Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:936

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
200.270.313_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 12 maart 2020

Zaaknummer : 200.270.313/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/357090 / FA RK 19-1743

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [de moeder 1] ,

advocaat: mr. C.L. de Koeijer,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    [belanghebbende] (hierna te noemen: [de moeder 2] );

  • -

    Stichting Intervence (hierna te noemen: de GI);

  • -

    de heer en mevrouw [de pleegouders van de minderjarige 1] (hierna te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 1] ;

  • -

    de heer en mevrouw [de pleegouders van de minderjarige 2] (hierna te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 2] ).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 oktober 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 december 2019, heeft [de moeder 1] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het gezag van [de moeder 1] in stand te laten, althans een onderzoek ex artikel 810a Rv te gelasten.

2.2.

Er is geen verweerschrift ingekomen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 februari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- [de moeder 1] , bijgestaan door mr. De Koeijer;

- [de moeder 2] , bijgestaan door mr. de Houck;

- de pleegouders van [de minderjarige 1] ;

- de pleegmoeder van [de minderjarige 2] .

2.3.1.

De GI is behoorlijk opgeroepen, maar niet ter mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van [de moeder 1] d.d. 7 januari 2020;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 1 oktober 2019;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 3 februari 2020;

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van [de moeder 2] voorgedragen en overgelegde pleitaantekeningen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van [de moeder 2] en [de moeder 1] (toen nog de vader) zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [de minderjarige 1] (hierna te noemen: [de minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2010, te [geboorteplaats]

- [de minderjarige 2] (hierna te noemen: [de minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2012, te [geboorteplaats] ;

hierna tezamen ook: de kinderen.

[de moeder 1] heeft een nieuwe partner. In de relatie tussen [de moeder 1] en haar nieuwe partner is op [geboortedatum] 2019 [de minderjarige 3] geboren. [de minderjarige 3] is onder toezicht gesteld.

3.2.

[de moeder 1] heeft de kinderen erkend.

[de moeder 1] en [de moeder 2] zijn op 1 oktober 2013 gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 mei 2015 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, die op 1 juni 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

[de moeder 2] en [de moeder 1] hebben tot de bestreden beschikking het gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen uitgeoefend.

3.3.

De kinderen zijn in april 2014 in het vrijwillige kader bij hun afzonderlijke pleegouders gaan wonen.

3.4.

Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 april 2016 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 5 april 2016 en is een machtiging uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verleend eveneens met ingang van 5 april 2016. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn nadien steeds verlengd en gelden nog tot 5 april 2020.

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van [de moeder 1] en [de moeder 2] over de kinderen beëindigd en is de GI benoemd tot voogdes over de kinderen.

3.6.

[de moeder 1] kan zich met deze beslissing niet verenigen voor zover het betreft de beëindiging van haar gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft zij haar verzoek ingetrokken voor zover het hoger beroep gericht was tegen de beëindiging van haar gezag over [de minderjarige 2] . Het hof begrijpt dat [de moeder 1] haar grieven voor zover het [de minderjarige 2] betreft niet handhaaft. Dit leidt ertoe dat het hof [de moeder 1] in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren.

Het navolgende heeft daarom uitsluitend betrekking op [de minderjarige 1] .

3.7.

[de moeder 1] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

[de moeder 1] was het niet eens met de onderzoeksopzet van de raad. Zij heeft er niet mee ingestemd dat de school en de speltherapeut van [de minderjarige 1] niet als informanten zouden worden betrokken. Zij hadden objectieve en actuele informatie kunnen verschaffen. [de minderjarige 1] zelf had ook moeten worden gehoord. [de minderjarige 1] weet van de procedure en zij heeft het recht om gehoord te worden, ondanks haar jonge leeftijd (artikel 12 IVRK).

[de moeder 1] is in staat de verzorging en opvoeding voor [de minderjarige 1] te dragen, althans zij zal binnen een aanvaardbare termijn daartoe in staat zijn. Zij wil werken aan de relatie met [de moeder 2] en de pleegouders van [de minderjarige 1] . [de moeder 1] zal het contact tussen [de minderjarige 1] en de pleegouders blijven bevorderen. Ook zal zij ervoor zorgen dat [de minderjarige 1] naar haar huidige school kan blijven gaan.

Over de opvoedsituatie bij [de moeder 1] bestaan geen onduidelijkheden en onzekerheden. De voorgenomen verhuizing naar [plaats] kan uitgesteld worden als dat in het belang van [de minderjarige 1] wordt geacht. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige 3] is gebaseerd op de (eerdere) ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en de ondertoezichtstelling van de kinderen van haar nieuwe partner.

De GI heeft nooit op thuisplaatsing ingezet en nooit de pedagogische vaardigheden van [de moeder 1] onderzocht, ondanks dat de uithuisplaatsing als een ultimum remedium moet worden beschouwd. Al vóór de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing waren uitgesproken, had de GI het standpunt ingenomen dat het perspectief van [de minderjarige 1] in het pleeggezin lag.

[de minderjarige 1] is niet kwetsbaar. Bij [de moeder 1] is zij open en laat zij zichzelf zien. In het pleeggezin wordt haar die ruimte niet geboden, weet [de moeder 1] uit eigen ervaring, omdat de pleegouders van [de minderjarige 1] haar ouders zijn.

Enkel vanwege tijdsverloop is het gezag beëindigd. Aan [de moeder 1] is [de minderjarige 1] nog steeds veiliger gehecht dan aan de pleegouders, zodat een terugplaatsing niet schadelijk hoeft te zijn. Opgroeien in een pleeggezin heeft overigens ook negatieve consequenties voor de ontwikkeling van een kind.

Hoewel eerder aan [de minderjarige 1] is verteld dat zij in het pleeggezin zal blijven, wist [de minderjarige 1] ook dat [de moeder 1] in toekomst weer zelf voor [de minderjarige 1] wil zorgen. Een onderzoek op grond van artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) hoeft [de minderjarige 1] dan ook niet te schaden. Een deskundigenonderzoek biedt [de moeder 1] een eerlijke positie in deze procedure, dan wel een middel om de pleeggezinplaatsing te accepteren.

Geconcludeerd dient te worden dat niet aan de wettelijke criteria van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan.

3.8.

De raad voert tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

Het beleid van de raad is dat in een raadsonderzoek kinderen pas vanaf twaalf jaar worden gehoord. [de minderjarige 1] was negen jaar ten tijde van het onderzoek en dus te jong. Haar horen zou te belastend zijn geweest, ook gezien haar kwetsbaarheid. De informatie van school en speltherapie is via de GI wel in het onderzoek meegenomen. De speltherapie is bovendien in januari 2019 gestopt, zodat die informatie op het moment van het raadsonderzoek niet meer actueel was.

Er is nog steeds geen duidelijkheid over de vraag of [de moeder 1] (op termijn) gaat verhuizen naar [plaats] . [de minderjarige 3] is onder toezicht gesteld en dus werd [de minderjarige 3] ten tijde van het uitspreken van de ondertoezichtstelling in zijn ontwikkeling bedreigd. De situatie bij [de moeder 1] is dus ongewijzigd. De raad acht de stelling van [de moeder 1] dat zij contacten tussen [de minderjarige 1] en het pleeggezin zal bevorderen strijdig met de mate waarin zij het pleeggezin diskwalificeert. [de moeder 1] is wisselend in haar stellingen.

Sinds 2015 is niet meer ingezet op thuisplaatsing. In alle rapportages is ook steeds gemotiveerd waarom dat niet meer aan de orde kon zijn. [de moeder 1] is in die visie meegegaan. Zij kan daarop terugkomen, maar voor [de minderjarige 1] en de betrokken instanties is het moeilijk om daarin mee te gaan en het beleid daarop aan te passen.

Niet alleen vanwege het tijdsverloop is het gezag beëindigd: de beslissing is ook inhoudelijk gemotiveerd. [de moeder 1] heeft zelf geen onderzoek geïnitieerd naar haar pedagogische vaardigheden en de mogelijkheden van thuisplaatsing. Daarnaast zijn er echter ook praktische redenen waarom een terugkeer naar de thuissituatie niet mogelijk was. Dat [de minderjarige 1] kwetsbaar is, blijkt al uit het gegeven dat zij speltherapie heeft gevolgd. De stelling van [de moeder 1] dat [de minderjarige 1] niet kwetsbaar is, is niet onderbouwd en dit staat ook haaks op de ervaringen van alle andere betrokkenen rondom [de minderjarige 1] . [de moeder 1] projecteert haar eigen ervaringen in het pleeggezin in het verleden, op [de minderjarige 1] .

Een artikel 810a Rv onderzoek zou [de minderjarige 1] belasten, terwijl zij geen last zou moeten hebben van de geschillen tussen [de moeder 1] en de GI. Wanneer [de moeder 1] zegt dat een onderzoek haar zou kunnen helpen in het proces van acceptatie, moet [de minderjarige 1] wel op die acceptatie kunnen rekenen.

De raad concludeert dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

3.9.

[de moeder 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht.

[de moeder 2] begrijpt en staat achter de keuze van de raad om [de minderjarige 1] niet te horen. Dat zou [de minderjarige 1] te zwaar hebben belast. De belangrijkste informatie van school en speltherapie is meegenomen in het onderzoek. [de moeder 1] heeft voor het eerst bij het verweerschrift in eerste aanleg kenbaar gemaakt dat zij het niet eens was met het onderzoeksplan.

Aan de kinderen is duidelijk verteld dat zij in het pleeggezin mogen opgroeien, niet dat zij eventueel nog zullen terugkeren naar één van de ouders. Destijds zijn de mogelijkheden van thuisplaatsing voldoende onderzocht. Maar ook als dat niet zou zijn gebeurd, is het niet in het belang van de kinderen om dat nu nog te onderzoeken. Zij zijn gehecht in het pleeggezin en gewend aan de situatie.

[de moeder 1] geeft onvoldoende openheid. Dat zij niet meer naar [plaats] zou willen verhuizen, is nieuw voor [de moeder 2] . Er is weinig zicht op de situatie bij [de moeder 1] .

Dat [de minderjarige 1] kwetsbaar is, wordt door alle betrokkenen gezien. Iedereen beschrijft het gedrag van [de minderjarige 1] hetzelfde, behalve [de moeder 1] . Niemand ziet echter het gedrag van [de minderjarige 1] bij mevrouw [de moeder 1] , omdat niemand daar over de vloer komt of mag komen omdat de relaties niet goed zijn.

Niet alleen vanwege het verstrijken van de tijd is het gezag beëindigd, maar ook vanwege de slechte communicatie tussen [de moeder 1] en alle andere belangrijke personen in het leven van [de minderjarige 1] en de structurele onduidelijkheden over de weekenden waarin [de minderjarige 1] bij [de moeder 1] verblijft.

[de moeder 2] ziet geen meerwaarde in een nader onderzoek. Het is in het belang van de kinderen dat zij stabiel kunnen opgroeien en dat de procedures stoppen.

De ultieme wens van [de moeder 2] is dat de voogdij over [de minderjarige 1] (en [de minderjarige 2] ) uiteindelijk bij de pleegouders wordt gelegd, zodat zij de belangrijke keuzes voor de kinderen kunnen maken.

3.10.

De pleegouders van [de minderjarige 1] hebben tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht.

De pleegouders betreuren dat [de moeder 1] zo negatief over hen praat. De situatie van de pleegouders is al zeer lange tijd stabiel. De pleegouders zijn ervan overtuigd dat zij [de minderjarige 1] kunnen bieden wat zij nodig heeft.

Aan [de minderjarige 1] is al twee keer verteld dat zij in het pleeggezin mag opgroeien. Zij heeft uitgesproken dat zij blij is dat zij in het pleeggezin kan blijven wonen en naar haar eigen school kan blijven gaan, bij haar eigen vrienden en vriendinnen. Zij voelt zich thuis bij de pleegouders en zij vertrouwt hen.

[de minderjarige 1] maakt een voorzichtige groei door. Zij heeft veel baat (gehad) bij de therapie. Op school wordt ondersteuning gegeven in verband met haar dyslexie.

De pleegouders betreuren de slechte verstandhouding met [de moeder 1] . In het verleden hebben zij gemerkt dat het tussen hen óf heel goed gaat, óf heel slecht; er zat weinig tussenin. De pleegouders vinden het prettig dat oppervlakkig contact bij de overdracht van [de minderjarige 1] nu wel mogelijk is.

3.11.

De GI heeft een mail overgelegd van de jeugdzorgwerker aan [de moeder 1] van 19 december 2018 met als onderwerp “argumentatie opgroeiperspectief [de minderjarige 1] ” waarin een uitleg wordt gegeven waarom de GI van mening is dat [de minderjarige 1] in een pleeggezin zou moeten opgroeien, en niet bij [de moeder 1] . Tevens is door de GI de gezinsrapportage/het plan van aanpak in het kader van de voogdij d.d. 16 januari 2020 overgelegd.

3.12.

Het hof overweegt het volgende.

3.12.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.12.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen waardering en afweging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [de minderjarige 1] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en [de moeder 1] niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige 1] aanvaardbaar te achten termijn.

3.12.3.

De grieven van [de moeder 1] zijn met name gericht tegen de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking met betrekking tot de onderzoeksmethode van de raad en de vraag of [de moeder 1] in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] voldoende kansen is geboden om de zorg voor [de minderjarige 1] weer op zich te nemen (en in dat kader: of voldoende onderzoek is gedaan naar haar pedagogische kwaliteiten).

3.12.4.

De houding van [de moeder 1] over de pleeggezinplaatsing van [de minderjarige 1] is voorafgaand aan de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in april 2014, maar ook daarna, zeer wisselend geweest. Uiteindelijk is in 2016 door beide ouders, in aanwezigheid van de GI en de pleegouders, aan [de minderjarige 1] verteld dat zij in het pleeggezin verder mag opgroeien. Dit gaf [de minderjarige 1] rust. Op dat moment was [de moeder 1] zelf van mening dat zij [de minderjarige 1] geen perspectief kon bieden, ook vanwege praktische en financiële belemmeringen. In juli 2017 is [de moeder 1] op dit standpunt teruggekomen. Van de GI kon naar het oordeel van het hof niet verwacht worden dat zij hierin zonder meer en onmiddellijk zou meebewegen met [de moeder 1] , te meer gelet op het mogelijk verwarrende signaal dat hierdoor aan [de minderjarige 1] zou worden afgegeven.

3.12.5.

[de moeder 1] meent weliswaar dat aan haar alsnog een kans moet worden gegeven om te werken naar thuisplaatsing van [de minderjarige 1] , omdat zij hiertoe mogelijkheden bij zichzelf en bij [de minderjarige 1] ziet.

[de moeder 1] heeft echter nagelaten enige althans voldoende inzicht te verschaffen in haar huidige (leef)situatie. Er is daarover veel onduidelijk. Het is evenmin duidelijk hoe concreet de verhuisplannen van [de moeder 1] zijn. Ook is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt op grond van welke omstandigheden de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 3] tot stand is gekomen.

Daarbij komt dat de ‘aanvaardbare termijn’ in het geval van [de minderjarige 1] al ruimschoots verstreken is. [de minderjarige 1] is bijna tien jaar oud en zij verblijft bijna zes jaar in het pleeggezin, waar zij zich goed ontwikkelt. In het pleeggezin wordt haar, naast een stabiele opvoedomgeving en een verantwoord pedagogisch klimaat, de steun en begeleiding geboden die zij nodig heeft om binnen haar mogelijkheden zich optimaal te kunnen ontwikkelen.

[de minderjarige 1] heeft het hard nodig dat in deze situatie geen verandering wordt gebracht. Ook heeft zij het nodig dat haar duidelijk en zonder voorbehoud kan worden gezegd dat zij in het pleeggezin mag blijven, te meer nu – gezien de wens van [de moeder 1] – zij niet langer het gevoel mag hebben dat aan haar wordt ‘getrokken’.

3.12.6.

Voor zover [de moeder 1] het niet eens is met de manier waarop informatie van school en speltherapie is verwerkt in het raadsonderzoek c.q. – rapport wordt geconstateerd dat zij niet heeft geconcretiseerd op welke manier en in welke mate de informatie die indirect van deze bronnen afkomstig is, op een onjuiste manier in het raadsrapport zouden zijn verwerkt. De grieven falen dan ook in zoverre.

Voorts falen de grieven voor zover die zien op de beslissing van de raad om [de minderjarige 1] niet te horen. Gelet op haar jonge leeftijd (ten tijde van het raadsonderzoek 9 jaar) en het feit dat zij kwetsbaar is, was het geenszins onzorgvuldig om [de minderjarige 1] nog niet aldus in het onderzoek te betrekken. [de minderjarige 1] heeft al het nodige meegemaakt, gelet op de scheiding van haar ouders, de plaatsing in het pleeggezin, de ingewikkelde gezins-/familiestructuur en de spanningen tussen de belangrijke mensen in haar leven. [de minderjarige 1] heeft huilbuien en zij vindt het moeilijk om haar gevoelens te benoemen en te uiten. Speltherapie is nodig (geweest) om haar hierin te ondersteunen. Gelet hierop is dan ook voldoende aannemelijk dat [de minderjarige 1] , anders dan [de moeder 1] betoogt, een jong kwetsbaar meisje is, hetgeen de raad op goede gronden bij de afweging om haar niet te horen heeft betrokken.

Deskundigenonderzoek ex artikel 810 a Rv

3.12.7.

Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming, die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken, ook als het gaat om een standpunt van een GI. Artikel 810a lid 2 Rv is niet alleen van toepassing in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen maar tevens in zaken met betrekking tot de uithuisplaatsing van minderjarigen (zie hierover de beschikking van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:575, rechtsoverweging 3.3.3).

3.11.8.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel moet worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind (vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, rechtsoverweging 3.3.2).

3.12.8.

Ook als het deskundigenonderzoek zou uitwijzen dat [de moeder 1] over voldoende opvoedkwaliteiten beschikt om de zorg voor [de minderjarige 1] (op termijn) weer op zich te nemen, is het hof van oordeel dat een dergelijke uitkomst niets kan afdoen aan het feit dat, zoals hiervoor onder 3.11.6. is geoordeeld, de ‘aanvaardbare termijn’ voor [de minderjarige 1] is verstreken. Daarmee staat vast dat de uitkomst van het onderzoek niet mede beslissend kan zijn voor deze uitspraak. [de minderjarige 1] kan niet langer wachten op duidelijkheid over haar perspectief. Het uitstellen van de beslissing over het perspectief van [de minderjarige 1] acht het hof derhalve in strijd met het belang van [de minderjarige 1] . Daarbij komt dat voldoende aannemelijk is dat een deskundigenonderzoek als verzocht onder de gegeven omstandigheden [de minderjarige 1] alleen maar (extra) zal belasten. Ook daarom acht het hof het verzochte deskundigenonderzoek in strijd met het belang van [de minderjarige 1] . Derhalve wijst het hof dit verzoek van [de moeder 1] af.

3.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve voor zover de beëindiging van het gezag van [de moeder 1] over [de minderjarige 1] betreft.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart [de moeder 1] niet-ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep tegen voormelde beschikking, voor zover daarbij het gezag van [de moeder 1] over de minderjarige [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , is beëindigd;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 30 oktober 2019, voor zover daarbij het gezag van [de moeder 1] over de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , is beëindigd;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.D.M. Lamers en C.N.M. Antens en is op 12 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.