Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:879

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
200.233.875_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia, art. 1:88 BW bewijsopdracht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.233.875/01

arrest van 10 maart 2020

in de zaak van

[appellante] ,

als rechtsopvolgster onder algemene titel van de op 6 juni 2016 overleden,

[overleden partner van appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 februari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 2 november 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [overleden partner van appellante] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4946205 16-3837)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met productie;

  • -

    de akte uitlating van [appellante] ;

  • -

    de antwoordakte van Dexia.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In overweging 2 van het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de kantonrechter vastgestelde feiten, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

a. Dexia Bank Nederland N.V. is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van onder meer Bank Labouchère N.V. en Legio-Lease B.V. Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

b. [overleden partner van appellante] heeft als lessee een effectenleaseovereenkomst gesloten met Legio-Lease B.V., te weten:

contractnr

datum

Naam overeenkomst

leasesom

looptijd

termijnbedrag

[contractnummer]

13-05-1998

Feestplan

€ 13.603,30

120 mnd

€ 67,65

c. [overleden partner van appellante] was ten tijde van het aangaan van voormelde overeenkomst gehuwd met mevrouw [appellante] (hierna ook te noemen: [appellante] ).

d. Bij dagvaarding van 13 maart 2003 hebben onder meer de Stichting Eegalease en de Consumentenbond bij de rechtbank Amsterdam een collectieve actie in de zin van artikel 3:305a BW gestart tegen Dexia. Deze procedure is in eerste aanleg geëindigd door een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2004. Dexia heeft tegen dit vonnis tijdig hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, waardoor dat vonnis niet na verloop van de hoger beroepstermijn in kracht van gewijsde is gegaan. Tijdens de procedure in hoger beroep is tussen Dexia enerzijds en de belangenorganisaties (waaronder de Stichting Eegalease en de Consumentenbond) anderzijds een schikking tot stand gekomen. Deze schikking is vastgelegd in de zogenoemde Hoofdovereenkomst van 23 juni 2005. Partijen bij die overeenkomst hebben op dezelfde datum een overeenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 7:907 lid 1 BW (de WCAM-overeenkomst, bijlage III bij de Hoofdovereenkomst).

Na het sluiten van de Hoofdovereenkomst is de procedure in hoger beroep bij het hof Amsterdam op 25 augustus 2005 geroyeerd.

Ter uitvoering van de Hoofdovereenkomst heeft Dexia op grond van artikel 7:907

lid 1 BW op 18 november 2005 een verzoekschrift ingediend bij het hof Amsterdam. Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft het hof Amsterdam de (op 8 mei 2006 gewijzigde) overeenkomst verbindend verklaard.

e. Bij brief van 15 november 2006 schrijft de echtgenote van [overleden partner van appellante] aan Dexia:

" Betreft: Contract [contractnummer] ten name van [overleden partner van appellante]

Geachte dames en heren,

Mij is onlangs gebleken dat door mijn echtgenoot bovengenoemd contract bij u is afgesloten.

Ik heb daarvoor geen toestemming verleend en ik vernietig hierbij het contract op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW.

Ik verzoek u van het bovenstaande goede nota te nemen."

f. [overleden partner van appellante] heeft tijdig een opt-out verklaring ingediend en is daarmee niet gebonden aan de op 25 januari 2007 door het gerechtshof Amsterdam algemeen verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst met Dexia.

3.2.1.

[overleden partner van appellante] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de rechter, bij vonnis, voor zover rechtens toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal verklaren voor recht dat de overeenkomst in het geding rechtsgeldig is vernietigd en Dexia zal veroordelen om al hetgeen door [overleden partner van appellante] krachtens die overeenkomst aan Dexia is betaald, aan [overleden partner van appellante] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van de door [overleden partner van appellante] gedane betalingen dan wel vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot aan die der voldoening;

2. Dexia zal veroordelen tot betaling van de door [overleden partner van appellante] aan Leaseproces verschuldigde buitengerechtelijke kosten op basis van de offerte van Leaseproces, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

3. Dexia zal veroordelen in de kosten van het geding, waarvan het salaris gemachtigde voorwaardelijk wordt gevorderd, namelijk voor het geval Dexia niet veroordeeld zou worden om de volledige sub 2 genoemde kosten van Leaseproces aan [overleden partner van appellante] te voldoen.

3.2.2.

Aan de vordering onder 3.2.1. sub 1 heeft [overleden partner van appellante] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Bij brief van 15 november 2006 heeft de echtgenote van [overleden partner van appellante] de hiervoor onder 3.1. sub b. vermelde overeenkomst op grond van art. 1:89 BW vernietigd, zodat hij een vordering heeft op Dexia uit hoofde van onverschuldigde betaling.

3.2.3.

Dexia heeft in conventie onder meer aangevoerd dat het beroep op vernietiging niet tijdig is gedaan en dat de bevoegdheid van de echtgenote om zich op vernietiging te beroepen is verjaard. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

Dexia heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: zal verklaren voor recht dat de tussen Dexia en [overleden partner van appellante] gesloten overeenkomst met nummer [contractnummer] rechtsgeldig tot stand gekomen is, niet is vernietigd en niet bloot staat aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [overleden partner van appellante] een beroep kan worden gedaan, alles met veroordeling van [overleden partner van appellante] in de proceskosten in conventie en in reconventie.

3.2.5.

[overleden partner van appellante] heeft in reconventie verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.6.

In het eindvonnis van 2 november 2017 heeft de kantonrechter de vorderingen van [overleden partner van appellante] in conventie afgewezen en de vordering van Dexia in reconventie toegewezen en [overleden partner van appellante] in de proceskosten van zowel de conventie als de reconventie veroordeeld.

3.3.

[appellante] heeft als rechtsopvolgster onder algemene titel van haar overleden man [overleden partner van appellante] in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis.

Zij heeft gevorderd:

- terzake van de onderhavige overeenkomst te verklaren voor recht dat deze rechtsgeldig is vernietigd ex art. 1:88 en 89 BW en Dexia te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellante] te voldoen al hetgeen aan Dexia is betaald onder deze overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen aan Dexia tot aan die der uiteindelijke algehele voldoening;

- Dexia niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans deze vorderingen af te wijzen althans haar die te ontzeggen;

- Dexia te veroordelen in de kosten van de beide instanties, alsmede in de nakosten.

3.3.1.

Het hof constateert dat [appellante] in paragraaf 6 van haar memorie van grieven uitvoerig ingaat op de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Zij sluit deze paragraaf als volgt af in randnummer 6.16.: Ten aanzien van het concrete bedrag dat Dexia dient te vergoeden verzoekt [appellante] uw hof te overwegen dat Dexia aan buitengerechtelijke kosten verschuldigd is:

a. een bedrag van € 125,- vanwege onderzoekskosten, plus

b. een bedrag ter hoogte van het met zijn gemachtigde in de offerte afgesproken percentage van hetgeen Dexia nog aan schadevergoeding (inclusief de wettelijke rente) dient te vergoeden, althans

c. een vergoeding conform Rapport Voorwerk II, althans

d. een bedrag door uw hof in goede justitie te bepalen bedrag.

3.3.2.

Hoewel [appellante] voormelde paragraaf in de memorie van grieven niet expliciet heeft aangeduid als grief tegen de afwijzing van de vordering terzake van buitengerechtelijke kosten en zij in haar memorie niet expliciet heeft geconcludeerd tot toewijzing daarvan, kan de memorie van grieven naar het oordeel van het hof wel zo worden opgevat. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen: enerzijds dat [appellante] in de memorie van grieven duidelijk aanvoert welke bezwaren zij tegen de afwijzing van deze vordering heeft en op welke wijze zij vergoeding van deze kosten vordert en anderzijds dat Dexia bij memorie van antwoord uitvoerig verweer heeft gevoerd tegen het alsnog toewijzen van de gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, waarbij zij (onder meer) is ingegaan op de door [appellante] aangevoerde bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg. Het hof begrijpt de memorie van grieven aldus dat [appellante] grieft tegen de afwijzing van de door haar gevorderde vergoeding van deze buitengerechtelijke kosten en dat zij alsnog de vergoeding daarvan vordert op de hiervoor in randnummer 6.16. weergegeven wijze.

3.4.

In hoger beroep stelt [appellante] zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de bevoegdheid om de overeenkomst te vernietigen, is verjaard.

3.5.

Bij de beoordeling van de vraag of het beroep van Dexia op verjaring slaagt of niet, hanteert het hof de volgende maatstaven. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van de onderhavige effectenleaseovereenkomst, nu deze wordt aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop), de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot, in dit geval [appellante] , de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomst te vernietigen als geen schriftelijke toestemming voor het sluiten van de effectenleaseovereenkomst is verleend. Vaststaat dat [appellante] die toestemming niet aan [overleden partner van appellante] heeft verleend.

Uit artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming vereist was, ten dienste is komen te staan.

Op grond van de totstandkomingsgeschiedenis en uit de redactie van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW is naar het oordeel van het hof met de maatstaf ‘ten dienste is komen te staan’ tot uitdrukking gebracht dat de betrokkene de bevoegdheid tot vernietiging daadwerkelijk moet kunnen uitoefenen.

Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst aan op het moment dat de niet-handelende echtgenoot daadwerkelijk – subjectief – bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).

3.6.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting Eegalease de bevoegdheid van niet-handelende echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van die echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in situaties waarin de overeenkomsten weliswaar eerder zijn gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 of binnen drie jaar daarvoor bekend raakte met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan nadat de niet-handelende echtgenoot daadwerkelijk bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst en de verjaring wordt binnen drie jaren gestuit als gevolg van de collectieve actie.

3.7.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt voorts dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.

3.8.

De overeenkomst waarvan bij brief van 15 november 2006 (dus vóór 25 juli 2007) de vernietiging is ingeroepen, is echter gesloten vóór 13 maart 2000. Dat brengt mee dat de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid niet zonder meer als gevolg van de collectieve actie is gestuit. Het beroep op verjaring kan daarom slagen.

3.9.

Daarnaast geldt dat Dexia als degene die zich op verjaring beroept, de stelplicht heeft en, bij voldoende betwisting, de bewijslast draagt van de feiten en omstandigheden waaruit de bekendheid van de niet-handelende echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke, subjectieve, bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij, zoals in dit geval bij [overleden partner van appellante] en diens echtgenote, hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen van Dexia niet te zware eisen mogen worden gesteld (HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011: BO6106).

Uit de rechtspraak volgt bovendien dat aan het verrichten van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of rekening een bewijsvermoeden wordt ontleend met betrekking tot de aanvang van een verjaringstermijn, in die zin dat wordt vermoed dat de echtgenote van de wederpartij van Dexia, behoudens tegenbewijs, bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen zijn overgelegd.

3.10.

Dexia heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de echtgenote van [overleden partner van appellante]

vóór 13 maart 2000 bekend is geworden met de overeenkomst, zodat de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst op 15 november 2006 (datum vernietigingsbrief) al was verjaard, onder meer het volgende aangevoerd.

De betalingen ten behoeve van de overeenkomst zijn gedaan ten laste van een zogenaamde en/of rekening, die ten name staat van [overleden partner van appellante] en zijn echtgenote. [overleden partner van appellante] heeft in de inleidende dagvaarding ook erkend dat de betalingen ten behoeve van de overeenkomst na juni 2000 zijn verricht van een en/of rekening die op de naam van [overleden partner van appellante] en zijn echtgenote stond,

derhalve rekeningen die op gemeenschappelijke naam staan van [overleden partner van appellante] en [appellante] en tot het saldo waarvan [appellante] tezamen met [overleden partner van appellante] gerechtigd is. Vanaf die rekeningen zijn de betalingen van maandelijks € 149,08 verricht en op die rekeningen zijn eveneens substantiële dividendinkomsten bijgeboekt. Dit vormt bewijs dat [appellante] van aanvang van de overeenkomst af bekend is geweest met het bestaan van de overeenkomst: zij heeft de lasten in verband met de overeenkomst immers zelf betaald en zij heeft de vruchten daarvan zelf genoten. Van het bestaan van de overeenkomst blijkt bovendien uit de rekeningafschriften van de desbetreffende rekening. Nu het een "en/of rekening" betreft, waren die rekeningafschriften mede aan haar geadresseerd. Het feit dat iemand ( [appellante] ) een mededeling (de rekeningafschriften) heeft ontvangen, waaruit een bepaald feit blijkt (het bestaan van de overeenkomst), is voldoende bewijs van wetenschap van dat feit. Dexia gaat er derhalve van uit dat de echtgenote van [overleden partner van appellante] in ieder geval vanaf het moment van ontvangst van de relevante bankafschriften op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomst en dat de verjaringstermijn van drie jaar toen aanving. In zaken als de onderhavige wordt naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad aan het gebruik van een gemeenschappelijke bankrekening een bewijsvermoeden ontleend dat de vernietigingsbevoegde van aanvang af met het bestaan van de overeenkomst met een effectenlease bekend is geweest.

Dexia gaat er vanuit dat naast [overleden partner van appellante] ook de eega van [overleden partner van appellante] inkomen had en dat beide salarissen op de en/of rekening werden gestort. Nu is gebleken dat voor de betalingen van de maandtermijnen de en/of rekening is gebruikt, geldt dat ook het salaris van de eega van [overleden partner van appellante] is aangewend voor de betaling van de maandtermijnen. Dit moet reden zijn geweest voor [overleden partner van appellante] om ook over de overeenkomst te vertellen en voor zijn eega om naar het mogelijke bestaan hiervan te informeren. Dientengevolge is het aannemelijk dat de eega van [overleden partner van appellante] op de hoogte was van de overeenkomst.

[overleden partner van appellante] heeft in december 2004 een brief gestuurd naar Dexia waarin hij haar op grond van (o.a.) schending van de zorgplicht aansprakelijk stelt voor de door hem geleden schade. De stelling van [overleden partner van appellante] dat het hem pas in de zomer van 2006 duidelijk werd dat de overeenkomst niet tot het gewenste resultaat zou leiden, is dan ook niet geloofwaardig. Immers, blijkt uit de brief dat [overleden partner van appellante] destijds al van mening was dat de overeenkomst tot schade had geleid waar Dexia voor verantwoordelijk was.

Bovendien ontving [overleden partner van appellante] jaarlijks een jaaropgave over de overeenkomst. Op deze jaaropgave is telkens vermeld hoe hoog de restschuld onder de overeenkomst op dat moment was. [overleden partner van appellante] wist dat ook in ieder geval in februari 2003 dat de aan de overeenkomst onderliggende aandelen minder waard waren dan de verschuldigde hoofdsom.

Vast staat dat [overleden partner van appellante] vanaf mei 1998 met betrekking tot de overeenkomst op meerdere momenten poststukken van Dexia of haar rechtsvoorgangers heeft ontvangen. Deze correspondentie voor de overeenkomst, zoals jaaropgave, de overeenkomst zelf en overige correspondentie zaten in een A4 formaat envelop met daarop de groene balk met het Legio Lease Logo. Dexia acht het onaannemelijk dat de veelheid aan de enveloppen de eega van [overleden partner van appellante] onopgemerkt is gebleven.

Dexia gaat er bij gebrek aan bewijs van uit dat [overleden partner van appellante] en zijn eega gezamenlijke hun belastingaangifte indienden. De eega van [overleden partner van appellante] wordt geacht de belastingaangifte te hebben gelezen voordat zij deze ondertekenden. Zodoende heeft de eega van [overleden partner van appellante] in de belastingaangifte(n) voor het jaar 1998 tot en met 2000 kunnen zien dat [overleden partner van appellante] de rente van de overeenkomst heeft afgetrokken. In de belastingaangifte werden doorgaans ook de dividenduitkering en de lening zelf opgenomen. Op die grond gaat Dexia er eveneens van uit dat de eega van [overleden partner van appellante] wist van het bestaan van de overeenkomst.

3.11.

[appellante] betwist dat zij vóór 13 maart 2000 op de hoogte was van de overeenkomst met Dexia. Zij licht dit aan de hand van de volgende feiten en omstandigheden toe:

a. [overleden partner van appellante] heeft eega niet verteld dat hij een overeenkomst met (de rechtsvoorganger van) Dexia had afgesloten en zij was daarvan dan ook niet op de hoogte.

b. De betalingen aan Dexia zijn tot in ieder geval juni 2000 gedaan van een rekening op naam van [overleden partner van appellante] en zijn zoon. Eega keek nimmer op deze bankafschriften. Later is betaald van een en/of rekening van [overleden partner van appellante] en eega. [overleden partner van appellante] had deze rekening in beheer. Eega bekeek nimmer de bankafschriften van deze rekening.

c. Eega opende nimmer de aan [overleden partner van appellante] gerichte post of bankpost van de en/of rekening. Post van Dexia is niet opgevallen.

d. De belastingaangifte werd verzorgd door [overleden partner van appellante] . Eega keek de ingevulde aangifte niet door.

e. Omstreeks de zomer van 2006 werd het [overleden partner van appellante] duidelijk dat het contract nimmer het voorgespiegelde rendement zou gaan opleveren. [overleden partner van appellante] heeft vervolgens zijn eega over de overeenkomst geïnformeerd.

f. Eega heeft de overeenkomst vernietigd per brief van 15 november 2006.

3.12.

[appellante] voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter – mede op grond van de onder 3.9. vermelde rechtspraak – ten onrechte heeft geoordeeld dat voorshands dient te worden aangenomen dat Dexia is geslaagd in het bewijs dat [appellante] in ieder geval door de belastingaangifte over 1998 wetenschap heeft gehad van de overeenkomst.

De kantonrechter heeft dit oordeel gebaseerd op de overweging dat Dexia onweersproken heeft aangevoerd dat [overleden partner van appellante] en [appellante] de belastingaangiften gezamenlijk indienden, zodat de eega van [overleden partner van appellante] voor de jaren 1998 tot en met 2000 heeft kunnen zien dat hij de rente van de overeenkomst heeft afgetrokken en dat Dexia erop heeft gewezen dat doorgaans ook de dividenduitkeringen en de lening zelf in de aangifte wordt opgenomen.

Volgens [appellante] wordt met het aannemen van dit bewijsvermoeden de gangbare rechtspraak miskend, waarin het kantelpunt wordt gelegd bij de aanwezigheid van een en/of rekening. Het is onbegrijpelijk waarom hierop door de kantonrechter een uitzondering is gemaakt.

3.13.

Het hof constateert dat [appellante] op zichzelf niet bestrijdt dat Dexia onweersproken heeft aangevoerd dat [overleden partner van appellante] en [appellante] gezamenlijk belastingaangiften indienden, zodat de eega van [overleden partner van appellante] voor de jaren 1998 tot en met 2000 heeft kunnen zien dat hij de rente van de overeenkomst heeft afgetrokken en dat doorgaans ook de dividenduitkeringen en de lening zelf in de aangifte is opgenomen. Daarmee heeft Dexia aan haar stelplicht voldaan.

Het hof is op grond daarvan van oordeel dat het bestaan van die overeenkomst voor [appellante] kenbaar was uit die gezamenlijke belastingaangifte over 1998.

Dit betekent dat de door Dexia gestelde feiten in beginsel de gevolgtrekking wettigen dat [appellante] in ieder geval vanaf de indiening van de gezamenlijke belastingaangifte over 1998 bekend was met de betrokken overeenkomst. Dit rechtvaardigt de conclusie dat Dexia voorshands is geslaagd in het door haar te leveren bewijs.

3.14.

[appellante] betwist dat zij vóór 13 maart 2000 bekend was met de betrokken overeenkomst met Dexia. Zij voert daartoe (onder meer) aan dat zij zich totaal afzijdig hield van de financiën, en niet betrokken was bij de belastingaangiften. De belastingaangifte nam [overleden partner van appellante] samen met een boekhouder voor zijn rekening. [appellante] was nooit bij de gesprekken met de boekhouder aanwezig, hoefde niet te tekenen voor de aangifte en las nimmer een ingevulde aangifte door, aldus [appellante] .

Zij heeft hiervan tegenbewijs aangeboden. [appellante] zal daartoe worden toegelaten.

3.15.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellante] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat zij vanaf de gezamenlijke belastingaangifte over 1998 of in elk geval vóór 13 maart 2000, daadwerkelijk bekend was met de lease-overeenkomst;

bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. A. Vogelzang onder verantwoordelijkheid van mr. E.A.M. van Oorschot als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 24 maart 2020 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, E.A.M. van Oorschot en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 maart 2020.

griffier rolraadsheer