Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:881

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
200.234.354_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia art. 1:88 BW en bewijsopdracht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.234.354/01

arrest van 10 maart 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 februari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 november 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5299997 16-9153)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte uitlating van [appellante] met producties;

  • -

    de antwoordakte van Dexia.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In overweging 2 van het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

a. Dexia Bank Nederland N.V. is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van onder meer Bank Labouchère N.V. en Legio-Lease B.V. Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

b. [appellante] heeft als lessee effectenleaseovereenkomsten gesloten met Labouchère, te weten: te weten:

Contract

nummer

datum

naam

leasesom

looptijd

vooruitbetaling

termijnbedrag

1

[contractnummer 1]

20-12- 1999

Overwaarde effect

€ 38.377,60

240 mnd

€ 7.667,40 t/m mnd 60

€ 159,74 vanaf mnd 60

2

[contractnummer 2]

20-12-1999

Maximaal rendement

effect

€ 45.180,27

180 mnd

€ 7.626,60 t/m mnd 60

€ 127,11 vanaf mnd 60

c. [appellante] was ten tijde van het aangaan van voormelde overeenkomsten gehuwd met de heer [ex-echtgenoot van appellante] (hierna ook te noemen: [ex-echtgenoot van appellante] ).

d. Bij dagvaarding van 13 maart 2003 hebben onder meer de Stichting Eegalease en de Consumentenbond bij de rechtbank Amsterdam een collectieve actie in de zin van artikel 3:305a BW gestart tegen Dexia. Deze procedure is in eerste aanleg geëindigd door een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2004. Dexia heeft tegen dit vonnis tijdig hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, waardoor dat vonnis niet na verloop van de hoger beroepstermijn in kracht van gewijsde is gegaan. Tijdens de procedure in hoger beroep is tussen Dexia enerzijds en de belangenorganisaties (waaronder de Stichting Eegalease en de Consumentenbond) anderzijds een schikking tot stand gekomen. Deze schikking is vastgelegd in de zogenoemde Hoofdovereenkomst van 23 juni 2005. Partijen bij die overeenkomst hebben op dezelfde datum een overeenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 7:907 lid 1 BW (de WCAM-overeenkomst, bijlage III bij de Hoofdovereenkomst).

Na het sluiten van de Hoofdovereenkomst is de procedure in hoger beroep bij het hof Amsterdam op 25 augustus 2005 geroyeerd.

Ter uitvoering van de Hoofdovereenkomst heeft Dexia op grond van artikel 7:907

lid 1 BW op 18 november 2005 een verzoekschrift ingediend bij het hof Amsterdam. Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft het hof Amsterdam de (op 8 mei 2006 gewijzigde) overeenkomst verbindend verklaard.

e. Bij brief van 20 mei 2006 schrijft de echtgenoot van [appellante] aan Dexia:

" Betreft: Contracten [contractnummer 1] , [contractnummer 2] ten name van [appellante]

Geachte dames en heren,

Mij is onlangs gebleken dat door mijn echtgenote bovengenoemde contracten bij u zijn afgesloten.

Ik heb daarvoor geen toestemming verleend en ik vernietig hierbij het contract op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW.

Ik verzoek u van het bovenstaande goede nota te nemen."

f. [appellante] heeft tijdig een opt-out verklaring ingediend en is daarmee niet gebonden aan de op 25 januari 2007 door het gerechtshof Amsterdam algemeen verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst met Dexia.

3.2.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg in conventie, na vermindering van eis, gevorderd dat de rechter, bij vonnis, voor zover rechtens toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal verklaren voor recht dat de overeenkomsten met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] in het geding rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia zal veroordelen om al hetgeen door [appellante] krachtens die overeenkomsten aan Dexia is betaald, aan [appellante] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de door [appellante] gedane betalingen dan wel vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot aan die der voldoening;

2. Dexia zal veroordelen tot betaling van de door [appellante] Leaseproces verschuldigde buitengerechtelijke kosten op basis van de offerte van Leaseproces, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

3. Dexia zal veroordelen in de kosten van het geding, waarvan het salaris gemachtigde voorwaardelijk wordt gevorderd, namelijk voor het geval Dexia niet veroordeeld zou worden om de volledige sub 2 genoemde kosten van Leaseproces aan [appellante] te voldoen.

3.2.2.

Aan de vordering onder 3.2.1. sub 1 heeft [appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Bij brief van 20 mei 2006 heeft de echtgenoot van [appellante] de hiervoor onder 3.1. sub b. vermelde overeenkomsten op grond van art. 1:89 BW vernietigd, zodat zij een vordering heeft op Dexia uit hoofde van onverschuldigde betaling.

3.2.3.

Dexia heeft in conventie onder meer aangevoerd dat het beroep op vernietiging niet tijdig is gedaan en dat de bevoegdheid van de echtgenoot om zich op vernietiging te beroepen is verjaard. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

Dexia heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: zal verklaren voor recht dat de tussen Dexia en [appellante] gesloten overeenkomsten met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] rechtsgeldig tot stand gekomen zijn, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellante] een beroep kan worden gedaan, alles met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in conventie en in reconventie.

3.2.5.

[appellante] heeft in reconventie verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.6.

In het eindvonnis van 16 november 2017 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] in conventie afgewezen en de vordering van Dexia in reconventie toegewezen en [appellante] in de proceskosten van zowel de conventie als de reconventie veroordeeld.

3.3.

[appellante] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis.

Zij heeft gevorderd:

- terzake van de onderhavige overeenkomsten te verklaren voor recht dat deze rechtsgeldig zijn vernietigd ex art. 1:88 en 89 BW en Dexia te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te voldoen al hetgeen aan Dexia is betaald onder deze overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen aan Dexia tot aan die der uiteindelijke algehele voldoening;

- Dexia niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans deze vorderingen af te wijzen althans haar die te ontzeggen;

- Dexia te veroordelen in de kosten van de beide instanties, alsmede in de nakosten.

3.3.1.

Het hof constateert dat [appellante] in paragraaf 7 van de memorie van grieven uitvoerig ingaat op de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Zij sluit deze paragraaf als volgt af in randnummer 7.40.: Ten aanzien van het concrete bedrag dat Dexia dient te vergoeden verzoekt [appellante] uw hof te overwegen dat Dexia aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd is:

a. een bedrag van € 895,- vanwege onderzoekskosten, plus

b. een bedrag ter hoogte van het met zijn gemachtigde in de offerte afgesproken percentage van hetgeen Dexia nog aan schadevergoeding (inclusief de wettelijke rente) dient te vergoeden, althans

c. een vergoeding conform Rapport Voorwerk II, althans

d. een bedrag door uw hof in goede justitie te bepalen bedrag.

3.3.2.

Hoewel [appellante] voormelde paragraaf in de memorie van grieven niet expliciet heeft aangeduid als grief tegen de afwijzing van de vordering terzake van buitengerechtelijke kosten en zij in haar memorie niet expliciet heeft geconcludeerd tot toewijzing daarvan, kan de memorie van grieven naar het oordeel van het hof wel zo worden opgevat.

Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen enerzijds dat [appellante] in deze paragraaf duidelijk aanvoert welke bezwaren zij tegen de afwijzing van deze vordering heeft en anderzijds dat Dexia bij memorie van antwoord uitvoerig verweer heeft gevoerd tegen het alsnog toewijzen van de gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, waarbij zij (onder meer) is ingegaan op de door [appellante] aangevoerde bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg. Het hof begrijpt de memorie van grieven aldus dat [appellante] grieft tegen de afwijzing van de door haar gevorderde vergoeding van deze buitengerechtelijke kosten en dat zij alsnog de vergoeding daarvan vordert op de hiervoor in randnummer 7.40. weergegeven wijze.

3.4.

In hoger beroep stelt [appellante] zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevoegdheid om de overeenkomsten te vernietigen, is verjaard.

3.5.

Bij de beoordeling van de vraag of het beroep van Dexia op verjaring slaagt of niet, hanteert het hof de volgende maatstaven. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van de onderhavige effectenleaseovereenkomsten, nu deze worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop), de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot, in dit geval [ex-echtgenoot van appellante] , de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen als geen schriftelijke toestemming voor het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten is verleend. Vaststaat dat [ex-echtgenoot van appellante] die toestemming niet aan [appellante] heeft verleend.

Uit artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming vereist was, ten dienste is komen te staan.

Op grond van de totstandkomingsgeschiedenis en uit de redactie van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW is naar het oordeel van het hof met de maatstaf ‘ten dienste is komen te staan’ tot uitdrukking gebracht dat de betrokkene de bevoegdheid tot vernietiging daadwerkelijk moet kunnen uitoefenen.

Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst aan op het moment dat de niet-handelende echtgenoot daadwerkelijk – subjectief – bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).

3.6.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting Eegalease de bevoegdheid van niet-handelende echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van die echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in situaties waarin de overeenkomsten weliswaar eerder zijn gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 of binnen drie jaar daarvoor bekend raakte met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan nadat de niet-handelende echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst en de verjaring wordt binnen drie jaren gestuit als gevolg van de collectieve actie.

3.7.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt voorts dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.

3.8.

De overeenkomsten waarvan bij brief van 20 mei 2006 (dus vóór 25 juli 2007) de vernietiging is ingeroepen, zijn echter gesloten vóór 13 maart 2000. Dat brengt mee dat de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid niet zonder meer als gevolg van de collectieve actie is gestuit. Het beroep op verjaring kan daarom slagen.

3.9.

Daarnaast geldt dat Dexia als degene die zich op verjaring beroept, de stelplicht heeft en, bij voldoende betwisting, de bewijslast draagt van de feiten en omstandigheden waaruit de bekendheid van de niet-handelende echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke, subjectieve, bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij, zoals in dit geval bij [appellante] en haar echtgenoot, hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen van Dexia niet te zware eisen mogen worden gesteld (HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BO6106).

3.10.

Dexia heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de echtgenoot van [appellante] vanaf aanvang van de overeenkomsten, althans vóór 13 maart 2000, althans voorafgaand aan

20 mei 2003 kennis heeft genomen van het bestaan van de overeenkomsten, zodat de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst op 20 mei 2006 (datum vernietigingsbrief) was verjaard, onder meer het volgende aangevoerd.

De overeenkomsten zijn via een tussenpersoon tot stand gekomen. Een tussenpersoon kwam in de regel meerdere malen bij de afnemer thuis. De kans is groot dat de eega van [appellante] de tussenpersoon bij een van deze bezoeken heeft gezien. De eega van [appellante] zal, ook wanneer niet aanwezig bij de gesprekken, naar aanleiding van die bezoeken vragen hebben gesteld aan [appellante] . Het is dan ook zeer aannemelijk dat de eega van [appellante] reeds direct bij de totstandkoming van de overeenkomsten van het bestaan daarvan op de hoogte is geraakt.

De eega van [appellante] is eveneens meerdere effectenleaseovereenkomsten aangegaan. Het is niet aannemelijk dat [appellante] en haar eega ieder apart effectenleaseovereenkomsten met Dexia hebben afgesloten zonder dit met elkaar te bespreken, althans zonder dat zij van elkaars overeenkomsten op de hoogte waren. Zo ontvingen [appellante] en haar eega op regelmatige basis post van Dexia met betrekking tot hun effectenleaseovereenkomsten, waarbij de post bestemd voor [appellante] haar eega niet onopgemerkt kan zijn gebleven. Bovendien is de overeenkomst die door [appellante] is geannuleerd rond dezelfde tijd gesloten als de overeenkomsten die door de eega van [appellante] zijn afgesloten en was daarbij dezelfde tussenpersoon betrokken. [appellante] kan dan ook bezwaarlijk volhouden dat zij over en weer het aangaan van hun respectievelijke effectenleaseovereenkomsten voor elkaar verborgen hebben gehouden.

Ten behoeve van de overeenkomsten heeft [appellante] in februari 2000 bedragen van € 7.667,40 en € 7.626,60 vooruitbetaald. Dit zijn bedragen van substantiële omvang. Dexia gaat er dan ook vanuit dat [appellante] deze uitgaven met haar eega heeft besproken dan wel dat de uitgaven de eega zijn opgevallen.

Nu [appellante] ten behoeve van de overeenkomsten een vooruitbetaling heeft gedaan, verdient de herkomst van dit geld op zijn minst toelichting. Dexia gaat ervan uit dat de vooruitbetaling is gefinancierd met een gezamenlijk spaargeld en/of tevens van het salaris van de eega van [appellante] afkomstig is. Dientengevolge is het aannemelijk dat de eega van [appellante] op de hoogte was van de overeenkomsten.

Vast staat dat [appellante] vanaf augustus 1999 met betrekking tot de overeenkomsten op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangers heeft ontvangen. Deze correspondentie is naar het huisadres van [appellante] en haar eega gestuurd. De correspondentie voor de overeenkomsten, zoals jaaropgaven – die elk jaar in januari aan [appellante] werden toegestuurd -, de overeenkomsten zelf en overige correspondentie zaten in een A4 formaat envelop met daarop het blauw bruine Bank Labouchère logo. Dexia acht het onaannemelijk dat de veelheid aan enveloppen de eega van [appellante] onopgemerkt is gebleven.

Dexia gaat er bij gebrek aan wetenschap vanuit dat [appellante] en haar eega gezamenlijk hun belastingaangifte indienden. De eega van [appellante] wordt geacht de belastingaangifte te hebben gelezen voordat hij deze ondertekende. Zodoende heeft de eega van [appellante] in de belastingaangiften voor het jaar 1999 en 2000 kunnen zien dat [appellante] de rente van de overeenkomsten heeft afgetrokken. In de belastingaangifte werden doorgaans ook de dividenduitkeringen en de lening zelf opgenomen. Op die grond gaat Dexia er eveneens van uit dat de eega van [appellante] wist van het bestaan van de overeenkomsten.

Dexia betwist bij gebrek aan wetenschap de stelling dat de overeenkomsten niet zijn opgenomen in het echtscheidingsconvenant.

De advocaat van [appellante] en haar eega heeft op 26 januari 2005 twee brieven gezonden aan Dexia; een brief namens [appellante] en een brief namens [ex-echtgenoot van appellante] . In deze brieven staat beschreven dat [appellante] op de hoogte is geraakt van het bestaan van de overeenkomsten van [ex-echtgenoot van appellante] en vice versa. Dit maakt het door [appellante] genoemde moment van wetenschap, namelijk mei 2006, volstrekt ongeloofwaardig. Nu het door [appellante] genoemde moment van wetenschap volkomen uit de lucht is gegrepen, gaat Dexia er vanuit dat de eega van [appellante] vanaf het aangaan van de overeenkomsten wetenschap had van de overeenkomsten.

3.11.

[appellante] betwist dat de eega vóór 13 maart 2000 (daadwerkelijk) op de hoogte was van de overeenkomsten. [appellante] licht dit aan de hand van de volgende feiten en omstandigheden toe:

a. [appellante] heeft eega niet verteld dat zij overeenkomsten met (de rechtsvoorganger van) Dexia had afgesloten en hij was daarvan ook niet op de hoogte.

b. [appellante] en eega leefden, zonder dat dit was ingeschreven, vanaf 1997 gescheiden van elkaar. Echtgenoten hadden dan ook geen bemoeienis met elkaars financiën. Eega had dan ook geen zicht op de post van Dexia. Deze heeft hij dan ook niet geopend. Noch heeft hij vragen gesteld over de post van Dexia. Zodoende kon het zo zijn dat echtgenoten geen wetenschap hadden van elkaars overeenkomsten.

c. De litigieuze overeenkomsten zijn tot stand gekomen door middel van een tussenpersoon die bij [appellante] thuis is geweest. Eega was daarbij niet aanwezig noch was hij van het gesprek op de hoogte.

d. De vooruitbetalingen zijn gefinancierd door middel van een hypotheekverhoging. Eega was niet betrokken bij deze hypotheekverhoging. De hypotheek stond uitsluitend op naam van [appellante] . Eega was niet op de hoogte van de vooruitbetalingen.

e. De betalingen aan Dexia zijn gedaan vanaf een rekening die uitsluitend op naam van [appellante] stond. Eega keek nimmer op de bankafschriften van deze rekening en hij heeft nimmer een betaling aan of van Dexia gezien. Eega had uiteraard zijn eigen rekening(en) waarop hij zijn inkomen ontving en waarvan hij zijn uitgaven deed.

f. De belastingaangifte werd verzorgd door [appellante] . Eega keek de ingevulde belastingaangifte niet door.

g. [appellante] en eega zijn in 2001 gescheiden. Ten tijde van de echtscheiding zijn de overeenkomsten niet ter sprake gekomen noch zijn de overeenkomsten opgenomen in het echtscheidingsconvenant.

h. In 2005 heeft [appellante] zich gewend tot een advocaat. Deze advocaat heeft namens [appellante] brieven naar Dexia gestuurd. Ook hierdoor is eega niet op de hoogte gekomen van de litigieuze overeenkomsten.

i. Eega is omstreeks mei 2006 bekend geraakt met het bestaan van de overeenkomsten. Op 8 mei 2006 is [appellante] op intakegesprek geweest bij Leaseproces. Naar aanleiding daarvan heeft [appellante] haar eega voor het eerst over haar overeenkomsten gesproken aangezien hij haar overeenkomsten moest vernietigen.

j. Eega heeft de overeenkomsten vernietigd per brief van 20 mei 2006.

Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat de vernietiging tijdig is geschied. Mocht Dexia stellen dat de vernietiging niet tijdig is geschied, dan rust de bewijslast van die stelling op Dexia, aldus [appellante] .

3.12.

[appellante] voert in de toelichting op grief 2 aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat voorshands dient te worden aangenomen dat Dexia is geslaagd in het bewijs dat [ex-echtgenoot van appellante] ten tijde van het afsluiten van de betreffende overeenkomsten wetenschap heeft gehad van de overeenkomsten.

De kantonrechter heeft dit bewijsvermoeden gebaseerd op grond van de volgende overweging: "Dexia heeft onweersproken aangevoerd dat [ex-echtgenoot van appellante] rond de tijd dat [appellante] de in het geding zijnde overeenkomsten heeft afgesloten ook zelf soortgelijke leaseovereenkomsten heeft afgesloten via dezelfde tussenpersoon als [appellante] en dat beide partners derhalve regelmatig post ontvingen van Dexia. Tevens heeft Dexia betwist dat partijen sinds 1997 gescheiden van elkaar leefden, hetgeen [appellante] vervolgens evenmin gemotiveerd heeft weersproken. "

3.13.

[appellante] heeft bij memorie van grieven gesteld dat zij en [ex-echtgenoot van appellante] ten tijde van het afsluiten van de overeenkomsten gescheiden van elkaar leefden. [appellante] en [ex-echtgenoot van appellante] hadden derhalve sinds die tijd gescheiden financiën en geen inzage in elkaars post of belastingaangiften. Dat [appellante] en [ex-echtgenoot van appellante] gescheiden van elkaar leefden blijkt ook uit de door Dexia overgelegde overeenkomsten van [ex-echtgenoot van appellante] . Immers, het adres op de overeenkomsten van [ex-echtgenoot van appellante] komt niet overeen met het adres op de overeenkomsten van [appellante] , nu zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten met Dexia gescheiden van elkaar leefden. Daar komt nog bij dat uit de door Dexia overgelegde overeenkomsten van [ex-echtgenoot van appellante] blijkt dat hij de overeenkomsten via een andere tussenpersoon heeft gesloten dan [appellante] .

3.14.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [appellante] , ligt het op de weg van Dexia om haar stelling te bewijzen. Dexia zal worden toegelaten tot bewijslevering. In zoverre treft de grief dus doel.

3.15.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat Dexia toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de echtgenoot van [appellante] vanaf aanvang van de overeenkomsten of in elk geval vóór 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend was met de lease-overeenkomsten;

bepaalt, voor het geval Dexia bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. A. Vogelzang onder verantwoordelijkheid van mr. E.A.M. van Oorschot als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 24 maart 2020 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van Dexia tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, E.A.M. van Oorschot en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 maart 2020.

griffier rolraadsheer