Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:971

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
19/00401 en 19/00402
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:2930, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:281
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om een werkelijke proceskostenvergoeding toe te wijzen aan de Rijnvarende. Het feit dat er omtrent de A1-verklaring een lange procedure heeft plaatsgevonden in de bestuursrechtelijke kolom, kan niet aan de inspecteur toegerekend worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-03-2020
V-N Vandaag 2020/704
FutD 2020-1044
V-N 2020/27.1.8
NTFR 2020/1031
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 19/00401 en 19/00402

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 juli 2019, nummers BRE 16/5520 en 17/6796 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft een verzoek tot ambtshalve vermindering ingediend voor de aanslag IB/PVV 2013.

1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.4.

De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2020 in ‘s-Hertogenbosch. Op deze zitting zijn verschenen gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde het gehele onderhavige jaar in Nederland. In 2013 was belanghebbende in loondienst werkzaam op het binnenvaartschip [schip] .

2.2.

Belanghebbende stond van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 op de loonlijst van [bedrijf 1] , gevestigd te Cyprus. Van 1 augustus 2013 tot en met 31 december 2013 stond belanghebbende op de loonlijst van [bedrijf 2] , gevestigd te Liechtenstein.

2.3.

Door de Liechtensteinse autoriteiten is aan belanghebbende met dagtekening 1 oktober 2013 een A1-verklaring afgegeven voor de periode 1 augustus 2013 tot en met 31 juli 2015 waaruit volgt dat op belanghebbende voor die periode de sociale wetgeving van Liechtenstein van toepassing is.

Aan belanghebbende is met dagtekening 24 juni 2014 door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) een A1-verklaring afgegeven waaruit volgt dat belanghebbende voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 is onderworpen aan de Nederlandse sociale wetgeving. Hiertegen heeft belanghebbende rechtsmiddelen aangewend.

2.4.

Belanghebbende heeft zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.766. In die aangifte heeft belanghebbende tevens verzocht om vrijstelling voor de premie volksverzekeringen voor het hele jaar.

Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2013 heeft de inspecteur de gevraagde vrijstelling verleend voor de periode van 1 augustus 2013 tot en met 31 december 2013. Ook heeft de inspecteur het verzamelinkomen gecorrigeerd naar € 32.508.

2.5.

Belanghebbende heeft op 10 december 2015 bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen van een vrijstelling voor de premie volksverzekeringen voor het hele jaar. De inspecteur heeft dit bezwaar op 12 augustus 2016 afgewezen.

2.6.

Belanghebbende heeft ook een verzoek ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2013 ingediend. De inspecteur heeft dat verzoek op 16 mei 2017 afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft belanghebbende op 13 juli 2017 bezwaar gemaakt. Op 13 september 2017 heeft de inspecteur dit bezwaar afgewezen.

2.7.

Naar aanleiding van het rechtsmiddel tegen de afgegeven A1-verklaring van de SVB van 24 juni 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) in zijn uitspraak van 29 december 2017 aan de SVB opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.1

2.8.

Op 20 maart 2018 heeft de SVB opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan en een A1-verklaring afgegeven. In deze A1-verklaring is vastgesteld dat voor de periode 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing is verklaard, waardoor belanghebbende daarmee premieplichtig is in Nederland.

2.9.

Belanghebbende heeft wederom beroep ingesteld tegen het besluit van de SVB bij de CRvB. Vervolgens heeft de CRvB uitspraak gedaan op 28 februari 2019 en overwogen dat de SVB ten aanzien van belanghebbende, die heeft gewerkt op het schip “de [schip] ” over de periode toen hij op de loonlijst van [bedrijf 3] stond, de Belgische wetgeving van toepassing had moeten verklaren. Het beroep is gegrond verklaard en het besluit van de SVB vernietigd en de CRvB heeft bepaald dat de SVB opnieuw een besluit op het bezwaar dient te nemen.2

2.10.

Het SVB heeft naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB met dagtekening 21 juni 2019 een nieuw besluit genomen waarin is vastgesteld dat belanghebbende voor de periode 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 de Belgische socialeverzekeringswetgeving van toepassing is en belanghebbende dus premieplichtig is in België.

2.11.

Naar aanleiding van het zojuist genoemde besluit van 21 juni 2019 heeft de inspecteur een verminderingsbeschikking IB/PVV 2013 gegeven, waardoor belanghebbende een vrijstelling voor de premie volksverzekeringen heeft verkregen voor het hele jaar.

2.12.

De rechtbank heeft, gelet op het bovenstaande, de beroepen gegrond verklaard en daarbij onder andere een forfaitaire proceskostenvergoeding toegewezen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Uitsluitend in geschil is het antwoord op de volgende vraag:

- Heeft belanghebbende recht op een werkelijke proceskostenvergoeding?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de proceskosten en verzoekt het hof tot een vergoeding van de werkelijke proceskosten. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de bestuursrechter bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij gelet op de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Het wetsartikel verwijst naar het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

4.2.

In artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel a, van het Besluit is bepaald dat het bedrag van de te vergoeden proceskosten in beginsel forfaitair vastgesteld wordt overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief. Artikel 2, lid 3, van het Besluit geeft de mogelijkheid hiervan af te wijken. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2001/02, 27 024, nr. 16, p. 3) volgt:

“Artikel 2, derde lid, ziet op de uitzonderlijke gevallen waarin strikte toepassing van deze regeling onrechtvaardig uitpakt. Hierbij kan worden gedacht aan zeer bewerkelijke zaken, bijvoorbeeld een geval waarin de overheid slechts zeer summiere informatie heeft verstrekt waardoor de burger uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal.”

4.3.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit grond is, indien het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden.3 Dit wordt ook wel het “het tegen beter weten in”-criterium genoemd. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat in vergaande mate onzorgvuldig handelen een grond oplevert om een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit aanwezig te achten.4

4.4.

Belanghebbende moet stellen en bij betwisting aannemelijk maken dat en waarom er sprake is van bijzondere omstandigheden welke dienen te leiden tot het toekennen van een hogere vergoeding dan de forfaitaire.5

4.5.

Belanghebbende stelt dat de door de SVB afgegeven A1-verklaring niet onaantastbaar is en de Belastingrechter niet gebonden is aan deze verklaring van de SVB. Daarbij verwijst belanghebbende naar het standpunt van de gemachtigde van de SVB in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Hoge Raad van 5 oktober 2018.6 Daardoor is volgens belanghebbende door de inspecteur gehandeld tegen beter weten in.

4.6.

De inspecteur stelt dat er niet zodanig ernstig onzorgvuldig is gehandeld dat belanghebbende recht heeft op een werkelijke proceskostenvergoeding. De inspecteur verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de inspecteur zich dient te houden aan de A1-verklaring zolang deze niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard.7 Naar aanleiding van het nieuwe besluit van de SVB waarin is vastgesteld dat de Belgische socialeverzekeringswetgeving van toepassing is, heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2013 verminderd. De aanslag is rechtsgeldig opgelegd, omdat ten tijde van de aanslag er gehandeld is overeenkomstig de A1-verklaring van de SVB.

4.7.

Het hof stelt voorop dat bij een werkelijke kostenvergoeding in de zin van het Besluit, sprake dient te zijn van een uitzonderlijke omstandigheid. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met dat wat hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat in onderhavige geval sprake is van handelen tegen beter weten in dan wel in vergaande mate onzorgvuldig handelen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat indien de SVB een A1-verklaring heeft afgegeven, de verklaring bindend is zolang deze niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard.8 Dat houdt in dat de inspecteur dient te handelen overeenkomstig de geldige A1-verklaring. De SVB heeft op 24 juni 2014 een A1-verklaring afgegeven waarin is vastgesteld dat in het onderhavige geval voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing was. Daarna heeft de SVB op 20 maart 2018 een A1-verklaring afgegeven waarin is vastgesteld dat in het onderhavige geval voor de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving van toepassing was. Vervolgens heeft de SVB beslist dat de Belgische socialeverzekeringswetgeving van toepassing was en belanghebbende premieplichtig is in België. De SVB heeft de laatst afgegeven A1-verklaring (ook) ingetrokken. Op dat moment heeft de inspecteur een vrijstelling kunnen geven voor de premie volksverzekeringen voor het volledige jaar 2013. Het feit dat er omtrent de A1-verklaring een lange procedure heeft plaatsgevonden in de bestuursrechtelijke kolom kan niet aan de inspecteur worden toegerekend. Daardoor komt het Hof tot het oordeel dat de inspecteur niet heeft gehandeld tegen beter weten in dan wel in vergaande mate van onzorgvuldigheid in de zin van de uitspraak van de Hoge Raad. Er is daarom geen reden tot een vergoeding van de werkelijke kosten.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, M.J.C. Pieterse en J.J. van den Broek, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 ECLI:NL:CRVB:2017:4469

2 ECLI:NL:CRVB:2019:2797 (betreft een gerectificeerde uitspraak en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2019:852)

3 HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802

4 HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975

5 HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929

6 HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725

7 HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725

8 HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725