Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:873

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
200.194.926_02 en 200.232.622_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:3406
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:4772
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:1651
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:213
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:6182
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:5222
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geschil tussen aannemer en opdrachtgever, overhevelen van onderneming door aannemer, verhaalsfrustratie, misbruik van identiteit van rechtspersonen die alle tot de groep van de aannemer behoren, bestuurdersaansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0103
OR-Updates.nl 2020-0117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummers 200.194.926/02 en 200.232.622/01

arrest van 10 maart 2020

in de zaak 200.194.926/02 van

1 [appellant]

2. [appellante] ,

beiden verblijvende te [verblijfplaats] ,

appellanten, hierna gezamenlijk ook aan te duiden als [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. D.W. Stuijt te Amsterdam,

tegen

1 Bouwbedrijf [bouwbedrijf] B.V.,

2. [beheer] Beheer B.V.,

3. [geintimeerde 3] ,
alle gevestigd/wonende te [vestigings-/woonplaats] ,

geïntimeerden, hierna ook aan te duiden als Bouwbedrijf Nieuw, [beheer] Beheer en [geintimeerde 3] , en gezamenlijk als [geintimeerden c.s.] ,

advocaat: mr. N.H.A. Kampschreur te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 22 november 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/289523/HA ZA 15-105 gewezen vonnis van 23 maart 2016,

en in de zaak 200.232.622/01 van

1 [beheer (200.232.622_01)] Beheer B.V.,

2. [appellant 2 (200.232.622_01)] ,
beide gevestigd/wonende te [vestigings-/woonplaats] ,

appellanten, hierna ook aan te duiden als [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] ,

advocaat: mr. N.H.A. Kampschreur te Eindhoven,

tegen

1 [geintimeerde 1 (200.232.622_01)] ,

2. [geintimeerde 2 (200.232.622_01)] ,

beiden verblijvende te [verblijfplaats] ,

geïntimeerden, hierna gezamenlijk ook aan te duiden als [appellanten c.s.] ,

advocaat: mr. D.W. Stuijt te Amsterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 juni 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/312977/HA ZA 16-629 gewezen vonnis van 15 november 2017.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure met zaaknummer 200.194.926/02 blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 22 november 2016;

  • -

    de akte met eiswijziging van 15 mei 2018 van [appellanten c.s.] , met productie 1, waarbij [appellanten c.s.] zijn eis heeft verminderd in een andere zaak (met zaaknummer 200.200.218/02) in die zin dat deze eis werd ingetrokken waarna in deze zaak – na eerst te zijn gevoegd met de huidige zaken 200.194.926/02 en 200.232.622/01 – eindarrest is gewezen;

  • -

    de memorie van antwoord van 7 augustus 2018, met producties 22 en 23.

Het verloop van de procedure met zaaknummer 200.232.622/01 blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 26 juni 2018;

  • -

    de memorie van antwoord van 7 augustus 2018, zonder producties (de daarin genoemde producties 33 tot en met 35 zijn niet in het geding gebracht).


Bij genoemd tussenarrest van 26 juni 2018 in de procedure met zaaknummer 200.232.622/01 heeft het hof de voeging van deze zaak met de zaak 200.194.926/02 (en de niet langer relevante zaak 200.200.118/02) bevolen. Het hof zal hierna de nummering van dit tussenarrest voortzetten.

Vervolgens heeft in beide zaken tezamen pleidooi plaatsgevonden op 16 oktober 2019 waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
Hierbij heeft mr. Stuijt verklaard dat productie 1 (depotovereenkomst) behorend bij de akte met eiswijziging van 15 mei 2018 moet worden beschouwd als zijnde tevens in het geding gebracht in zaak 200.232.622/01. Tevens heeft mr. Stuijt hierbij namens [appellanten c.s.] in zaak 200.194.926/02 de eis verminderd zoals hierna vermeld.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

Feiten

6.1.

Het hof gaat bij de berechting van beide zaken uit van de volgende - tussen partijen vaststaande - feiten.

a) [appellanten c.s.] en de besloten vennootschap [nieuwe handelsnaam bouwbedrijf oud] B.V. – destijds nog genaamd Bouwbedrijf [bouwbedrijf oud] B.V. (hierna: Bouwbedrijf Oud) – hebben aannemingsovereenkomsten gesloten voor de verbouwing van een (woon)boerderij en de bouw van een bijgebouw op respectievelijk 21 oktober 2010 en 15 december 2010 (hierna: de aannemingsovereenkomsten).

b) Enig bestuurder en enig aandeelhouder van Bouwbedrijf Oud is [beheer] Beheer B.V. (hierna: [beheer] Beheer).

c) Enig bestuurder en enig aandeelhouder van [beheer] Beheer is de heer [geintimeerde 3] (hierna: [geintimeerde 3] ).

d) Op 24 augustus 2011 is opgericht de besloten vennootschap Bouwbedrijf [bouwbedrijf nieuw] B.V. (hierna: Bouwbedrijf Nieuw), van welke vennootschap enig bestuurder en enig aandeelhouder is [beheer] Beheer.

e) Op 24 augustus 2011 is de naam van Bouwbedrijf Oud gewijzigd in [nieuwe handelsnaam bouwbedrijf oud] B.V.

f) Feitelijk heeft [geintimeerde 3] als ondernemer de activiteiten van zijn bouwbedrijf van Bouwbedrijf Oud verplaatst naar Bouwbedrijf Nieuw en in dat kader hebben de gebeurtenissen genoemd onder d) en e) plaatsgevonden.

g) Tussen [appellanten c.s.] en Bouwbedrijf Oud is op enig moment een geschil ontstaan met betrekking tot de uitvoering van de aannemingsovereenkomsten. Dit heeft geleid tot procedures voor de Raad van Arbitrage voor de Bouw (hierna: de Raad van Arbitrage), waarbij Bouwbedrijf Oud een bedrag vorderde van [appellanten c.s.] (strekkende tot betaling van de onbetaald gebleven, uitgevoerde werkzaamheden) terwijl [appellanten c.s.] een bedrag vorderde van Bouwbedrijf Oud (strekkende tot schadevergoeding wegens wanprestatie).

h) Bouwbedrijf Oud heeft op 14 juli 2011 conservatoir beslag laten leggen op de woonboerderij van [appellanten c.s.]

i) De Raad van Arbitrage heeft op 18 april 2013 vonnis gewezen. Bij dat vonnis is [appellanten c.s.] veroordeeld om aan Bouwbedrijf Oud te betalen € 81.051,46 te vermeerderen met rente en kosten. Dit bedrag is het saldo van de toewijsbaar geachte vordering van Bouwbedrijf Oud groot € 131.051,46 en de toewijsbaar geachte tegenvordering van [appellanten c.s.] groot € 50.000.

j) [appellanten c.s.] heeft aan de onder i) genoemde veroordeling voldaan door betaling van € 103.500 aan Bouwbedrijf Oud, waartegenover door deze een bankgarantie is gesteld voor een bedrag van € 103.500 (een en ander als uitkomst van een executiegeschil betreffende voornoemd arbitraal vonnis en in het licht van het hoger beroep daartegen).

k) Bouwbedrijf Oud (zaaknummer 71.891) en [appellanten c.s.] (zaaknummer 71.892) hebben tegen het hiervoor onder i) genoemde arbitraal vonnis hoger beroep ingesteld (hierna: het eerste hoger beroep). Het arbitraal vonnis is in hoger beroep bij vonnis van 3 september 2014 vernietigd. Daarbij is Bouwbedrijf Oud veroordeeld om aan [appellanten c.s.] te betalen € 100.508,42 met rente en € 16.098,21 ter verrekening van de proceskosten in eerste aanleg, en tot terugbetaling aan [appellanten c.s.] van € 103.500,00 met rente en betaling van € 25.148,28 ter verrekening van de proceskosten in appel.

l) Bouwbedrijf Oud heeft bij dagvaarding van 2 december 2014 aan de rechtbank Amsterdam verzocht het arbitrale appelvonnis van 3 september 2014 te vernietigen.

m) Op verzoek van [appellanten c.s.] heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant op 2 december 2014 verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van [beheer] Beheer en [geintimeerde 3] . [appellanten c.s.] heeft vervolgens op 10 december 2014 ten laste van [beheer] Beheer en [geintimeerde 3] beslagen doen leggen.

n) Bij vonnis van 19 augustus 2015 heeft de rechtbank Amsterdam de vordering van Bouwbedrijf Oud toegewezen voor zover het vonnis van 3 september 2014 betrekking heeft op de zaak met kenmerk 71.892, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten. Voor zover het hoger beroep betrekking had op de zaak met zaaknummer 71.891 is het door de rechtbank Amsterdam in stand gelaten.

o) Na het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 augustus 2015 heeft de Raad van Arbitrage in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 71.892 op 18 oktober 2016 uitspraak gedaan (hierna: het tweede hoger beroep). Daarbij is in principaal appel het vonnis van 18 april 2013 waarvan beroep vernietigd voor zover [appellanten c.s.] daarin is veroordeeld tot betaling van € 81.051,46 met rente. De Raad heeft geoordeeld dat Bouwbedrijf Oud recht had op betaling van in totaal € 98.303,25 en dat aan [appellanten c.s.] toekwam in totaal een bedrag van € 84.696,52. De Raad van Arbitrage heeft, opnieuw rechtdoende, [appellanten c.s.] veroordeeld tot betaling van het saldo van € 13.606,73. In incidenteel appel is het beroep verworpen en Bouwbedrijf Oud is in principaal en incidenteel appel veroordeeld ter verrekening van de proceskosten in hoger beroep aan [appellanten c.s.] € 10.000,00 te betalen.

p) Partijen hebben afspraken gemaakt over de afwikkeling van de tussen hen lopende procedures, het stellen van zekerheid en opheffing van gelegde beslagen. Deze afspraken zijn neergelegd in een overeenkomst van 6 april 2018, hierna: de Depotovereenkomst.

Procedure over onrechtmatige verhaalsfrustratie door [geintimeerden c.s.]

6.2.1.

In de procedure met zaaknummer 200.194.926/02 heeft [appellanten c.s.] in eerste aanleg gevorderd in conventie, kort samengevat, veroordeling van [geintimeerden c.s.] , primair tot betaling van € 155.855,60, subsidiair tot schadevergoeding, een en ander met rente en kosten.

6.2.2.

[geintimeerden c.s.] heeft in deze procedure, in reconventie, gevorderd de door [appellanten c.s.] ten laste van hem gelegde beslagen op te heffen.

6.2.3.

De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 23 maart 2016, in conventie, de vorderingen van [appellanten c.s.] afgewezen, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten. De rechtbank heeft, in reconventie, de op 10 december 2014 door [appellanten c.s.] ten laste van [beheer] Beheer en [geintimeerde 3] gelegde beslagen opgeheven, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten.

6.2.4.

[appellanten c.s.] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellanten c.s.] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 23 maart 2016 en, na eiswijziging bij memorie van grieven en eisvermindering bij pleidooi, gevorderd voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [geintimeerden c.s.] te veroordelen tot betaling aan [appellanten c.s.] van:

a. een bedrag van € 22.707,64,

b. een bedrag aan wettelijke rente van € 3.799,08, en

c. buitengerechtelijke kosten van € 4.263,- exclusief btw,

2. [geintimeerden c.s.] te veroordelen tot vergoeding van alle schade die [appellanten c.s.] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 augustus 2011 tot en met de dag der algehele voldoening,

3. [beheer] Beheer te veroordelen om aan [appellanten c.s.] te voldoen de beslagkosten van € 1.581,74,

4. [geintimeerde 3] te veroordelen om aan [appellanten c.s.] te betalen de beslagkosten van € 1.069,57,

5. te verklaren voor recht dat:

a. Bouwbedrijf Nieuw en [bouwbedrijf oud] Oud moeten worden vereenzelvigd,

b. [geintimeerden c.s.] misbruik heeft gemaakt van rechtspersoonlijkheid teneinde [appellanten c.s.] in zijn verhaalsmogelijkheden te benadelen en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW,

6. [geintimeerden c.s.] te veroordelen tot vergoeding van een bedrag aan schade gelijk aan het bedrag dat [bouwbedrijf oud] Oud zal moeten betalen aan [appellanten c.s.] op grond van de nieuwe uitspraak in hoger beroep van de Raad van Arbitrage, een en ander op grond van onrechtmatige daad door [geintimeerden c.s.] , althans tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat,

7. de vorderingen van [geintimeerden c.s.] in reconventie af te wijzen,

8. [geintimeerden c.s.] te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

Procedure over onrechtmatig beslag door [appellanten c.s.]

6.3.1.

In de procedure met zaaknummer 200.232.622/01 hebben [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] in eerste aanleg (in conventie) en na vermindering van eis gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht dat [appellanten c.s.] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door op 10 december 2014 ten laste van hen beslag te leggen, met veroordeling van [appellanten c.s.] tot vergoeding van de dientengevolge door hen geleden schade, onder meer bestaande in de kosten die zij hebben moeten maken om opheffing van het beslag te verkrijgen van € 291,67, tot vergoeding van de schade van [beheer (200.232.622_01)] Beheer bestaande uit financieringskosten van € 20.897,89 en uit waardevermindering van een Audi van € 17.000,00, vermeerderd met rente, en tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 2.790,-, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de proceskosten.

De reconventionele vordering van [appellanten c.s.] is in hoger beroep niet meer aan de orde.

6.3.2.

De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 15 november 2017 de vorderingen van [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] afgewezen, met veroordeling van hen in de proceskosten.

6.3.3.

[beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] hebben in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 15 november 2017 en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen.

Verdere beoordeling in hoger beroep

Verhaalsfrustratie door [geintimeerden c.s.]

6.4.

[appellanten c.s.] legt aan zijn vorderingen (in zaak 200.194.926/02) het volgende ten grondslag.

6.4.1.

[geintimeerden c.s.] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [appellanten c.s.] omdat hij de onderneming van [bouwbedrijf oud] Oud heeft overgeheveld naar [bouwbedrijf nieuw] Nieuw waardoor de verhaalsmogelijkheden van [appellanten c.s.] op [bouwbedrijf oud] Oud zijn gefrustreerd. Deze verhaalsfrustratie werd door [geintimeerden c.s.] ook beoogd.

6.4.2.

Op dezelfde dag dat [bouwbedrijf nieuw] Nieuw werd opgericht, op 24 augustus 2011, heeft [bouwbedrijf oud] Oud haar naam gewijzigd in [nieuwe handelsnaam bouwbedrijf oud] B.V. [bouwbedrijf oud] Oud heeft haar handelsnaam overgedragen aan [bouwbedrijf nieuw] Nieuw. Overdracht van een handelsnaam is slechts mogelijk als ook de bijbehorende onderneming overgaat (artikel 2 Handelsnaamwet). [bouwbedrijf oud] Oud en [bouwbedrijf nieuw] Nieuw zijn voor de buitenwereld hetzelfde bedrijf, gelet op (onder meer) de identieke handelsnaam, website, e-mail, telefoonnummers, adressen, logo’s en reclameborden. Het vermogen van [bouwbedrijf oud] Oud, waaronder de voorraden, behoort nu toe aan [bouwbedrijf nieuw] Nieuw, zodat [appellant] zich daar niet op kan verhalen. [bouwbedrijf nieuw] Nieuw heeft geen (reële) koopsom voor de onderneming betaald. De overeenkomsten van [bouwbedrijf oud] Oud met haar voormalige opdrachtgevers zijn overgenomen door [bouwbedrijf nieuw] Nieuw, zodat [appellanten c.s.] zich evenmin op deze opdrachtgevers kan verhalen.

6.4.3.

De overheveling vond plaats op een moment dat [bouwbedrijf oud] Oud zelf al beslag had gelegd onder [appellanten c.s.] en een vordering had ingesteld. Het was [bouwbedrijf oud] Oud op dat moment duidelijk dat [appellant] een vordering in reconventie zou instellen. Het frustreren van verhaalsmogelijkheden van [appellanten c.s.] was een belangrijke reden voor de bedrijfsoverdracht; [geintimeerde 3] heeft dit ook bevestigd in het kort geding dat is gevoerd over de opheffing van beslagen die [appellanten c.s.] (per abuis) onder [bouwbedrijf nieuw] Nieuw had gelegd.

6.4.4.

Ten tijde van de oprichting van [bouwbedrijf nieuw] Nieuw werden er nog volop activiteiten uitgeoefend in [bouwbedrijf oud] Oud. Als de desbetreffende opdrachten gewoon waren uitgevoerd door [bouwbedrijf oud] Oud, had [bouwbedrijf oud] Oud deze inkomsten kunnen aanwenden om daaruit [appellanten c.s.] te voldoen of had [appellanten c.s.] zich daarop kunnen verhalen. Door het handelen van [geintimeerden c.s.] zijn de desbetreffende facturen echter betaald aan [bouwbedrijf nieuw] Nieuw en kan [appellanten c.s.] zijn vordering niet incasseren. Er is door [bouwbedrijf oud] Oud ook geen voorziening getroffen om de vordering van [appellanten c.s.] te kunnen voldoen.

6.4.5.

Door aldus te handelen heeft [geintimeerden c.s.] misbruik gemaakt van het identiteitsverschil tussen [bouwbedrijf oud] Oud en [bouwbedrijf nieuw] Nieuw en daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [appellanten c.s.] Bovendien hebben [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] bewerkstelligd of toegelaten dat [bouwbedrijf oud] Oud haar verplichtingen jegens [appellanten c.s.] niet nakomt en geen verhaal biedt voor de vordering van [appellanten c.s.] Als (indirect) bestuurders van [bouwbedrijf oud] Oud valt hen terzake een ernstig verwijt te maken. Zij hebben daarmee onrechtmatig gehandeld jegens [appellanten c.s.] [bouwbedrijf nieuw] Nieuw heeft daarbij eveneens onrechtmatig gehandeld door mee te werken aan deze wijze van onttrekking van verhaalsmogelijkheden van [bouwbedrijf oud] Oud, waaronder het overnemen van de handelsnaam en activa zonder daarvoor een reële tegenprestatie te leveren.

6.4.6.

De als gevolg van het onrechtmatig handelen geleden schade bestaat uit het deel van de vordering van [appellanten c.s.] dat hij niet heeft kunnen incasseren bij [bouwbedrijf oud] Oud terwijl hij dit wel had kunnen incasseren als de onderneming van [bouwbedrijf oud] Oud niet was overgeheveld naar [bouwbedrijf nieuw] Nieuw, aldus steeds [appellanten c.s.]

6.5.

[geintimeerden c.s.] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten c.s.] , door misbruik te maken van identiteitsverschil tussen de betrokken vennootschappen of anderszins, en voert daartoe het volgende aan.

6.5.1.

Ten tijde van de geleidelijke beëindiging van de ondernemingsactiviteiten binnen [bouwbedrijf oud] Oud en de oprichting van [bouwbedrijf nieuw] Nieuw op 24 augustus 2011 was het geschil tussen [bouwbedrijf oud] Oud en [appellanten c.s.] volledig geëscaleerd. [appellanten c.s.] was furieus over de eenzijdige ontbinding van de aannemingsovereenkomst door [bouwbedrijf oud] Oud per 1 juli 2011, over het conservatoire beslag van [bouwbedrijf oud] Oud op de woonboerderij van [appellanten c.s.] per 14 juli 2011 en over de ingestelde vordering van [bouwbedrijf oud] Oud op [appellanten c.s.] van ruim € 200.000,-. [appellant] liet in telefoongesprekken aan [bouwbedrijf oud] Oud weten dat hij geen middel zou schuwen om [bouwbedrijf oud] Oud te beschadigen. [appellanten c.s.] nam contact op met opdrachtgevers en toeleveranciers van [bouwbedrijf oud] Oud met geen ander doel dan de bedrijfsvoering van [bouwbedrijf oud] Oud te schaden. De rancuneuze opstelling van [appellanten c.s.] in combinatie met diens betalingsweigering zou verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de bedrijfsvoering van [bouwbedrijf oud] Oud en zou kunnen leiden tot het faillissement van deze vennootschap. Wanneer [appellanten c.s.] erin zou slagen om de liquiditeitspositie van [bouwbedrijf oud] Oud te bevriezen met conservatoire beslagen (onder meer) onder opdrachtgevers, waarvoor in Nederland betrekkelijk eenvoudig verlof kan worden gekregen, had hij de onderneming van [bouwbedrijf oud] Oud kunnen droogleggen. Om het risico voor [bouwbedrijf oud] Oud te verkleinen en rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van alle opdrachtgevers, toeleveranciers en onderaannemers van [bouwbedrijf oud] Oud heeft [beheer (200.232.622_01)] Beheer in overleg met haar toenmalige advocaat besloten nieuwe opdrachten aan te nemen binnen een nieuw op te richten vennootschap. In het verlengde daarvan is besloten om de ondernemingsactiviteiten van [bouwbedrijf oud] Oud geleidelijk te beëindigen en de handelsnaam vrij te geven, waarna [bouwbedrijf nieuw] Nieuw binnen de groep onder de naam Bouwbedrijf [bouwbedrijf] vergelijkbare activiteiten is gaan verrichten. Bestaande opdrachten zijn vanaf 24 augustus 2011 afgerond binnen [bouwbedrijf oud] Oud, nieuwe opdrachten zijn aangenomen binnen [bouwbedrijf nieuw] Nieuw.

6.5.2.

[geintimeerden c.s.] betwist dat de onderneming van [bouwbedrijf oud] Oud is overgedragen of overgeheveld naar [bouwbedrijf nieuw] Nieuw. Als gevolg van de naamswijziging van [bouwbedrijf oud] Oud is de handelsnaam “Bouwbedrijf [bouwbedrijf] B.V.” vrijgevallen, waarna deze kon worden gebruikt door [bouwbedrijf nieuw] Nieuw. Er zijn geen (aannemings)overeenkomsten, vorderingen of andere activa door [bouwbedrijf oud] Oud overgedragen aan [bouwbedrijf nieuw] Nieuw. Uitsluitend overeenkomsten voor nieuwe opdrachten zijn na 24 augustus 2011 aangegaan met [bouwbedrijf nieuw] Nieuw. Slechts in een beperkt aantal gevallen betrof het een nieuwe opdracht van opdrachtgevers voor wie [bouwbedrijf oud] Oud in het verleden werkzaamheden had verricht. [bouwbedrijf oud] Oud had niet of nauwelijks voorraden, zodat er niets wezenlijks was om over te dragen aan [bouwbedrijf nieuw] Nieuw of aan een derde. Materialen worden door de vennootschappen van de groep namelijk per opdracht ingekocht en verbruikt. De voorraden die op 24 augustus 2011 aanwezig waren bij [bouwbedrijf oud] Oud heeft zij nadien behouden althans gebruikt voor uitvoering van projecten. Teneinde de continuïteit van de activiteiten te kunnen waarborgen, zijn de machines en overige gereedschappen niet ingebracht in de werkmaatschappijen van de groep maar in [beheer (200.232.622_01)] Beheer die ze verhuurt aan de werkmaatschappijen. Het personeel wordt ingehuurd via een payrollorganisatie, welke kosten zelfstandig door de werkmaatschappijen worden gedragen. Alle vennootschappen van de groep zijn gevestigd op hetzelfde adres van hun indirect bestuurder en maken gebruik van dezelfde telefoon- en faxnummers.

6.5.3.

[geintimeerden c.s.] betwist verder dat de nieuwe opdrachten vanaf 24 augustus 2011 zouden zijn verleend aan [bouwbedrijf oud] Oud als niet zou zijn besloten om de activiteiten van die vennootschap te beëindigen. De betalingsonwil van [appellanten c.s.] had een grote invloed op de liquiditeitspositie van [bouwbedrijf oud] Oud. [appellanten c.s.] voerde daarnaast een lastercampagne die tot gevolg had dat potentiële opdrachtgevers en toeleveranciers niet stonden te springen om verplichtingen aan te gaan met [bouwbedrijf oud] Oud. [bouwbedrijf oud] Oud beschikt nog steeds over de beperkte activa waarover zij ook beschikte voor de beëindiging van de ondernemingsactiviteiten.

6.5.4.

Bij de beslissing om de onderneming van [bouwbedrijf oud] Oud te staken heeft [geintimeerden c.s.] niet het oogmerk gehad om [appellanten c.s.] te benadelen door het verijdelen van verhaal. Dergelijk verhaal was ook niet aan de orde. De vordering van [bouwbedrijf oud] Oud van ruim € 200.000,- was op dat moment groter dan de vordering van [appellanten c.s.] waarmee [geintimeerden c.s.] bekend was van ruim € 28.000. Ten tijde van de oprichting van [bouwbedrijf nieuw] Nieuw was [geintimeerden c.s.] ervan overtuigd dat de vordering van [appellanten c.s.] geen kans van slagen zou hebben, althans dat die vordering na verrekening hooguit zou resulteren in een lager door [bouwbedrijf oud] Oud van [appellanten c.s.] te ontvangen bedrag. Er hoefde daarom ook geen voorziening te worden getroffen. [geintimeerden c.s.] hoefde redelijkerwijs geen rekening te houden met een uiteindelijke uitkomst van de arbitrageprocedure waarbij zij per saldo een bedrag aan [appellanten c.s.] zou moeten betalen. Uit het vonnis van de Raad van Arbitrage van 18 oktober 2016 volgt (overigens) dat [appellanten c.s.] per saldo € 13.606,73 met rente moet voldoen aan [bouwbedrijf oud] Oud, zodat [bouwbedrijf oud] Oud ten tijde van de oprichting van [bouwbedrijf nieuw] Nieuw per saldo een vordering had op [appellanten c.s.] en niet andersom. [beheer (200.232.622_01)] Beheer kan dan ook geen ernstig persoonlijke verwijt worden gemaakt als bestuurder van [bouwbedrijf oud] Oud.

6.5.5.

Ten slotte betwist [geintimeerden c.s.] dat [appellanten c.s.] schade heeft geleden als gevolg van het beweerde onrechtmatig handelen. [bouwbedrijf oud] Oud is nog altijd in staat om een eventuele vordering van [appellanten c.s.] te voldoen. [bouwbedrijf oud] Oud beschikt nog altijd over de activa waarover zij beschikte vóór de beëindiging van de ondernemingsactiviteiten, aldus steeds [geintimeerden c.s.]

6.6.

Het hof is van oordeel dat [geintimeerden c.s.] aansprakelijk is jegens [appellanten c.s.] op de daartoe door [appellanten c.s.] gestelde gronden en overweegt daartoe als volgt.

6.6.1.

Uit de stellingen van [geintimeerden c.s.] volgt dat is besloten om de onderneming van [bouwbedrijf oud] Oud te beëindigen en deze voort te zetten in de nieuwe vennootschap [bouwbedrijf nieuw] Nieuw vanwege de vrees dat [appellanten c.s.] door het leggen van conservatoire beslagen de liquiditeitspositie en daarmee het voortbestaan van de onderneming van [bouwbedrijf oud] Oud in gevaar zou brengen. De handelingen die [geintimeerden c.s.] vervolgens hebben verricht, hebben ook daadwerkelijk ertoe geleid dat de onderneming die voorheen werd gedreven door [bouwbedrijf oud] Oud na de oprichting van [bouwbedrijf nieuw] Nieuw door [bouwbedrijf nieuw] Nieuw werd gedreven. Het is niet van belang of daarbij sprake is geweest van een overdracht in juridische zin van overeenkomsten, vorderingen of andere activa van de onderneming. Van belang is dat inkomsten die voorheen door [bouwbedrijf oud] Oud werden genoten nadien door [bouwbedrijf nieuw] Nieuw werden genoten. Uit deze inkomsten uit de aannemingsopdrachten voldeed [bouwbedrijf oud] Oud haar crediteuren en, uitgaande van de stellingen van [geintimeerden c.s.] dat [bouwbedrijf oud] Oud niet of nauwelijks activa had om de onderneming mee te drijven, waren het dus voornamelijk deze inkomsten die de verhaalsmogelijkheden van crediteuren bepaalden. Door deze activiteiten in [bouwbedrijf oud] Oud te beëindigen en voort te zetten in [bouwbedrijf nieuw] Nieuw, en daarbij - zoals [geintimeerden c.s.] stelt - de beschikbare liquide middelen in [bouwbedrijf oud] Oud aan te wenden om alle crediteuren van [bouwbedrijf oud] Oud te voldoen behalve [appellanten c.s.] , was verhaal op [bouwbedrijf oud] Oud voor een vordering van [appellanten c.s.] in beginsel niet meer mogelijk.

6.6.2.

Het hof volgt [geintimeerden c.s.] niet in zijn stelling dat hij niet het oogmerk heeft gehad om de verhaalsmogelijkheden van [appellanten c.s.] te beperken. [geintimeerden c.s.] stelt zelf dat het doel van de hele operatie was om te voorkomen dat [appellanten c.s.] met succes conservatoir beslag zou (kunnen) leggen ten laste van [bouwbedrijf oud] Oud. Daaruit volgt reeds dat [geintimeerden c.s.] , anders dan hij stelt, wel degelijk rekening ernstig hield met een serieuze vordering van [appellanten c.s.] Als het voor [geintimeerden c.s.] evident was geweest dat [appellanten c.s.] per saldo geen vordering op hem had, dan valt de vrees van [geintimeerden c.s.] voor een eventueel conservatoir beslag niet goed te begrijpen. Een dergelijk beslag had op vordering van [geintimeerden c.s.] in kort geding immers snel weer kunnen worden opgeheven, mits het inderdaad was gelegd voor een niet bestaande of al te zwakke vordering van [appellanten c.s.] , of voor zover het beslag gelet op de hoogte van een eventuele potentiële vordering van [appellanten c.s.] disproportioneel was.

6.6.3.

Het hof is daarom van oordeel dat [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] met het doen eindigen van de ondernemingsactiviteiten van [bouwbedrijf oud] Oud en het doen voortzetten van dezelfde activiteiten door [bouwbedrijf nieuw] Nieuw, geen ander oogmerk had dan [appellanten c.s.] als crediteur te benadelen, en wel door het verijdelen van verhaal van [appellanten c.s.] op het vermogen van [bouwbedrijf oud] Oud. Een dergelijke op benadeling van [appellanten c.s.] gerichte handelwijze is onrechtmatig jegens [appellanten c.s.] en verplicht [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] dan ook tot vergoeding van de schade welke [appellanten c.s.] als gevolg daarvan lijdt. Deze verplichting tot schadevergoeding rust niet alleen op [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] als de personen die met gebruikmaking van hun zeggenschap de betrokken rechtspersonen tot medewerking aan dat onrechtmatig handelen hebben gebracht, maar ook op deze rechtspersonen zelf waaronder [bouwbedrijf nieuw] Nieuw, omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf (Hoge Raad 13 oktober 2000 (Rainbow/Ontvanger), ECLI:NL:HR:2000:AA7480). [geintimeerden c.s.] zijn dus hoofdelijk aansprakelijk jegens [appellanten c.s.] voor de schade die [appellanten c.s.] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden. Het hof komt niet toe aan een beoordeling over de gestelde aansprakelijkheid op grond van vereenzelviging, nu [appellanten c.s.] daar geen belang bij hebben.

6.6.4.

Het hof is bovendien op grond van het voorgaande van oordeel dat [beheer (200.232.622_01)] Beheer heeft bewerkstelligd of toegelaten dat [bouwbedrijf oud] Oud haar verplichtingen jegens [appellanten c.s.] niet nakomt, en dat [beheer (200.232.622_01)] Beheer wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze tot gevolg zou hebben dat [bouwbedrijf oud] Oud haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade, zodat [beheer (200.232.622_01)] Beheer terzake de benadeling een ernstig persoonlijk verwijt valt te maken (Hoge Raad 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen), ECLI:NL:HR:2006:AZ0758). Op grond van artikel 6:162 BW is [beheer (200.232.622_01)] Beheer daarom jegens [appellanten c.s.] ook op die grond aansprakelijk voor de daardoor geleden schade, terwijl [appellant 2 (200.232.622_01)] tevens op grond van artikel 2:11 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de geleden schade.

6.6.5.

Over deze schade overweegt het hof als volgt.

Inmiddels staat vast dat [appellanten c.s.] per saldo een vordering heeft op [bouwbedrijf oud] Oud. Partijen zijn immers bij de Depotovereenkomst overeengekomen dat [appellanten c.s.] per saldo een vordering heeft op [bouwbedrijf oud] Oud van € 418,27 (€ 26.506,72 minus € 26.088,45). Waar [geintimeerden c.s.] betoogt dat [bouwbedrijf oud] Oud per saldo een vordering heeft op [appellanten c.s.] laten zij ten onrechte de verschuldigde bedragen aan wettelijke rente en (proces)kosten buiten beschouwing. Voor zover [geintimeerden c.s.] betoogt dat [appellanten c.s.] per saldo geen vordering op [bouwbedrijf oud] Oud heeft omdat artikel 2.2. van de Depotovereenkomst voorziet in verrekening van alle vorderingen tussen partijen, dus niet alleen die van [bouwbedrijf oud] Oud maar ook die van [geintimeerden c.s.] , gaat [geintimeerden c.s.] er ten onrechte aan voorbij dat die verrekening mede ziet op de vorderingen in de onderhavige procedures.

6.6.6.

De vraag is nu of en in hoeverre [appellanten c.s.] als gevolg van het handelen van [geintimeerden c.s.] is benadeeld in zijn mogelijkheden tot verhaal van zijn vordering van € 418,27 op [bouwbedrijf oud] Oud.

6.6.7.

[appellanten c.s.] heeft gesteld dat hij na daartoe verkregen verlof van 24 oktober 2011 conservatoir beslag heeft gelegd althans heeft geprobeerd te leggen ten laste van [bouwbedrijf oud] Oud op roerende zaken, onder opdrachtgevers en onder de bank van [bouwbedrijf oud] Oud, ABN Amro N.V. De beslagen troffen geen doel. De derde-beslagenen verklaarden een rechtsverhouding te hebben met [bouwbedrijf nieuw] Nieuw en niet met [bouwbedrijf oud] Oud.

6.6.8.

[geintimeerden c.s.] heeft aangevoerd dat [bouwbedrijf oud] Oud in staat is de vordering van [appellanten c.s.] zelfstandig te voldoen en dat [appellanten c.s.] zijn vordering kan verhalen op de vaste materiële activa van [bouwbedrijf oud] Oud, waarbij [geintimeerden c.s.] heeft verwezen naar de jaarrekeningen van [bouwbedrijf oud] Oud van 2010 en 2013.

6.6.9.

Het hof overweegt dat [geintimeerden c.s.] niet heeft betwist dat [appellanten c.s.] tevergeefs heeft geprobeerd beslag te leggen op roerende zaken en onder de (voormalige) bank van [bouwbedrijf oud] Oud. Verder staat al sinds het vonnis van de Raad van Arbitrage van 18 oktober 2016 vast dat [appellanten c.s.] per saldo een vordering heeft op [bouwbedrijf oud] Oud, terwijl heeft [bouwbedrijf oud] Oud niets heeft betaald aan [appellanten c.s.] Gelet op deze omstandigheden, en gelet op het feit dat [geintimeerden c.s.] met het overhevelen van de onderneming tot doel had de verhaalsmogelijkheden van [appellanten c.s.] voor een dergelijke vordering te beperken, lag het op de weg van [geintimeerden c.s.] om de betwisting dat [appellanten c.s.] geen verhaal kan nemen op [bouwbedrijf oud] Oud concreter te onderbouwen. Uit de oude jaarrekeningen waarnaar [geintimeerden c.s.] verwijst blijkt immers niet dat [bouwbedrijf oud] Oud daadwerkelijk activa heeft die na liquidatie voldoende zijn om de vordering van [appellanten c.s.] mee te voldoen. Uit de jaarrekening van 2013 (productie 17 bij conclusie van antwoord) volgt overigens dat destijds de materiële activa – waaruit [appellanten c.s.] zich volgens [geintimeerden c.s.] zou moeten voldoen – bestonden uit machines en installaties, terwijl [geintimeerden c.s.] tegelijkertijd stellen dat [bouwbedrijf oud] Oud deze activa slechts huurt van [beheer (200.232.622_01)] Beheer. Bovendien zijn de materiële activa gewaardeerd op € 3.779,-. Of en in hoeverre deze activa ook na liquidatie nog voldoende waarde zouden vertegenwoordigen waarmee de vordering van [appellanten c.s.] - inclusief de (proces)kosten die hij zou moeten maken om zich te kunnen verhalen op deze activa - zou kunnen worden voldaan, heeft [geintimeerden c.s.] niet althans onvoldoende gesteld. Dat de financiële positie van [bouwbedrijf oud] Oud sindsdien in positieve zin is gewijzigd, heeft [geintimeerden c.s.] evenmin gesteld. Gelet op het voorgaande heeft [geintimeerden c.s.] onvoldoende gemotiveerd betwist dat [bouwbedrijf oud] Oud geen verhaal biedt voor de vordering van [appellanten c.s.] , zodat het hof daarvan uitgaat.

6.6.10.

Voor zover [geintimeerden c.s.] het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de geleden schade heeft betwist met haar betoog dat ook als niet zou zijn besloten tot overheveling van de onderneming nieuwe opdrachten na 24 augustus 2011 niet meer terecht zouden zijn gekomen bij [bouwbedrijf oud] Oud vanwege de gestelde lastercampagne van [appellanten c.s.] volgt het hof [geintimeerden c.s.] niet in dit verweer. Het aantrekken van nieuwe opdrachten door [bouwbedrijf nieuw] Nieuw is immers geen probleem gebleken, ondanks dat deze onderneming in dezelfde mate aan de persoon van [geintimeerde 3] was verbonden als [bouwbedrijf oud] Oud, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de gestelde lastercampagne niet tot gevolg zou hebben gehad dat [bouwbedrijf oud] Oud geen opdrachten meer zou hebben gekregen.

6.6.11.

Het hof concludeert daarom dat de schade die [appellanten c.s.] heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen € 418,27 bedraagt. De vordering tot veroordeling van [geintimeerden c.s.] tot betaling van de schade is in zoverre toewijsbaar. Dit bedrag omvat reeds de verschuldigde rente, gelet op Bijlage 1 bij de Depotovereenkomst. Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 van de Depotovereenkomst is verdere wettelijke rente niet verschuldigd.

6.6.12.

[appellanten c.s.] heeft voorts gesteld vermogensschade te lijden in de vorm van kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. [geintimeerden c.s.] heeft dit betwist en aangevoerd dat slechts sprake is van verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden.

Het hof is van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de buitengerechtelijke werkzaamheden aan de zijde van [appellanten c.s.] niet slechts hebben bestaan uit de gebruikelijke voorbereiding van het dossier en het (herhaald) sturen van sommaties, maar ook betrekking hebben gehad op substantiële werkzaamheden ter bevordering van het bereiken van een oplossing buiten rechte. De kosten daarvoor zijn in redelijkheid gemaakt en het hof begroot de redelijke omvang van die kosten conform het Rapport Voor-werk II op 15% van de hoofdsom van € 418,27 = € 62,47, te vermeerderen met btw.

6.6.13.

[appellanten c.s.] heeft niet althans onvoldoende gesteld dat daarnaast nog andere schade is geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geintimeerden c.s.] , zodat de gevorderde veroordelingen tot vergoeding van schade in zoverre niet toewijsbaar zijn. De gevorderde verklaringen voor recht zijn evenmin toewijsbaar bij gebrek aan belang, aangezien [appellanten c.s.] niet althans onvoldoende heeft gesteld dat hij daarbij een ander belang heeft dan toewijzing van het bedrag van € 418,27 aan schadevergoeding en de vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 62,47 te vermeerderen met btw. Deze bedragen zijn toewijsbaar. Voor het overige is de vordering van [appellanten c.s.] onvoldoende onderbouwd.

Beslaglegging door [appellanten c.s.]

6.7.1.

Tegen de opheffing van de gelegde conservatoire beslagen van 10 december 2014, uitgesproken bij het vonnis van 23 maart 2016, heeft [appellanten c.s.] grief 4 van zijn hoger beroep gericht. Deze beslagen zijn opgeheven omdat de daaraan ten grondslag liggende vordering werd afgewezen. Grief 4 slaagt omdat, zoals uit het voorgaande volgt, de vordering die aan deze beslagen ten grondslag lag, alsnog (deels) wordt toegewezen. Gelet op het feit dat partijen inmiddels bij de Depotovereenkomst hebben afgesproken geen nieuwe beslagen te zullen leggen, heeft [appellanten c.s.] geen belang meer bij vernietiging van het vonnis voor zover het de opheffing van de beslagen betreft, omdat hij geen belang meer heeft bij het alsnog afwijzen van de vordering tot opheffing. Het vonnis, voor zover in reconventie gewezen, zal dus slechts worden vernietigd voor zover [appellanten c.s.] in de proceskosten inclusief nakosten van de reconventie is veroordeeld.

6.7.2.

Giezen vordert veroordeling van [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] in de beslagkosten van de desbetreffende beslagen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden ten aanzien van [beheer (200.232.622_01)] Beheer begroot op € 1.581,74 en ten aanzien van [appellant 2 (200.232.622_01)] op € 1.069,57.

6.7.3.

De grieven van [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] tegen het vonnis van 15 november 2017 veronderstellen dat de op 10 december 2014 ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen ten onrechte zijn gelegd, dat wil zeggen dat deze beslagen zijn gelegd voor een vordering die [appellanten c.s.] niet toekomt. Die veronderstelling is onjuist. Uit het voorgaande volgt dat [appellanten c.s.] een vordering hebben op [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] , terwijl de beslagen van 10 december 2014 zijn gelegd tot zekerheid van deze vordering. Dit betekent dat de door [appellanten c.s.] gelegde beslagen niet onrechtmatig zijn, behoudens misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW. Dat is door [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] echter niet gesteld. Daarmee falen de grieven 1 en 2 van het hoger beroep van [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] .

Conclusie en proceskosten

6.8.1.

In de procedure met zaaknummer 200.194.926/02 volgt uit het voorgaande dat grieven 1 tot en met 4 tegen het vonnis van 23 maart 2016 slagen. Dit leidt tot vernietiging van het vonnis gewezen in conventie en gedeeltelijke vernietiging van het vonnis gewezen in reconventie. Grief 5 van het hoger beroep van [appellanten c.s.] mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen behandeling. De vorderingen van [appellanten c.s.] tot betaling van een bedrag van € 418,27 aan hoofdsom inclusief wettelijke rente en een bedrag van € 62,47 te vermeerderen met btw aan buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen.

6.8.2.

[geintimeerden c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [appellanten c.s.] in beide instanties, met uitzondering van de kosten van het incident in hoger beroep. In dit incident is de vordering van [appellanten c.s.] afgewezen, zodat [appellanten c.s.] zal worden veroordeeld in de kosten van het incident.

6.8.3.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg, in conventie, aan de zijde van [appellanten c.s.] worden begroot op:

– explootkosten € 93,80

– griffierecht € 1.533,-

– salaris advocaat (2 punten x tarief V € 1.421) € 2.842,-

totaal € 4.468,80.

6.8.4.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg, in reconventie, aan de zijde van [appellanten c.s.] worden begroot op:

– salaris advocaat (2 punten x 0,5 x tarief II € 452,-) € 452,-

totaal € 452,-.

6.8.5.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten c.s.] worden begroot op:

– griffierecht € 1.631,-

– salaris advocaat (3 punten x tarief I € 759,-) € 2.277,-

totaal € 3.908,-

6.8.6.

De kosten voor de procedure in het incident in hoger beroep aan de zijde van [geintimeerden c.s.] worden begroot op:

– salaris advocaat (1 punt x tarief I € 759,-) € 759,-

totaal € 759,-.

6.9.1.

In de procedure met zaaknummer 200.232.622/01 volgt uit het voorgaande dat, aangezien de grieven tegen het vonnis van 15 november 2017 gewezen in conventie falen, dit vonnis zal worden bekrachtigd voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen.

6.9.2.

[beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [appellanten c.s.] in het hoger beroep. Deze kosten worden begroot op:

– griffierecht € 726,-

– salaris advocaat (3 punten x tarief IV € 1.959,-) € 5.877,-

totaal € 6.603,-.

6.10.

De door [appellanten c.s.] gevorderde nakosten zullen voor beide zaken samen eenmaal worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald. De door [appellanten c.s.] gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en nakosten zullen ook worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

7 De uitspraak

Het hof:

in de procedure met zaaknummer 200.194.926/02:

vernietigt het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/289523/HA ZA 15-105 gewezen vonnis van 23 maart 2016 voor zover daarbij, in conventie, de vorderingen van [appellanten c.s.] zijn afgewezen en [appellanten c.s.] in de proceskosten en nakosten is veroordeeld en, in reconventie, voor zover [appellanten c.s.] in de proceskosten en nakosten is veroordeeld;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geintimeerden c.s.] tot betaling aan [appellanten c.s.] van een bedrag van € 418,27 en een bedrag van € 62,47, te vermeerderen met btw, aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [beheer] Beheer tot betaling aan [appellanten c.s.] van een bedrag van € 1.581,74 aan beslagkosten;

veroordeelt [geintimeerde 3] tot betaling aan [appellanten c.s.] van een bedrag van € 1.069,57 aan beslagkosten;

veroordeelt [geintimeerden c.s.] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep met uitzondering van de procedure in het incident in hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellanten c.s.] op € 4.920,80 in eerste aanleg en op € 3.908,- in hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat de bedragen van de proceskosten en nakosten binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de proceskosten van de procedure in het incident in hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geintimeerden c.s.] op € 759,-;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in de procedure met zaaknummer 200.232.622/01:

bekrachtigt het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/312977/HA ZA 16-629 gewezen vonnis van 15 november 2017 voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [beheer (200.232.622_01)] Beheer en [appellant 2 (200.232.622_01)] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellanten c.s.] op € 6.603,-, en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders in hoger beroep gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Beurskens, S.C.H. Molin en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 maart 2020.

griffier rolraadsheer