Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:919

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
20-003241-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim twee jaren schuldig gemaakt aan het verduisteren van geldbedragen tot een totaalbedrag van meer dan € 750.000,00, welke geldbedragen hij onder meer in zijn hoedanigheid als beheerder of (mede)bestuurder van Verenigingen van Eigenaars (VvE's) en als bewindvoerder van enkele natuurlijke personen onder zich had. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden passend en geboden, maar in verband met de schending van de redelijke termijn in hoger beroep wordt de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003241-17

Uitspraak : 12 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 oktober 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-860358-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van vijf strafbare feiten, te weten telkens ‘verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd’, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest. Bij het bepalen van voornoemde straf heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de dertien strafbare feiten die ad informandum zijn vermeld op de inleidende dagvaarding, voor welke feiten hij niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd. Voorts zijn bij vonnis waarvan beroep de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep ten aanzien van de benadeelde partijen

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van materiële schade. Bij vonnis waarvan beroep zijn deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. Nu voornoemde benadeelde partijen zich in hoger beroep niet opnieuw hebben gevoegd, zijn hun vorderingen in hoger beroep niet meer aan de orde.

De overige benadeelde partijen – te weten [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] – zijn bij vonnis waarvan beroep eveneens niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, maar hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Derhalve zijn hun vorderingen in hoger beroep weer aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen (die in hoger beroep nog aan de orde zijn) heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust:

A.

met verbetering van de bewijsmiddelen;

B.

met aanvulling van de strafmotivering;

C.

met uitzondering van de motivering van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen die in hoger beroep nog aan de orde zijn.

A. Verbetering van de bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de vierde voetnoot (op pagina 5 van het vonnis) verwezen naar

‘Een rekeningafschrift d.d. 11 augustus 2015 van het [rekeningnummer 1] t.n.v. [bedrijfsnaam] , pagina 3082’. De verwijzing in de hiervoor genoemde voetnoot behoeft naar het oordeel van het hof verbetering, met dien verstande dat de genoemde datum 11 augustus 2015 wordt vervangen door de datum 31 augustus 2015.

De rechtbank heeft in de zeventiende voetnoot (op pagina 7 van het vonnis) verwezen naar ‘Rekeningafschriften d.d. 28 juni 2013 en 28 juni 2013 van het [rekeningnummer 2] t.n.v. [naam] , pagina’s 591-593’. De verwijzing in de hiervoor genoemde voetnoot behoeft naar het oordeel van het hof verbetering, met dien verstande dat de genoemde datums 28 juni 2013 en 28 juni 2013 worden vervangen door de datums 31 mei 2013, 31 mei 2013 en 28 juni 2013.

B. Aanvulling van de strafmotivering

Het hof verenigt zich grotendeels met de strafmotivering van de rechtbank, zoals weergegeven op pagina’s 9 tot en met 11 van het vonnis. Het hof is echter van oordeel dat voornoemde strafmotivering, mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling behoeft. Omwille van de leesbaarheid zal het hof de gehele strafmotivering in het arrest opnemen, zodat deze als volgt komt te luiden.

De verdediging heeft het hof primair verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om de hoogte van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf te matigen, al dan niet in combinatie met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf. In dat verband heeft de verdediging in de loop van de behandeling in hoger beroep uitgebreide documentatie toegezonden, onder meer met betrekking tot psychische en medische behandelingen van verdachte in 2018 en 2019.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim twee jaren schuldig gemaakt aan het verduisteren van geldbedragen tot een totaalbedrag van meer dan € 750.000,00 (inclusief de ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep door verdachte erkende bedragen van de ad informandum gevoegde zaken), welke geldbedragen hij onder meer in zijn hoedanigheid als beheerder of (mede)bestuurder van Verenigingen van Eigenaars (hierna: VvE’s) en als bewindvoerder van enkele natuurlijke personen onder zich had. Verdachte heeft dit gedaan door grote geldbedragen van de rekeningen van deze VvE’s en personen waarvan hij bewindvoerder was, al dan niet via andere rekeningen, over te maken naar rekeningen van zijn administratiekantoor of zijn privérekening(en). Verdachte heeft zowel tegenover de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep verklaard dat hij de door hem verduisterde bedragen gebruikte om kosten en hoog opgelopen schulden van zijn administratiekantoor te betalen. Hij heeft toegelicht dat hij heeft geprobeerd zijn administratiekantoor groot te maken om gewaardeerd en erkend te worden en een bepaald aanzien te verkrijgen. Toen bleek dat de daartoe gedane investeringen niet resulteerden in het gewenste aantal klanten en inkomsten om de toegenomen kosten van het administratiekantoor te dekken, is hij overgegaan tot de verduisteringen. Verdachte heeft erkend dat hij het geld deels ook gebruikte voor privé-uitgaven.

Het geld dat aan de verschillende VvE’s toebehoorde was bestemd voor huisvesting, één van de basisbehoeften van de mens. Leden van VvE’s sparen vaak jarenlang om te kunnen investeren in (groot) onderhoud van hun woningen. Verdachte heeft het vertrouwen van de leden van de VvE’s, dat zij in hem mochten en konden hebben, ernstig geschaad. Het hof neemt verdachte dit zeer kwalijk. Daarbij neemt het hof ten nadele van verdachte in aanmerking dat hij de verduistering voor de (leden van de) VvE’s verborgen heeft gehouden door onjuiste jaarrekeningen op te maken.

De cliënten waarvan verdachte bewindvoerder was konden om uiteenlopende redenen niet zelf hun financiën beheren. Zij waren kwetsbare personen en voor het beheer van hun financiën afhankelijk van verdachte. Zij, maar ook hun omgeving en, breder, de samenleving, moesten erop kunnen vertrouwen dat verdachte uitermate zorgvuldig met hun geld zou omgaan. Verdachte heeft dit vertrouwen door zijn handelen ernstig geschaad en heeft grof misbruik gemaakt van zijn vertrouwenspositie. Dit acht het hof zeer verwerpelijk.

Het hof weegt voorts ten nadele van verdachte mee dat een aantal medewerkers van zijn administratiekantoor hem in november 2014 al hebben aangesproken over het feit dat hij grote geldbedragen had overgeschreven van de rekeningen van VvE’s naar zijn eigen (zakelijke) rekening(en) en dat dit toen geen aanleiding voor hem is geweest om te stoppen met zijn frauduleuze praktijken. Evenmin zag verdachte hiertoe aanleiding op het moment dat hij in maart 2015 opnieuw door hen op zijn frauduleuze gedrag werd aangesproken. Eerst nadat in oktober 2015 door deze medewerkers aangifte tegen hem is gedaan en het stafrechtelijk onderzoek is gestart, is hij gestopt met het verduisteren van geld.

In het voordeel van verdachte weegt het hof mee dat hij volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek van de politie en dat hij (onder meer) ter terechtzitting in hoger beroep een schuldbewuste houding heeft aangenomen, onder meer door meermaals zijn spijt te betuigen. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat het uitkomen van de fraude voor verdachte grote gevolgen heeft gehad. Het is evident dat verdachte de consequenties van zijn handelen in maatschappelijke en financiële zin al heeft en nog zal ervaren, onder meer door zijn faillissement in privé en het faillissement van zijn administratiekantoor. Tevens is gebleken dat verdachte een aantal gedupeerden (deels) heeft terugbetaald. Overigens merkt het hof in dit kader wel op dat het terugbetaalde bedrag ten opzichte van het totaal verduisterde bedrag een gering bedrag betreft en dat de kans dat alle gedupeerden de door hen geleden schade vergoed zullen krijgen zeer gering is door het faillissement van verdachte in privé en van zijn administratiekantoor.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 januari 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan is gebleken. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij te kampen heeft met zowel psychische problemen als gezondheidsproblemen, waaronder reuma. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij enkele uren per week vrijwilligerswerk verricht en dat hij een uitkering ontvangt.

Omtrent de persoon van verdachte zijn twee reclasseringsadviezen opgemaakt, te weten op 22 september 2017 door [reclasseringswerker 1] en op 11 februari 2020 door [reclasseringswerker 2] . Uit laatstgenoemd advies blijkt dat verdachte, gelet op zijn gezondheidssituatie, geen geschikte kandidaat is voor het uitvoeren van een taakstraf. Voorts is de reclassering van mening dat reclasseringstoezicht niet geïndiceerd is. In geval van een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen.

Op 29 augustus 2019 heeft drs. B.Y. van Toorn (GZ-psycholoog) een rapportage Pro Justitia omtrent verdachte opgemaakt. Voornoemde deskundige heeft een psychologisch onderzoek verricht naar de detentiegeschiktheid van verdachte. Volgens drs. Van Toorn lijken de psychische problemen van verdachte geen belemmering voor een detentie te zijn. Specialistische afdelingen zoals Penitentiair Psychiatrische Centra kunnen volgens haar de nodige bijzondere extra zorg leveren. Drs. Van Toorn heeft zelf geen somatische belemmeringen voor detentie waargenomen, maar verwijst voor geneeskundig onderzoek ter zake naar een door de executieofficier in te schakelen adviseur.

In het kader van het onderzoek naar de detentiegeschiktheid van verdachte heeft de advocaat-generaal nog een op 25 februari 2020 uitgebracht advies van M.H. Kamphorst-Roemer (arts M&G en medisch adviseur bij Dienst Justitiële Inrichtingen) overgelegd. Op grond van de beschikbare informatie acht zij verdachte detentiegeschikt. Met betrekking tot de somatische problematiek van verdachte heeft zij te kennen gegeven dat de medicatie en fysiotherapie in detentie kunnen worden gecontinueerd en dat er vanuit detentie eventueel ook aanvullende therapie kan worden georganiseerd. Met betrekking tot verdachtes psychische problematiek heeft Kamphorst-Roemer opgemerkt dat er in alle inrichtingen psychologen en psychiaters aanwezig zijn die kunnen beoordelen welke psychische zorg verdachte nodig heeft en hoe en waar die zorg het best kan worden geleverd. In dit kader heeft zij voorts opgemerkt dat verdachte zo nodig kan worden overgeplaatst naar een Penitentiair Psychiatrisch Centrum, waar specialistische zorg kan worden geleverd.

Tot slot heeft het hof acht geslagen op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Hierbij heeft het hof aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt dat geldt bij een benadelingsbedrag dat is gelegen tussen € 500.000,00 en € 1.000.000,00. Het hiervoor genoemde oriëntatiepunt geeft als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van 18 tot 24 maanden.

Na afweging van al deze factoren kan naar het oordeel van het hof – in het bijzonder gelet op de totale duur van de pleegperiodes, de hoogte van het benadelingsbedrag en de blijvende materiële schade en andere gevolgen voor de slachtoffers – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Tegenover deze ernst van de feiten leggen de geringe kans op recidive, het getoonde berouw, de gevolgen voor verdachte zelf en andere persoonlijke omstandigheden minder gewicht in de schaal.

In hetgeen de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht omtrent de medische situatie van verdachte ziet het hof geen reden om aan hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het hof overweegt daartoe in de eerste plaats dat uit het voorhanden zijnde dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte niet in staat zou zijn een gevangenisstraf te ondergaan. Voorts wijst het hof op de omstandigheid dat er bij de executie van de op te leggen gevangenisstraf, bijvoorbeeld bij de plaatsing van verdachte in een penitentiaire inrichting, rekening kan worden gehouden met zijn medische en psychische situatie. De medische situatie van verdachte vormt naar het oordeel van het hof dan ook geen beletsel voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de dertien strafbare feiten die ad informandum zijn vermeld op de inleidende dagvaarding, voor welke feiten hij niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd.1

Redelijke termijn

Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens verdachte is op 19 oktober 2017 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof eerst op 12 maart 2020 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met circa vijf maanden overschreden, terwijl dit niet geheel aan verdachte valt toe te rekenen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest.

Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

C1. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 16.044,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Voorts heeft de rechtbank beslist dat de partijen aldus worden gecompenseerd, dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Bij vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 12 januari 2016 zijn de faillissementen van verdachte en van zijn administratiekantoor uitgesproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat deze faillissementen inmiddels zijn afgewikkeld. Nu niet is gebleken dat bij de afwikkeling van de faillissementen een percentage van de openstaande schulden is betaald, waarna voor het overige gedeelte van die schulden finale kwijting is verkregen, kan de vordering van de benadeelde partij in beginsel in het onderhavige strafproces worden behandeld.

Naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is bij het hof echter een aantal vragen gerezen met betrekking tot de afwikkeling van de faillissementen. Zo is het hof niet gebleken welk gedeelte van de vordering inmiddels door de benadeelde partij is ontvangen en evenmin is duidelijk geworden wat de huidige status van de vordering is. Nu namens de benadeelde partij niemand ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen die hierover duidelijkheid kon verschaffen, is het hof van oordeel dat de hiervoor genoemde vragen niet afdoende zijn beantwoord. Gelet hierop acht het hof zich onvoldoende geïnformeerd om de vordering inhoudelijk te kunnen beoordelen. Nu nader onderzoek een vertraging zou betekenen van de afdoening van de strafzaak en zulks naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Evenals de rechtbank zal ook het hof beslissen dat de partijen aldus worden gecompenseerd, dat elke partij haar eigen kosten draagt.

C2. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 54.651,51 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Voorts heeft de rechtbank beslist dat de partijen aldus worden gecompenseerd, dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Bij vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 12 januari 2016 zijn de faillissementen van verdachte en van zijn administratiekantoor uitgesproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat deze faillissementen inmiddels zijn afgewikkeld. Nu niet is gebleken dat bij de afwikkeling van de faillissementen een percentage van de openstaande schulden is betaald, waarna voor het overige gedeelte van die schulden finale kwijting is verkregen, kan de vordering van de benadeelde partij in beginsel in het onderhavige strafproces worden behandeld.

Naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is bij het hof echter een aantal vragen gerezen met betrekking tot de afwikkeling van de faillissementen. Zo is het hof niet gebleken welk gedeelte van de vordering inmiddels door de benadeelde partij is ontvangen en evenmin is duidelijk geworden wat de huidige status van de vordering is. Nu namens de benadeelde partij niemand ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen die hierover duidelijkheid kon verschaffen, is het hof van oordeel dat de hiervoor genoemde vragen niet afdoende zijn beantwoord. Gelet hierop acht het hof zich onvoldoende geïnformeerd om de vordering inhoudelijk te kunnen beoordelen. Nu nader onderzoek een vertraging zou betekenen van de afdoening van de strafzaak en zulks naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Evenals de rechtbank zal ook het hof beslissen dat de partijen aldus worden gecompenseerd, dat elke partij haar eigen kosten draagt.

C3. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 30.213,35 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij vonnis waarvan beroep is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Voorts heeft de rechtbank beslist dat de partijen aldus worden gecompenseerd, dat elke partij haar eigen kosten draagt.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Bij vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 12 januari 2016 zijn de faillissementen van verdachte en van zijn administratiekantoor uitgesproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat deze faillissementen inmiddels zijn afgewikkeld. Nu niet is gebleken dat bij de afwikkeling van de faillissementen een percentage van de openstaande schulden is betaald, waarna voor het overige gedeelte van die schulden finale kwijting is verkregen, kan de vordering van de benadeelde partij in beginsel in het onderhavige strafproces worden behandeld.

Naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep is bij het hof echter een aantal vragen gerezen met betrekking tot de afwikkeling van de faillissementen. Zo is het hof niet gebleken welk gedeelte van de vordering inmiddels door de benadeelde partij is ontvangen en evenmin is duidelijk geworden wat de huidige status van de vordering is. Nu namens de benadeelde partij niemand ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen die hierover duidelijkheid kon verschaffen, is het hof van oordeel dat de hiervoor genoemde vragen niet afdoende zijn beantwoord. Gelet hierop acht het hof zich onvoldoende geïnformeerd om de vordering inhoudelijk te kunnen beoordelen. Nu nader onderzoek een vertraging zou betekenen van de afdoening van de strafzaak en zulks naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij kan deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Evenals de rechtbank zal ook het hof beslissen dat de partijen aldus worden gecompenseerd, dat elke partij haar eigen kosten draagt.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter,

mr. B. Stapert en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 12 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E.E. van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Het hof merkt hierbij op dat verdachte het onder a ad informandum gevoegde feit ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 oktober 2017 heeft bekend tot een bedrag van € 54.651,00 en dat hij het onder l ad informandum gevoegde feit op die terechtzitting heeft bekend tot een bedrag van € 8.800,00.