Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:932

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
200.258.947_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gezag;

zorgregeling;

gezamenlijk gezag. Regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedtaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 12 maart 2020

Zaaknummer: 200.258.947/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/328622/FA RK 17-6210_02

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in principaal hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L. Stam.

Deze zaak gaat over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 februari 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 mei 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en opnieuw rechtdoende primair een co-ouderschapsregeling vast te stellen, subsidiair een omgangsregeling vast te stellen van eens in de twee weken dinsdagochtend 9.00 uur tot en met maandagochtend, althans een regeling zoals het hof juist acht. Daarnaast heeft de vader verzocht een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen zoals in zijn petitum beschreven.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2019, heeft de moeder verzocht de grieven van de vader ongegrond te verklaren dan wel af te wijzen. Tevens heeft de moeder bij verweerschrift incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verdeling van de zorg- en opvoedtaken en primair een contactregeling vast te stellen van zaterdagochtend 10.00 uur tot zondag 18.00 uur en subsidiair van vrijdagmiddag na school tot zondag 18.00 uur.

De moeder heeft voorts in voorwaardelijk incidenteel appel verzocht (indien de gesprekken bij Oosterpoort geen aantoonbare verbetering opleveren in de communicatie), de bestreden beschikking te wijzigen in die zin dat het verzoek van de vader in eerste aanleg om mede met het gezag te worden belast, alsnog af te wijzen. De moeder heeft aanvullend verzocht een bijzondere curator te benoemen en een vakantieregeling te bepalen zoals zij in haar petitum heeft omschreven.

2.2.1.

Bij verweerschrift op het incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 1 augustus 2019, heeft de vader verzocht – kort gezegd – om de verzoeken van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 februari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Gulickx;

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Stam;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 maart 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 11 januari 2019;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 14 mei 2019;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 23 januari 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 23 januari 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 4 februari 2020.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren.

3.2.

De vader heeft [de minderjarige] op 1 augsustus 2018 erkend.

Tot aan de bestreden beschikking heeft de moeder steeds het gezag over haar alleen uitgeoefend.

3.3.

[de minderjarige] staat sinds 21 september 2018 onder toezicht van de GI.

3.4.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat het gezag over [de minderjarige] voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt en een zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven, kort gezegd: eenmaal per 14 dagen van donderdag 17 uur tot maandagochtend voor school en voorts de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen.

3.5.

De vader en de moeder kunnen zich met (delen van) deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in principaal respectievelijk incidenteel hoger beroep gekomen. De vader wil meer omgang en de moeder minder.

3.6.

De vader voert, kort samengevat het volgende aan.

De vader wenst co-ouderschap. Het wettelijk uitgangspunt is ook een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedtaken. Dit is ook in het belang van [de minderjarige] . De vader wil een gelijkwaardige rol. Het feit dat er bij de moeder geen draagvlak is voor co-ouderschap mag niet meewegen. De rechtbank had de regeling verder moeten opbouwen tot co-ouderschap. De moeder gaat niet uit zich zelf verder uitbouwen, zij geeft nu al te weinig informatie en werkt totaal niet mee.

3.7.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

Het gaat sinds de contactregeling is vastgesteld heel slecht met [de minderjarige] . Zij is enorm afgevallen, heeft eczeem klachten, heeft veel heimwee en huilbuien. Zij ervaart veel stress van de omgang met de vader. De ouders kunnen niet met elkaar communiceren; [de minderjarige] heeft last van de strijd tussen de ouders. Co-ouderschap is niet in het belang van [de minderjarige] en de huidige regeling is ook al te lang voor haar.

De moeder verzoekt de beslissing met betrekking tot het gezamenlijk gezag aan te houden totdat het traject bij Oosterpoort is afgerond.

3.8.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling geadviseerd om beide ouders te belasten met het gezag over [de minderjarige] en om met betrekking tot de contactregeling zo min mogelijk te veranderen aan de beslissing van de rechtbank.

3.9.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven, op dit moment geen argumenten te hebben om de contactregeling te veranderen. De schoolprestaties van [de minderjarige] zijn al langer zorgelijk en dat kan niet direct gerelateerd worden aan de contactregeling met de vader. Haar fysieke en mentale verslechtering hebben waarschijnlijk te maken met de spanningen en strijd tussen de ouders en niet met een dag meer of minder contact met de vader. Er gaat een psychologisch onderzoek uitgevoerd worden van waaruit verder gekeken kan worden wat het beste is voor [de minderjarige] .

3.10.

Het hof oordeelt als volgt.

Gezag

3.11.

De vader heeft de rechtbank op de voet van artikel 1:253c BW verzocht om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , welk verzoek de rechtbank heeft toegewezen. De moeder heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht om de beslissing op dit punt te vernietigen en haar alleen te belasten met het gezamenlijk gezag.

3.12.

Het hof zal de beslissing met betrekking tot het gezag bekrachtigen. Het hof komt hiertoe op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Het uitgangspunt dat de wet hanteert is dat beide ouders gezamenlijk met het gezag worden belast. Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De situatie tussen deze partijen is op dit moment nog in ontwikkeling. Zo moet het traject “Ouderschap blijft” bij de Oosterpoort nog een aanvang nemen; ook de verdeling van de zorg- en opvoedtaken met betrekking tot [de minderjarige] moet nog definitief worden, en door partijen worden geaccepteerd en omarmd, om vervolgens aan die regeling op een consistente wijze uitvoering te geven. Hoewel de ouders veel strijd laten zien en het met name totaal niet eens zijn over wat het beste is voor [de minderjarige] , is niet gebleken dat het onmogelijk is om belangrijke beslissingen over haar (tijdig) te nemen. Daarnaast acht het hof het in het belang van [de minderjarige] dat beide ouders de verantwoordelijkheid voor haar leven dragen. Daarbij geldt dat ook met betrekking tot de ondertoezichtstelling en het voorgenomen psychologisch onderzoek van [de minderjarige] , het in haar belang is dat beide ouders gelijkwaardig worden betrokken.

Verdeling zorg- en opvoedtaken

3.13.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.14.

Het hof stelt voorop dat uit de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het niet goed gaat met [de minderjarige] . Zij heeft moeite op school, is fysiek kwetsbaar en heeft last van de gespannen situatie tussen de ouders. De moeder stelt zich op het standpunt dat een belangrijke oorzaak hiervan is gelegen in de (uitbreiding van de) contactregeling met de vader; de vader ziet een belangrijke oorzaak in de houding en opvoeding van de moeder.

3.15.

Het hof is, met de raad en de GI, van oordeel dat een vermindering van de contactregeling niet de oplossing biedt voor de problemen van [de minderjarige] . Het hof acht het anderzijds evenmin in het belang van [de minderjarige] om de regeling uit te breiden. De ouders zullen de strijd moeten staken en de opvoedomgeving bij de andere ouder moeten accepteren. Op die manier kan er rust komen voor [de minderjarige] en kan zij onbelemmerd genieten van het contact met beide ouders. [de minderjarige] heeft het meeste baat bij zo min mogelijk verandering, zo min mogelijk wisselmomenten en zo veel mogelijk duidelijkheid over de contactregeling. Het hof zal om die reden de volgende regeling vaststellen.

3.16.

[de minderjarige] zal eens in de twee weken van donderdag 17 uur tot maandagochtend voor school bij de vader verblijven, waarbij de vader [de minderjarige] naar school brengt. Op deze manier blijft de reguliere regeling zoals deze thans is (zo min mogelijk verandering), behoudens de maandagochtend: in plaats van dat [de minderjarige] eerst naar de moeder gaat, wordt zij door de vader direct naar school gebracht (een wisselmoment minder).

3.17.

Met betrekking tot de vakanties en feestdagen heeft de volgende regeling te gelden:

Met betrekking tot de carnavals- en herfstvakantie geldt dat [de minderjarige] in de even jaren gedurende de carnavalsvakantie bij de moeder en de herfstvakantie bij de vader verblijft en in de oneven jaren andersom.

Als Koningsdag niet in de meivakantie valt, verblijft [de minderjarige] in de oneven jaren op die dag bij de vader en in de even jaren bij de moeder.

Tijdens de Paasdagen (Eerste en Tweede Paasdag) verblijft [de minderjarige] in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader, waarbij het volgende geldt: Als zij volgens de reguliere regeling bij dezelfde ouder zou verblijven als tijdens de Paasdagen dan loopt de reguliere regeling door. Als zij bij de andere ouder verblijft dan geldt dat zij van zondag (Eerste Paasdag) 9 uur tot dinsdagochtend voor school daar verblijft, en dat diezelfde ouder haar dinsdag naar school brengt.

Op Hemelvaartsdag verblijft [de minderjarige] in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader, waarbij het volgende geldt: het contact vangt aan om 9 uur en eindigt om 19 uur als zij volgens de reguliere regeling daarna weer bij de andere ouder verblijft. Als zij volgens de reguliere regeling bij dezelfde ouder verblijft als tijdens Hemelvaartsdag dan loopt de reguliere regeling door.

Tijdens de Pinksterdagen (Eerste en Tweede Pinksterdag) verblijft [de minderjarige] in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder, waarbij het volgende geldt: Als zij volgens de reguliere regeling bij dezelfde ouder zou verblijven als tijdens de Pinksterdagen dan loopt de reguliere regeling door. Als zij bij de andere ouder verblijft dan geldt dat zij van zondag (Eerste Pinksterdag) 9 uur tot dinsdagochtend voor school daar verblijft, en dat diezelfde ouder haar dinsdag naar school brengt.

[de minderjarige] verblijft in de meivakantie de ene week bij de ene ouder en de andere week bij de andere ouder. In de oneven jaren heeft de vader de eerste keuze voor welke week, in de even jaren de moeder. De eerste week vangt aan van vrijdag na school tot en met zondag 17 uur, de tweede week van zondag 17 uur tot maandagochtend voor school waarbij de ouder bij wie ze in de tweede week verblijft haar naar school brengt.

[de minderjarige] verblijft in de zomervakantie de eerste drie weken bij de ene ouder en de laatste drie weken bij de andere ouder. In de oneven jaren heeft de moeder de eerste keuze voor welke weken, in de even jaren de vader.

De ouder dient zijn/haar keuze ten aanzien van de door hem/haar gewenste weken in de zomer- en meivakantie uiterlijk in de eerste week van het betreffende jaar schriftelijk aan de andere ouder te laten weten.

Moederdag: als [de minderjarige] in dit weekend bij de vader verblijft, zal zij de zaterdagavond ervoor om 18 uur naar de moeder worden gebracht en blijft zij daar tot maandagochtend voor school waarbij de moeder haar naar school brengt.

Vaderdag: als [de minderjarige] in dit weekend bij de moeder verblijft, zal zij de zaterdagavond ervoor om 18 uur naar de vader worden gebracht en blijft zij daar tot maandagochtend voor school, waarbij de vader haar naar school brengt.

Verjaardag [de minderjarige]: [de minderjarige] verblijft dan bij de ouder waar zij volgens de reguliere regeling verblijft. Dit is voor [de minderjarige] het meest rustig en prettig. De ouders kunnen in onderling overleg ervoor zorgen dat de andere ouder [de minderjarige] spreekt, dan wel ziet.

Verjaardagen vader en moeder: [de minderjarige] verblijft op die dag bij de jarige ouder, zij is daar van 10 tot 19 uur als deze dag in het weekend/in de vakantie valt en zij is er na school tot 19 uur als deze dag op een schooldag valt.

Benoemen bijzondere curator

3.18.

Met betrekking tot het verzoek van de moeder om een bijzondere curator te benoemen oordeelt het hof als volgt. [de minderjarige] staat onder toezicht van de GI. Er zal een uitgebreid psychologisch onderzoek bij haar worden uitgevoerd. De benoeming van een bijzondere curator acht het hof onder die omstandigheden te veel en te belastend voor haar.

3.19.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen voor zover de rechtbank een verdeling van de zorg- en opvoedtaken heeft vastgesteld. Het hof zal een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vaststellen zoals in rov. 3.15 en 3.16 weergegeven en de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 8 februari 2019, doch uitsluitend voor zover de rechtbank daarin een verdeling van de zorg- en opvoedtaken heeft vastgesteld,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [de minderjarige] de regeling vast, zoals hierboven weergegeven onder 3.16 en 3.17;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.L. Schaafsma-Beversluis en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 12 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.