Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:970

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
19/00321
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:2396, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar gangbaar spraakgebruik is een voorwerp een tastbaar en handelbaar levenloos object. Hiervan uitgaande is het hof van oordeel dat de luifel kwalificeert als een voorwerp in de zin van de verordening. Belanghebbende heeft niet de grond onder de luifel, die aan de gemeente in eigendom toebehoort, in bezit genomen. Alleen al daarom kan geen sprake zijn van een erfdienstbaarheid, die al dan niet door verjaring is ontstaan. Van een gedoogplicht die voortvloeit uit een erfdienstbaarheid is dan ook geen sprake. De aanslag is terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-03-2020
V-N Vandaag 2020/764
FutD 2020-1057
Belastingblad 2020/194 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/1672 met annotatie van De redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 19/00321

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 26 april 2019, nummer SHE 18/312 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente ’s-Hertogenbosch,

hierna: de heffingsambtenaar

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag precariobelasting (hierna: de aanslag) opgelegd voor een bedrag van € 78,20. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende daarnaast vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 30 januari 2020 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde 1] , en [gemachtigde 2] , ter bijstand van gemachtigde, alsmede, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .

1.6.

Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is in het betreffende jaar eigenaar van het pand gelegen aan de [adres] in [plaats] (hierna: het pand). Onderdeel van het pand is een luifel waarvoor de gemeente ’s-Hertogenbosch (hierna: de gemeente) een bouwvergunning heeft verleend. De luifel is in de jaren 50 van de vorige eeuw gerealiseerd. De luifel heeft vanaf de realisatie onafgebroken boven het trottoir gehangen dat eigendom is van de gemeente. Voor deze luifel is door de gemeente de aanslag opgelegd waarbij is uitgegaan van 23 meter tegen een tarief van € 3,40 per strekkende meter.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag terecht is opgelegd.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De artikelen 2 en 4 van de Verordening op de heffing en de invordering van een precariobelasting in de gemeente ‘s-Hertogenbosch 2017 (hierna: de verordening) luiden (voor zover van toepassing):

“Artikel 2 Belastbaar feit

1. Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.”

“Artikel 4 Vrijstelling

De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van:

(…)

f. voorwerpen, welke ingevolge wettelijk voorschrift kosteloos of tegen een bij of krachtens dat voorschrift bepaalde vergoeding moeten worden gedoogd;”

4.2.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een voorwerp zoals bedoeld in de verordening en dat daarom is de aanslag precariobelasting onterecht opgelegd. Subsidiair stelt belanghebbende dat de luifel op grond van een wettelijk voorschrift moeten worden gedoogd door de gemeente, namelijk op grond van een door verjaring verkregen erfdienstbaarheid. Daarom geldt voor de luifel een vrijstelling en kan geen precariobelasting worden geheven. Belanghebbende voert daartoe aan dat de luifel al sinds de jaren 50 van de vorige eeuw aan het pand hangt en de heffingsambtenaar volgens belanghebbende zelf heeft erkend dat de gemeente verwijdering van de luifel niet meer kan vorderen. De heffingsambtenaar bestrijdt de standpunten van belanghebbende.

Is de luifel een voorwerp?

4.3.

In artikel 228 van de Gemeentewet is opgenomen dat er ten aanzien van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond een precariobelasting kan worden geheven. Daarbij is geen definitie opgenomen ten aanzien van het begrip voorwerpen. Gemeenten hebben daardoor de vrijheid om zelf beleidsmatige keuzes te maken in hun verordening, als zij ervoor kiezen precariobelasting te heffen. De gemeente heeft ervoor gekozen om de term voorwerpen in de verordening op te nemen zonder nadere toelichting van het begrip. Naar gangbaar spraakgebruik is een voorwerp een tastbaar en handelbaar levenloos object. Hiervan uitgaande is het hof van oordeel dat de luifel kwalificeert als een voorwerp in de zin van de verordening. Dat de luifel onderdeel is van het pand van belanghebbende, maakt dit niet anders. Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende.

Is er sprake van een erfdienstbaarheid?

4.4.

Belanghebbende heeft niet de grond onder de luifel, die aan de gemeente in eigendom toebehoort, in bezit genomen. Alleen al daarom kan geen sprake zijn van een erfdienstbaarheid, die al dan niet door verjaring is ontstaan. Het standpunt van belanghebbende dat het bezit van de erfdienstbaarheid al volgt uit het enkele feit dat de luifel gedurende vele jaren aan de muur van het pand hangt, is dan ook onjuist. Belanghebbende gaat er ten onrechte vanuit dat de benodigde wilsuiting om een erfdienstbaarheid te kunnen verkrijgen ten aanzien van de grond gericht moet zijn op het bezit van de luifel en niet op het bezit van de grond zelf. Het enkele feit dat belanghebbende stelt niet de grond maar een deel van de luchtkolom boven de grond te claimen, maakt dit niet anders, aangezien hiermee nog steeds geen sprake is van een bezitshandeling ten aanzien van het dienende erf, te weten de onder de luifel gelegen gemeentegrond. Van een gedoogplicht die voortvloeit uit een erfdienstbaarheid is dan ook geen sprake. De aanslag is terecht opgelegd.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan op 13 maart 2020 door J.H. Bogert, voorzitter, P. Fortuin en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van J.A.L. Heldens, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.