Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:791

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
11-05-2020
Zaaknummer
20-002884-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002884-17

Uitspraak : 21 februari 2020

TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 18 september 2017, in de strafzaak met parketnummer 01-082919-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 01-119700-15, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort weergegeven – diefstal in vereniging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen. Voorts heeft de politierechter de gehele tenuitvoerlegging gelast van de de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-119700-15, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen. Voorts heeft de advocaat-generaal verzocht om toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-119700-15.

Door de verdediging is primair vrijspraak bepleit en is subsidiair in voorwaardelijke zin verzocht om een getuige te horen. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 01-119700-15 af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 3 november 2016 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen levensmiddelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Albert Heijn (gelegen aan de Leenderweg 56), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 3 november 2016 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen levensmiddelen, geheel toebehorende aan de Albert Heijn (gelegen aan de Leenderweg 56).

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde winkeldiefstal. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte weliswaar samen met de medeverdachten op 3 november 2016 in de Albert Heijn in Eindhoven is geweest, maar dat zij niets te maken heeft gehad met de winkeldiefstal. De verdachte zou op het moment dat zij wist dat de medeverdachten een winkeldiefstal wilden plegen, zich hiervan hebben gedistantieerd en haar eigen boodschappen hebben afgerekend.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft ter terechtzitting van 7 februari 2020 – samen met de advocaat-generaal en de raadsvrouw – de camerabeelden bekeken die op 3 november 2016 in de Albert Heijn in Eindhoven zijn gemaakt. Het hof heeft daarop waargenomen dat de verdachte op enig moment samen met twee anderen voor een schap in de Albert Heijn staat. Voorts heeft het hof waargenomen dat persoon 1 een zwarte tas in haar handen vasthoudt, dat persoon 2 het winkelmandje in haar handen vasthoudt en dat de verdachte vervolgens goederen uit het winkelmandje pakt en deze in de zwarte tas doet. Vervolgens pakt de verdachte het winkelmandje van persoon 2 en loopt weg. Kort daarna is te zien dat persoon 1 en de verdachte in een auto stappen en dat vervolgens de auto wegrijdt.

Het hof is van oordeel dat het tot vrijspraak strekkende verweer in zijn eigen waarneming van de camerabeelden zijn weerlegging vindt. Het hof acht de stelling van de verdediging dat de verdachte zich zou hebben gedistantieerd van de winkeldiefstal niet aannemelijk, nu het de verdachte zelf is geweest die de goederen uit het winkelmandje heeft gepakt en in de zwarte tas heeft gedaan. Naar het oordeel van het hof dienen deze gedragingen van de verdachte en de medeverdachten, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm immers te worden aangemerkt als een wegnemingshandeling met het oogmerk om de goederen toe te eigenen. Het hof is derhalve van oordeel, gelet op de bewijsmiddelen – in het bijzonder de eigen waarneming van het hof – dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Verzoek tot het horen van een getuige

Door de raadsvrouw is ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om, indien het hof bij de beraadslaging tot het oordeel zou komen dat de verdachte niet dient te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde, medeverdachte [getuige] als getuige te horen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof acht zich in de onderhavige zaak, gelet op het verhandelde ter terechtzitting en diens waarneming van hetgeen op de camerabeelden te zien is, voldoende ingelicht. Mede gelet hierop en de omstandigheid dat het horen van de getuige niet toe- of af doet aan de eigen waarneming van het hof, acht het hof het voor zijn oordeelsvorming in deze zaak niet noodzakelijk om [getuige] als getuige te horen. Het hof wijst het verzoek af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Zij heeft er op die manier blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van het gedupeerde winkelbedrijf. Winkeldiefstal is een zeer ergerlijk feit, dat naast schade vaak veel hinder veroorzaakt voor het gedupeerde bedrijf. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat zij blijkens het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 december 2019, eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, hetgeen haar er kennelijk niet van heeft kunnen weerhouden om opnieuw dergelijke feiten te begaan.

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om een taakstraf op te leggen en is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof ziet, mede gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en het samenwerkingsverband, reden om de verdachte een hogere straf op te leggen dan door de politierechter is opgelegd, en is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden is.

Redelijke termijn

Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder mee toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is immers op 19 september 2017 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 21 februari 2020 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met circa 5 maanden overschreden, terwijl dit geheel niet aan de verdachte valt toe te rekenen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie in het arrondissementsparket Oost-Brabant heeft bij vordering van 7 mei 2017, de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen met een proeftijd van 2 jaren, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 26 augustus 2015, in de strafzaak met parketnummer 01-119700-15. Deze vordering is opnieuw aan de orde.

De politierechter heeft de gehele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf gelast.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of verdachte, met de inwerkingtreding van de Wet USB per 1 januari 2020, nog kan worden ontvangen in het ingestelde hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging.

Artikel 6:6:7 van het Wetboek van Strafvordering, dat bij Wet USB op 1 januari 2020 inwerking is getreden, bepaalt dat een beslissing op de vordering tenuitvoerlegging wegens schending van de algemene voorwaarde, niet aan enig rechtsmiddel is onderworpen. De Wet USB kent ter zake deze wijziging geen overgangsbepalingen. Het betreft hier de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en dus procesrechtelijke aspecten. Nieuwe regels van strafprocesrechtelijke aard vinden na inwerkingtreding van de nieuwe wet onmiddellijk toepassing.

Het per 1 januari 2020 in werking getreden artikel 6:6:7 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de daarin bedoelde beslissing “niet aan enig rechtsmiddel is onderworpen”. Volgens deze bepaling staat tegen een door de eerste rechter gegeven beslissing op de vordering tenuitvoerlegging wegens schending van de algemene voorwaarde dus geen hoger beroep open, zodat deze bepaling de ontvankelijkheid van een dergelijk hoger beroep raakt. Naar het oordeel van het hof zou een onmiddellijke toepassing van deze bepaling per 1 januari 2020 tot willekeurige uitkomsten leiden met mogelijk voor de verdachte nadelige gevolgen, nu het al of niet in hoger beroep aan de orde zijn van een in eerste aanleg gegeven beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging alsdan afhankelijk wordt gemaakt van de datum waarop de zaak in hoger beroep is aangebracht. In zaken die voor 1 januari 2020 zijn aangebracht is dan een dergelijke beslissing nog wel aan de orde, in zaken van na 1 januari 2020 niet.

Gelet op het vorenoverwogene is naar het oordeel van het hof voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep voor zover dit ook de in eerste aanleg gegeven beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging wegens schending van een algemene voorwaarde betreft, bepalend de datum waarop tegen het vonnis van de eerste rechter hoger beroep is ingesteld. Dat betekent dat de datum op de akte rechtsmiddel waarmee hoger beroep is ingesteld doorslaggevend is.

Nu in deze zaak door de verdachte bij akte van 19 september 2017 hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg en dat onder vigeur van de toen nog geldige regelgeving een beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wegens overtreding van de algemene voorwaarde niet van de hoofdzaak kon worden uitgezonderd en waartegen hoger beroep nog “open stond”, moet verdachte in zijn hoger beroep worden ontvangen ook wat betreft de beslissing van de eerste rechter op de aangebrachte vordering tot tenuitvoerlegging.

Beslissing van het hof op de vordering tot tenuitvoerlegging

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde geen aanleiding om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, en is van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikelen 14g en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [getuige] .

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 26 augustus 2015, parketnummer 01-119700-15, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. P.J.D.J. Muijen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C. Schenker, griffier,

en op 21 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. P.J.D.J. Muijen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.