrouw [naam moeder aangever] , heeft verklaard dat aangever (haar zoon) haar aan de kant duwde en richting verdachte liep. Dat zij begonnen te vechten, duwen, trekken, slaan en schoppen. Dit wordt bevestigd door de getuige [naam getuige] : “de zoon van de bewoonster op [huisnummer] vloog op verdachte af. De moeder van verdachte werd aan de kant geduwd. Er ontstond een worsteling.”

b) De moeder van verdachte, mevrouw [naam moeder verdachte] , heeft verklaard dat op het moment dat [aangever ] (aangever) uit de slaapkamer kwam, zij hem hoorde zeggen: “Ik steek je kapot”.

Haar verklaring luidt voorts:
“Ik zag ook dat [aangever ] een gebaar maakte dat hij met zijn vinger langs zijn nek sneed. Op dat moment zag ik ook dat [aangever ] over mij heen keek in de richting van [naam verdachte] . Ik hoorde [aangever ] ook zeggen dat “Hij niet deugde” “ik steek hem kapot” en “ik snijd hem de nek af”. Op dat moment zag ik dat [naam verdachte] nog ongeveer 2 meter achter mij stond. Ik zag dat [aangever ] terugliep naar zijn slaapkamer en na ongeveer 15 seconden zag ik dat [aangever ] weer terug kwam gelopen, zijn moeder ondersteboven liep en [naam verdachte] aanvloog. Dit vond allemaal plaats op de galerij. [aangever ] was dus de galerij opgelopen toen hij [naam verdachte] aanvloog. (…) [aangever ] was agressief, hij duwde zijn moeder bruut weg. (…) Ik kwam er later ook achter dat ik ook gestoken was in mijn linker onderarm. Ik was op dat moment alleen in het appartement van mijn zoon toen ik dat zag.”

c) Op 8 mei 2017 hebben verdachte en aangever telefonisch contact gehad via Whatsapp en sms en zij hebben over en weer bedreigingen geuit. Aangever heeft geschreven:
“als ik met iemand ruzie heb is alles geoorloofd”’;

“kunt me beter laten afkoelen, mijn moeder is bang dat ik witheet word”;

“zelfs de politie laat poging doodslag vallen omdat ik niet spoor, ik heb vrij van alles”;

“mij poesen (de rechtbank begrijpt: pushen) heb ik je uitgelegd, dat gaat bij mij fout. Ik geef er niks om om dood te gaan.”

d) Verdachte heeft verklaard:
“Ik zag dat [aangever ] mijn moeder en mij wilde aanvallen. Mijn moeder stond dichtbij. Ik stond nog achter mijn moeder. Ieder keer dat ik verder weg ging staan, kwam hij weer dichterbij. Ik heb toch een stap dichterbij gezet omdat ik als het nodig was mijn moeder kon beschermen. Ik zag dat [aangever ] mij met zijn rechtervuist sloeg en ik voelde een klap op mijn linkerslaap. Ik zag dat [aangever ] naar binnen ging maar kort daarop kwam hij weer terug en toen zag ik dat [aangever ] iets scherps in zijn hand vasthield. Ik zag dat het glinsterde. Ik dacht dat het een werpster was of een klein zakmesje. Ik zag dat [aangever ] uithaalde naar de hals of schouder van mijn moeder. Ik ben er toen tussen gesprongen met de kurkentrekker in mijn rechterhand. Toen ik ertussen sprong werd ik in mijn rechterhand gesneden.

Op grond van bovenstaande is aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen verdachte en zijn moeder, waartegen verdachte zich kon en mocht verdedigen.

Toen verdachte aangever sloeg met de kurkentrekker was hij in de veronderstelling dat aangever binnen een mes had gepakt. Verdachte zag aangever uit de woning komen waarbij aangever riep verdachte te zullen steken. Aangever ging verdachte vervolgens te lijf.

Onder deze omstandigheden en mede gelet op de eerdere telefooncontacten is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte de vrees heeft kunnen ontstaan dat aangever hem naar het leven stond, terwijl op dat moment ook zijn moeder werd geconfronteerd met de agressie van aangever én verdachte ervoer dat “verder weg” gaan staan geen soelaas bood. Van verdachte kon daarom redelijkerwijs niet worden gevergd voor een minder gevaarlijke wijze van verdediging te kiezen. De rechtbank is dus van oordeel dat in beginsel sprake is van noodweer.

De volgende vraag is of dat anders is, omdat verdachte samen met zijn moeder naar de woning van de moeder van aangever is gegaan en zich hiermee in de situatie heeft gebracht dat hij zich zou moeten verdedigen. De rechtbank vindt niet dat verdachte kan worden tegengeworpen dat hij samen met zijn moeder naar aangever is gegaan. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte het horloge van de vader van [aangever ] wilde teruggeven. Niet is gebleken dat verdachte de confrontatie met [aangever ] heeft willen opzoeken. Dat hij zijn moeder bij [aangever ] liet aanbellen en zelf op afstand bleef, wijst eerder op het tegendeel. Ook dat verdachte, naar eigen zeggen onbewust, een kurkentrekker in de hand had, rechtvaardigt nog niet conclusie dat hij de confrontatie welbewust heeft opgezocht. Al met al is dus niet gebleken dat verdachte willens en wetens de confrontatie met aangever heeft gezocht en een gewelddadige reactie van aangever heeft uitgelokt.

Het beroep op noodweer slaagt derhalve.”

In hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding om anders te oordelen dat de rechtbank.

De verdediging van verdachte was naar het oordeel van het hof proportioneel. Het dossier bevat – zoals hiervoor overwogen – onvoldoende aanwijzingen dat verdachte een mes zou hebben gebruikt. Wel heeft hij een scherp en/of puntig voorwerp gebruikt. Dat verdachte bewust de confrontatie zou hebben gezocht en dus sprake was van culpa in causa, blijkt niet uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep. Verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij samen met zijn moeder naar (de moeder van) aangever toe ging om door tussenkomst van de moeder van verdachte het horloge van de overleden vader van aangever terug te geven en op die manier de situatie tussen hem en aangever te de-escaleren. Dat de reden van het aan de deur gaan bij aangever daarin is gelegen, wordt bovendien bevestigd door de verklaring van zowel de moeder van aangever als de moeder van verdachte.

Ook is aan de subsidiariteitseis voldaan. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn moeder voor hem stond en dat het allemaal heel snel ging. Dit wordt ook bevestigd door de verklaring van de moeder van verdachte, mevrouw [naam moeder verdachte] , die heeft verklaard dat zij “… zag dat [aangever ] terugliep naar zijn slaapkamer en na ongeveer 15 seconden weer terug kwam gelopen, zijn moeder ondersteboven liep en [naam verdachte] aanvloog. Het hof is van oordeel dat onder die omstandigheden van verdachte niet gevergd kon worden dat verdachte zich aan een dreigende aanranding had kunnen en moeten onttrekken door (bijvoorbeeld) te vluchten. Onder de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid, terwijl ook van de verdachte niet kon worden gevergd dat hij zou vluchten.

Gelet op bovenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweer slaagt. Er was sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen verdachte en zijn moeder, waartegen verdachte zich kon en mocht verweren. Derhalve is het bewezen verklaarde niet strafbaar en zal verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nu het beroep op noodweer slaagt behoeven de standpunten van de verdediging en van de advocaat-generaal omtrent beroep op noodweerexces geen bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. P.J. Hödl en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.R.A.C. Dinnissen, griffier,

en op 18 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Gielen-Winkster en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.