Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:966

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
03-04-2020
Zaaknummer
20-002951-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002951-19

Uitspraak : 12 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 september 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-212195-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van:

  • -

    belaging, meermalen gepleegd (feit 1);

  • -

    opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd (feit 2);

veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft aan het voorwaardelijke strafdeel een viertal bijzondere voorwaarden verbonden, te weten een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met [slachtoffer] en een gebiedsverbod dat inhoudt dat verdachte zich niet zal bevinden binnen een straal van 3 kilometer van de woning aan [adres slachtoffer] (inclusief elektronische controle). Voorts is bij vonnis waarvan beroep beslist op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] . Tot slot is bij dit vonnis het reeds geschorste, tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met aanvulling van de bepaling dat het bepaalde in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is op de bijzondere voorwaarden die de politierechter aan de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft verbonden en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de op te leggen schadevergoedingsmaatregel en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    de bijzondere voorwaarden die de politierechter aan de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft verbonden dadelijk uitvoerbaar zal verklaren;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal toewijzen tot een bedrag van € 3.651,50 (bestaande uit € 2.401,50 aan materiële schade en € 1.250,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging bepleit dat deze zal worden toegewezen tot een bedrag van maximaal € 1.632,73 (bestaande uit € 632,73 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade).

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juli 2019 tot en met 2 september 2019 te Waalwijk en/of te Wijchen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:

- meermalen WhatsAppberichten en/of e-mailberichten met bedreigende en/of beledigende tekst(en) te versturen naar die [slachtoffer] en/of

- meermalen via Facebook contact te zoeken met de dochter en/of een vriendin ( [naam vriendin slachtoffer] ) van die [slachtoffer] en/of

- meermalen te bellen naar die [slachtoffer] en/of voicemails in te spreken en/of

- meermalen zich in persoon op te houden in de nabijheid van die [slachtoffer] en/of

- meermalen zich in persoon op te houden in de directe omgeving van het werk van die [slachtoffer] en/of

- meermalen goederen achter te laten en/of te overhandigen bij/aan die [slachtoffer] ,

met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2.
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juli 2019 tot en met 2 september 2019 te Waalwijk, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk:

- meerdere planten en/of

- meerdere lampjes en/of

- meerdere (sloten van) deuren en/of

- de (gehele) voorgevel (van de woning gelegen aan [adres slachtoffer] ),

in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde(n), heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 22 juli 2019 tot en met 2 september 2019 te Waalwijk en te Wijchen wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door:

- meermalen WhatsAppberichten en e-mailberichten met beledigende teksten te versturen naar die [slachtoffer] en

- via Facebook contact te zoeken met de dochter en een vriendin ( [naam vriendin slachtoffer] ) van die [slachtoffer] en

- meermalen te bellen naar die [slachtoffer] en voicemails in te spreken en

- meermalen zich in persoon op te houden in de nabijheid van die [slachtoffer] en

- zich in persoon op te houden in de directe omgeving van het werk van die [slachtoffer] en

- goederen achter te laten bij die [slachtoffer] ,

met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen;

2.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 22 juli 2019 tot en met 2 september 2019 te Waalwijk opzettelijk en wederrechtelijk:

- meerdere planten en

- meerdere lampjes en

- meerdere (sloten van) deuren en

- de voorgevel van de woning gelegen aan [adres slachtoffer] ,

die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Nu verdachte het onder 1 bewezen verklaarde heeft bekend en er ter zake geen vrijspraak is bepleit, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Het hof acht voornoemd feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de navolgende bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 27 februari 2020.

2. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 12 september 2019.

3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 augustus 2019 (dossierpagina’s 87-92), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] .

4. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 7 augustus 2019 (dossierpagina’s 131 en 132), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] .

5. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2019 (dossierpagina’s 141-143), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] .

6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 augustus 2019 (dossierpagina’s 48 en 49), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] .

7. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 augustus 2019 (dossierpagina’s 79 en 80), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] .

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 13 augustus 2019 (dossierpagina’s 150 en 151), inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1] .

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Nu verdachte het onder 2 bewezen verklaarde heeft bekend en er ter zake geen vrijspraak is bepleit, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Het hof acht voornoemd feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de navolgende bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 27 februari 2020.

2. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 12 september 2019.

3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 augustus 2019 (dossierpagina’s 87-92), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] .

4. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 7 augustus 2019 (dossierpagina’s 131 en 132), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] .

5. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2019 (dossierpagina’s 141-143), inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer] .

Bewijsoverwegingen

Algemene overwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog opgemerkt dat slechts een korte periode sprake was van belaging en dat de start daarvan niet gedateerd kan worden onmiddellijk na de verbreking van de relatie op 22 juli 2019.

Het hof is van oordeel dat de belaging heeft plaatsgevonden binnen de ten laste gelegde en bewezen verklaarde periode. De kwalificatie ‘belaging’ is weliswaar minder passend voor de eerste pogingen van verdachte om contact te zoeken respectievelijk te herstellen wanneer die op zichzelf worden beschouwd, maar past zonder meer bij de handelingen van verdachte kort voor en na het stopgesprek op 6 augustus 2019, terwijl ook de indringendheid (en soms ongepastheid) van de eerdere pogingen om contact te zoeken bijdraagt aan de indringendheid van de daaropvolgende pogingen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

De verdediging heeft het hof verzocht om de hoogte van de door de politierechter opgelegde straffen te matigen. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht om aan een eventueel op te leggen gebiedsverbod geen elektronische controle te verbinden.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt bij het bepalen van de straffen in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] , zijnde zijn ex-partner. Hierdoor is gedurende een periode van circa een maand inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van voornoemd slachtoffer. Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van de belaagden. De bewezen verklaarde belaging heeft het slachtoffer, blijkens de door haar gedane aangiftes en de ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaringen, ernstig gehinderd in haar dagelijks leven. Voorts heeft zij hierdoor hevige gevoelens van angst en onveiligheid ervaren, waardoor zij zich op enig moment zelfs niet meer veilig voelde in haar eigen woning. Dit alles rekent het hof verdachte zwaar aan.

Naast de bewezen verklaarde belaging heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan het vernielen, beschadigen en onbruikbaar maken van goederen die aan [slachtoffer] toebehoorden door planten en lampjes kapot te knippen, sloten van meerdere deuren van de woning van aangeefster dicht te lijmen en de voorgevel van voornoemde woning te besmeuren met verf. Dit bewezen verklaarde handelen van verdachte kan in het algemeen een zeer bedreigende en intimiderende indruk op het slachtoffer maken, met name in combinatie met de eveneens bewezen verklaarde belaging. Bovendien heeft verdachte met dit handelen schade toegebracht aan het slachtoffer en heeft hij geen respect getoond voor andermans eigendommen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van belaging of vernieling, maar waaruit tevens blijkt dat hij in het verleden reeds meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheden dat hij inmiddels een relatie met een nieuwe partner heeft en dat hij een WIA-uitkering ter hoogte van € 1.500,00 per maand ontvangt.

Tot slot heeft het hof gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 4 september 2019, waarin de reclassering oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf heeft geadviseerd met daaraan gekoppeld een aantal bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met [slachtoffer] en een gebiedsverbod dat inhoudt dat verdachte zich niet zal bevinden binnen een straal van 3 kilometer van de woning van aangeefster (inclusief elektronische controle).

Alle omstandigheden afwegende acht het hof een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 weken met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Aan het voorwaardelijke strafdeel zal het hof de hierboven genoemde, door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. Het hof zal aan het gebiedsverbod echter geen elektronische controle verbinden, nu het hof dit niet noodzakelijk acht teneinde recidive te voorkomen.

Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd zal het hof de bijzondere voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu het hof van oordeel is dat er zich thans geen situatie voordoet waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van [slachtoffer] of een of meer andere personen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.959,21, bestaande uit € 3.209,21 aan materiële schade en € 1.750 aan immateriële schade. De vordering is, voor zover betrekking hebbend op de materiële schade, als volgt opgebouwd:

  1. Vernielde spullen achtertuin € 115,00

  2. Herstelkosten poort € 471,91

  3. Herstelkosten gevelpui en voordeur (schilderwerk) € 1.160,00

  4. Belkosten € 25,00

  5. Kosten Aware € 130,00

  6. Tegemoetkoming verlofuren € 217,92

  7. Plaatsen camerasysteem bij woning benadeelde € 466,90

  8. Medicatie € 19,69

  9. Schade aan auto € 574,75

  10. Reiskosten € 28,04

De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.304,64, bestaande uit € 1.304,64 aan materiële schade en € 1.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Ten behoeve van de leesbaarheid zullen de schadeposten afzonderlijk van elkaar worden besproken.

Materiële schade

De gevorderde schade met betrekking tot post 1 (vernielde spullen achtertuin) acht het hof toewijsbaar tot een bedrag van € 60,00, bestaande uit de vernielde tuinverlichting à € 25,00 en de met verf besmeurde voordeurbel à € 35,00. Ten aanzien van de overige onder voornoemde post gevorderde schade, bestaande uit een weggenomen waslijn en weggenomen tuinfakkels en kussenslopen, is het hof van oordeel dat dit geen schade betreft die rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten. Het hof zal de benadeelde partij derhalve in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Het hof acht de gevorderde schade met betrekking tot post 2 (herstelkosten poort) het rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte. Het hof is echter met de verdediging van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 471,91 bovenmatig voorkomt, zodat slechts een gedeelte van de gevorderde schade zal worden toegewezen. Het hof begroot deze schade op een bedrag van € 150,00. Voor het overige zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Met betrekking tot de gevorderde schade onder post 3 (herstelkosten gevelpui en voordeur) overweegt het hof dat de benadeelde partij kosten heeft moeten maken om de verfschade aan de gevelpui en voordeur te herstellen. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de geleden schade door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. De onder post 3 gevorderde kosten à € 1.160,00 zullen dan ook geheel worden toegewezen.

Met betrekking tot de posten 4 (belkosten), 8 (medicatie) en 10 (reiskosten) overweegt het hof dat deze gevorderde kosten geheel zullen worden toegewezen. De verdediging heeft de hoogte van deze onderdelen van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep immers niet betwist, terwijl de geleden schade door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd.

Anders dan de politierechter is het hof van oordeel dat de gevorderde schade met betrekking tot de posten 5 (kosten Aware) en 7 (plaatsen camerasysteem bij woning benadeelde) voor vergoeding in aanmerking komt. Weliswaar strekken de aanschaf van een alarm- en camerasysteem ertoe soortgelijke feiten in de toekomst te voorkomen en/of in het vervolg aanstonds de politie te kunnen bereiken, maar het hof neemt aan dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt als gevolg van de bewezen verklaarde feiten, zodat deze hiervoor een conditio sine qua non vormen. Voornoemde kosten zijn redelijkerwijs toe te rekenen aan en het rechtstreekse gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte.

Met betrekking tot de gevorderde schade onder post 9 (schade aan auto) is het hof van oordeel dat dit geen schade betreft die rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten. Het hof zal de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren in de vordering met betrekking tot deze post.

Tot slot is het hof van oordeel dat de gevorderde schade onder post 6 (tegemoetkoming verlofuren) voor vergoeding in aanmerking komt, nu door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten. Evenals de politierechter begroot het hof deze schade op een bedrag van € 100,00. Voor het overige zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

In totaal komen de volgende posten voor vergoeding van materiële schade in aanmerking:

  1. Vernielde spullen achtertuin € 60,00

  2. Herstelkosten poort € 150,00

  3. Herstelkosten gevelpui en voordeur (schilderwerk) € 1.160,00

  4. Belkosten € 25,00

  5. Kosten Aware € 130,00

  6. Tegemoetkoming verlofuren € 100,00

  7. Plaatsen camerasysteem bij woning benadeelde € 466,90

  8. Medicatie € 19,69

10. Reiskosten € 28,04

Totaal € 2.139,63

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het hof is derhalve van oordeel dat de gevorderde immateriële schadevergoeding onder het bereik van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Voorts is het hof van oordeel dat de geleden immateriële schade voldoende is onderbouwd. Het hof begroot de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,00. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Totale schade en wettelijke rente

In totaal wijst het hof een bedrag van (€ 2.139,63 + € 1.000,00 =) € 3.139,63 aan schadevergoeding toe.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van materiële en immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 september 2019 – zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode – tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 41 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de veroordeelde zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland in de regio Nijmegen en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die uiterlijk loopt tot het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

  • -

    dat de veroordeelde zich gedurende de gehele proeftijd – of zoveel korter als de reclassering nodig vindt – zal laten behandelen door een psychiatrische polikliniek waarbij diagnostiek een onderdeel van de behandeling is, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

  • -

    dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt, waarbij het hof bepaalt dat de politie zal toezien op de handhaving van dit contactverbod;

  • -

    dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd – of zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt – niet in een straal van 3 kilometer van [adres slachtoffer] zal bevinden.

Geeft aan de reclassering opdracht tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.139,63 (drieduizend honderdnegenendertig euro en drieënzestig cent), bestaande uit

€ 2.139,63 (tweeduizend honderdnegenendertig euro en drieënzestig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 3.139,63 (drieduizend honderdnegenendertig euro en drieënzestig cent), bestaande uit € 2.139,63 (tweeduizend honderdnegenendertig euro en drieënzestig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 41 (eenenveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 2 september 2019.

Aldus gewezen door:

mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter,

mr. B. Stapert en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 12 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E.E. van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Brabant, basisteam Langstraat, proces-verbaalnummer PL2000-2019211514, sluitingsdatum 4 september 2019, doorgenummerde dossierpagina’s 1-210. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.