Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:931

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
200.258.456_01 en 200.258.460_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling;

verdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 12 maart 2020

Zaaknummers: 200.258.456/01 en 200.258.460/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/343517 FA RK 18-1867

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.H.P. de Jongh,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.F.A. Cadot.

Deze zaak gaat onder meer over:

- [de minderjarige 1] ( [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ;

- [de minderjarige 2] ( [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

1. Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 19 maart 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 26 april 2019 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking.

2.2.

De vrouw heeft op 4 juni 2019 een verweerschrift ingediend.

2.4.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de advocaat van de man;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad 2] , ter mondelinge behandeling uitsluitend aanwezig voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft.

2.4.2.

De advocaat van de man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat de man hem per e-mail heeft bericht dat hij wegens een sterfgeval in de familie verhinderd is ter mondelinge behandeling aanwezig te zijn.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het journaalbericht van de zijde van de vrouw met bijlagen van 14 januari 2020, ingekomen op 15 januari 2020.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn op 29 juni 2010 met elkaar gehuwd.

3.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn de hiervoor genoemde op dit moment nog minderjarige kinderen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] geboren. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 16 april 2019 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het hoger beroep.

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man en de minderjarige kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar éénmaal per veertien dagen op zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur. Voorts heeft de rechtbank, verkort weergegeven, de man veroordeeld om een bedrag van € 214,- van de door hem ontvangen huurtoeslag aan de vrouw uit te betalen en heeft de rechtbank de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen gelast op de wijze zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 4.25 tot en met 4.31.

4.2.1.

De grieven van de man zien op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, op de veroordeling tot betaling aan de vrouw van de huurtoeslag van € 214,- en op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, althans voor zover het de verdeling ter zake de auto betreft.

4.2.2.

De man heeft verzocht voormelde beschikking te vernietigen uitsluitend voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de huurtoeslag en de verdeling van de auto betreft, en in zoverre opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken toe te wijzen met dien verstande dat de man en de minderjarigen gerechtigd zijn tot omgang met elkaar gedurende een weekend per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur vanaf het moment dat de man over vervangende zelfstandige woonruimte beschikt, alsmede gedurende de helft van de zomervakantie drie weken aaneengesloten alsmede, naar het hof begrijpt, te bepalen dat het verzoek van de vrouw ter zake de betaling van de huurtoeslag alsnog wordt afgewezen, althans dat de vrouw € 60,17 ter zake zorgtoeslag aan de man dient te voldoen, althans dat de man dit bedrag mag verrekenen.

4.3.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4.

Deze zaken zijn ter griffie geadministreerd onder de zaaknummers 200.258.456/01 (verdeling van de zorg- en opvoedingstaken) en 200.258.460/01 (verdeling huwelijksgoederengemeenschap).

4.5.

Deze zaken zijn tegelijk behandeld en worden tegelijk beslist.

5 De beoordeling

In de beide zaken

Met betrekking tot de zorg- en opvoedingstaken

5.1.1.

De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek in eerste aanleg gedeeltelijk, met name voor zover het de vakantieregeling betreft, heeft afgewezen. De man verzoekt in hoger beroep alsnog te bepalen dat de kinderen gedurende de helft van de zomervakantie drie weken aaneengesloten bij de man verblijven.

Voorts verzoekt de man uitbreiding van weekendregeling zodra hij over zelfstandige woonruimte beschikt.

De advocaat heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat hij al enige tijd geen contact heeft gehad met de man en heeft verwezen naar hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd.

5.1.2.

De vrouw heeft het navolgende gesteld.

De omgang tussen de man en de kinderen vond aanvankelijk plaats bij de man thuis, althans bij de moeder van de man, bij wie de man na de echtscheiding verblijft. Bij zijn moeder woont ook zijn dertienjarige zusje [zusje van appellant] . [de minderjarige 1] heeft op enig moment mededeling gedaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag van [zusje van appellant] jegens haar, waarna de omgangsregeling is gestopt. Er is hulpverlening ingezet van Veilig Thuis. Bij vonnis van 25 oktober 2019 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de omgang tussen de man en de kinderen eenmaal per twee weken op zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur gedurende een periode van zes maanden wel mag plaatsvinden, maar niet op het adres waar de man verblijft en dat [de minderjarige 1] niet geconfronteerd zal worden met [zusje van appellant] . Na dit kort geding is de omgang weer opgestart en deze vond plaats in de woning van een zus van de man (hof: bij partijen bekend). Vanaf eind december 2019 is de omgang helaas weer gestopt. De man is eenmaal niet op komen dagen, bij navraag zou de man ziek zijn geweest. Vervolgens heeft de man afgezegd omdat hij een gebroken been zou hebben en daarna is hij zonder bericht wederom niet op komen dagen. Dit was zeer teleurstellend voor de kinderen, die graag omgang hebben met de man. Het is niet duidelijk waar de man thans verblijft en evenmin wanneer de man weer beschikbaar is voor de omgangsregeling. Ook moet de man zich nog tot Veilig Thuis wenden voor gesprekken in verband met de problematiek tussen [de minderjarige 1] en [zusje van appellant] . De vrouw staat open voor omgang tussen de kinderen en de man, maar hij moet zich wel aan de regeling moet houden teneinde de kinderen niet teleur te stellen. De vrouw kan zich vinden in omgang tussen de man en de kinderen in de woning van de zus van de man, eenmaal per veertien dagen op zondag van € 12.00 uur tot 17.00 uur. Uitbreiding van de omgang is op dit moment niet aan de orde. In beginsel staat de vrouw wel open voor uitbreiding van de omgang, maar de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling moet eerst (weer) naar behoren functioneren voordat van uitbreiding sprake kan zijn.

5.1.3.

De vertegenwoordigster van de raad heeft ter mondelinge behandeling het navolgende verklaard. De raad onderschrijft het belang van omgang tussen de man en de kinderen, maar de man moet de omgangsregeling adequaat nakomen zoals is afgesproken. De kinderen hebben er last van hebben als de man hen niet komt ophalen en zij hun vader niet zien, terwijl zij dat dan wel hadden verwacht. Uitbreiding van de omgangsregeling acht de raad op dit moment niet geïndiceerd. De man moet eerst laten zien dat hij de door de rechtbank vastgestelde regeling goed nakomt voordat van uitbreiding sprake kan zijn. De man dient zich voorts nog tot Veilig Thuis te wenden in verband met de ingezette hulpverlening omtrent de problematiek tussen [zusje van appellant] en [de minderjarige 1] . Die hulpverlening is, mede door afwezigheid van de man, nog niet afgerond. De raad acht het verder van groot belang dat omgang plaatsvindt buiten aanwezigheid van [zusje van appellant] , bijvoorbeeld, zoals dat eerder korte tijd het geval is geweest, in de woning van de zus van de man.

5.1.4.

Het hof overweegt het navolgende.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Gelet op de recente ontwikkelingen met betrekking tot de problematiek tussen [zusje van appellant] en [de minderjarige 1] , zoals onweersproken door de vrouw geschetst en zoals die mede blijken uit de beslissing van de voorzieningenrechter van 25 oktober 2019, gelet voorts op het feit dat de man zonder nadere kennisgeving nu al enige tijd geen contact heeft gehad met de kinderen en met de vrouw (en overigens ook niet met zijn advocaat), en mede gelet op de visie van de raad ter mondelinge behandeling, acht het hof uitbreiding van de omgang zoals door de man in hoger beroep is verzocht, op dit moment niet in het belang van de kinderen.

Het hof is voorts van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling, in het bijzonder het advies van de raad om de huidige omgangsregeling te continueren maar wel buiten de aanwezigheid van [zusje van appellant] , dat ongeclausuleerde omgang met de kinderen op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen, met name van [de minderjarige 1] . Gelet hierop zal het hof aanvullend bepalen dat de bij de bestreden beschikking bepaalde omgang uitsluitend dient plaats vinden buiten de aanwezigheid van [zusje van appellant] . Het hof overweegt daarbij dat het partijen te allen tijde vrij staat om in onderling overleg de omgangsregeling in een later stadium uit te breiden, waartoe de vrouw ook, onder voorwaarden zoals zij ter mondelinge behandeling heeft gesteld, in beginsel bereid is.

De grief van de man faalt.

Met betrekking tot de verdeling huwelijksgoederengemeenschap

Huurtoeslag

5.2.1.

De man heeft het navolgende gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte bepaald dat de man over de periode van 11 april 2018 tot 1 mei 2018 de door hem ontvangen huurtoeslag van € 214,- aan de vrouw moet betalen. Het betreft een voorlopige huurtoeslag en de definitieve toeslag is nog niet bekend. De man heeft voorts de huurtoeslag moeten benutten om in zijn levensonderhoud te voorzien.
Over de periode van 11 april 2018 tot 1 mei 2018 heeft de vrouw een bedrag van € 60,17 aan zorgtoeslag ontvangen (zijnde 19/30 x € 95,-), terwijl de man in die periode kosten heeft gemaakt ter zake de premie ziektekostenverzekering. De vrouw moet het bedrag van € 60,17 aan de man betalen, welk bedrag de man, zoals hij subsidiair heeft gesteld, wil verrekenen met de vrouw.

5.2.2.

De vrouw heeft het navolgende betoogd. De definitieve huurtoeslag zal niet afwijken van het bedrag van de voorlopige huurtoeslag. De vrouw betwist dat de man de huurtoeslag voor zijn levensonderhoud heeft benut. Verder heeft de man zich eerst per 16 mei 2018 uitgeschreven op het adres van de echtelijke woning, waardoor de vrouw pas met ingang van die datum aanspraak had op kindgebondenbudget, althans op de alleenstaande-ouderkop. De man heeft nimmer kinderalimentatie betaald en de vrouw heeft de zorgtoeslag benut voor de kosten van de kinderen en voor haar eigen levensonderhoud.

5.2.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Het hof stelt vast, gelet op de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling, dat de man een definitieve beschikking ter zake de huurtoeslag over de periode van 11 april 2018 tot 1 mei 2018 niet heeft overgelegd, zodat het hof, bij gebrek aan nadere gegevens, de te geven beslissing ter zake de huurtoeslag baseert op de voorlopige huurtoeslag ten bedrage van € 214,-. Het hof stelt voorts vast dat de vrouw niet heeft weersproken dat zij een bedrag van € 60,17 (zijn de 19/30 van € 95,-) ter zake zorgtoeslag over dezelfde periode van 11 april 2018 tot 1 mei 2018 heeft ontvangen en evenmin dat de man (over die periode) kosten heeft gemaakt voor de premie ziektekostenverzekering.

Het hof gaat voorbij aan de standpunten van partijen dat zij de toeslagen hebben aangewend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud (en de kosten van de kinderen), omdat de vraag waaraan de gelden zijn besteed niet beslissend is voor de vraag wie recht heeft op deze bedragen. Het hof overweegt verder dat de huurtoeslag van € 214,- feitelijk aan de vrouw toekwam, zoals de rechtbank bij de bestreden beschikking heeft overwogen. De vrouw betaalde immers de huur. Het hof overweegt voorts dat de vrouw de zorgtoeslag van € 60,17 aan de man moet doorgeleiden nu de man onweersproken heeft gesteld dat hij de kosten van de premie ziektekostenverzekering heeft voldaan. In zoverre heeft de man een vordering op de vrouw. De man mag dit bedrag verrekenen met hetgeen hij de vrouw verschuldigd is ter zake de huurtoeslag. Er resteert derhalve een door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 153,83.

De grief van man slaagt in zoverre.

De auto

5.3.1.

De man heeft het navolgende gesteld.

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de auto deel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De auto is op 30 augustus 2017 in eigendom overgedragen aan [een familielid van appellant ] . De auto is ten onrechte verdeeld en de man is op dat punt niets aan de vrouw verschuldigd. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de man het kentekenbewijs van de auto op naam van [een familielid van appellant ] met als datum tenaamstelling 30 augustus 2017 overgelegd, alsmede een stallingsovereenkomst gedateerd 5 september 2017 op naam van [een familielid van appellant ] en een verklaring van [een familielid van appellant ] , inhoudende dat hij sinds 30 augustus 2017 eigenaar is van de auto.

5.3.2.

De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken. De vrouw heeft betoogd dat de auto tot de huwelijksgemeenschap behoort. Nadat partijen voor het eerst in augustus 2017 uit elkaar waren gegaan heeft de man aan de vrouw verklaard dat de auto nog in eigendom van partijen was. Op 14 maart 2018 zijn partijen definitief uit elkaar gegaan, maar de man is gewoon in de auto blijven rijden. De auto is niet verkocht. Daarbij is [een familielid van appellant ] een familielid van de man. Ook heeft de vrouw nog een factuur ontvangen, gedateerd 27 augustus 2018 over de periode van 5 september 2018 tot 5 september 2019, ter zake de stalling van de auto.

5.3.3.

Het hof overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de auto, een Audi A3 met kenteken [kenteken] , tot de huwelijksgemeenschap van partijen behoorde.

Met betrekking tot omvang van de huwelijksgemeenschap.

Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de auto geen onderdeel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Het hof stelt vast dat de huwelijksgemeenschap van partijen is ontbonden op 11 april 2018. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de auto is verkocht aan [een familielid van appellant ] . De vrouw heeft de man nog in de auto zien rijden, de man is met de auto naar Marokko geweest, zoals de vrouw ter mondelinge behandeling heeft verklaard, en de vrouw heeft op 27 augustus 2018 nog een factuur van de stalling van de auto ontvangen d.d. 27 augustus 2018 over de periode van 5 september 2018 tot 5 september 2019. Nu de man ter mondelinge behandeling niet is verschenen heeft het hof de man niet nader kunnen bevragen en heeft het hof geen verklaring van de man kunnen verkrijgen over de gang van zaken bij de gestelde verkoop en levering van de auto, in het bijzonder niet het moment van levering, de opbrengst en de bestemming daarvan en ter zake het door de vrouw gestelde dat de man nog in de auto heeft gereden en ermee naar Marokko is geweest. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw is de gestelde verkoop van de auto, niet komen vast te staan. De verklaring van [een familielid van appellant ] dat hij de auto op 30 augustus 2017 heeft gekocht en de kopie van het kentekenbewijs d.d. 30 augustus 2017 op naam van [een familielid van appellant ] zijn in dat verband onvoldoende, nu dit, zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niets zegt over de eigendom van de auto op het moment van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap, op 11 april 2018. Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien is niet komen vast te staan dat de auto voor de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap aan een derde is verkocht en geleverd, althans is niet komen vast te staan dat de auto geen onderdeel meer uitmaakte van de ontbonden gemeenschap.

Met betrekking tot de waarde van de auto.

Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is voorts het navolgende gebleken. De vrouw heeft de waarde van de auto gesteld op € 5.600,-. De man heeft in eerste aanleg gesteld dat de auto is verkocht zonder dat enige opbrengst is gerealiseerd. Daarentegen heeft de man in hoger beroep gesteld dat de auto is verkocht voor € 1.600,-. Desgevraagd ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man geen toelichting kunnen geven op deze verschillende standpunten van de man in eerste aanleg en in hoger beroep en heeft de advocaat van de man verklaard dat de waarde van de auto onduidelijk is. Het hof acht de tegenstrijdige standpunten van de man zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet geloofwaardig, althans de man heeft de stelling van de vrouw ter zake de waarde van de auto niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken. Gelet op het voorgaande gaat het hof uit van een waarde van de auto van € 5.600,-.

Het hof is, evenals de rechtbank van oordeel dat de man een bedrag van € 2.800,- aan de vrouw dient te betalen.

De grief van de man faalt.

5.4.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

op de beide zaken

Met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 19 maart 2019 ter zake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met dien verstande dat het contact tussen de man en de minderjarige kinderen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dient plaats te vinden buiten aanwezigheid van [zusje van appellant] , het jongere zusje van de man;

Met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgemeenschap

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 19 maart 2019 uitsluitend voor zover het betreft de betaling door de man aan de vrouw van de ontvangen huurtoeslag,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om, na verrekening van de door de vrouw ontvangen zorgtoeslag van

€ 60,17, een bedrag van € 153,83 van de door de hem ontvangen huurtoeslag aan de vrouw te betalen, een en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 5.2.3;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 19 maart 2019 voor het overige voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, E.M.C. Dumoulin en

M. Ossentjuk en is op 12 maart 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.