Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:774

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
200.252.117_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:2851
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenlevers, onrechtmatige onttrekkingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team personen- en familierecht

zaaknummer 200.252.117/01

arrest van 3 maart 2020

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel te Roosendaal,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. M.M.M. Heesmans te Roosendaal,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 december 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/346327/HA ZA 18-412 gewezen vonnis van 12 december 2018.

5 Het verloop van de procedure

5.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 17 december 2019 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de brief van mr. van den Heuvel met akte tot vermeerdering van eis en de producties 2 tot en met 7;

  • -

    de brief van mr. Heesmans van 9 januari 2020;

  • -

    het faxbericht van mr. Van den Heuvel van 16 januari 2020;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

5.2.

Uit voornoemde brief van mr. Heesmans d.d. 9 januari 2020, alsook uit de door haar ter zitting gegeven nadere toelichting , blijkt dat zij van mening is dat de door mr. Van den Heuvel op 8 januari 2020 ingediende stukken – daaronder begrepen de vermeerdering van eis – buiten beschouwing dienen te blijven wegens strijd met de goede procesorde en strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Voor wat betreft de vermeerdering van eis geldt dat deze niet later mag worden vermeerderd dan in de memorie van grieven, zodat het hof reeds hierom geen acht mag slaan op deze eisvermeerdering.

5.3.

Mr. van den Heuvel heeft in zijn faxbericht d.d. 16 januari 2020, alsook ter zitting, gereageerd op de bezwaren van mr. Heesmans. Mr. van den Heuvel stelt dat de stukken binnen de in het procesreglement genoemde termijn zijn ingediend en dat met de stukken is beoogd om een volledig inzicht te geven in de bij- en afschrijvingen van de rekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2]. Voor wat betreft de vermeerdering van eis, is het bezwaar van mr. Heesmans ongegrond. Het is in het belang van beide partijen dat een nieuwe procedure voorkomen wordt. Dat een vermeerdering van eis uiterlijk dient te geschieden bij memorie van grieven is onjuist, nu zulks kan geschieden zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan.

5.4.

Het hof heeft, na een korte schorsing van het pleidooi, ten aanzien van de door mr. Van den Heuvel op 8 januari 2020 in het geding gebrachte stukken (producties 2 tot en met 7) beslist dat deze zullen worden toegelaten, voor zover deze dienen ter toelichting van de reeds ingenomen stellingen. Daartoe is van belang dat deze zijn ingediend binnen de in het procesreglement voorgeschreven termijn en dat de stukken eenvoudig te doorgronden zijn. Ten aanzien van de vermeerdering van eis overweegt het hof als volgt. De in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijk eiser is gesteld. De man heeft bij akte van 8 januari 2020 zijn eis vermeerderd. Die eisvermeerdering is derhalve niet tijdig geschied, zodat de man in zijn gewijzigde verzoek niet kan worden ontvangen.

5.5.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet, met inachtneming van hetgeen in rov. 5.4. is overwogen, recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  • -

    partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij zijn per september 2008 met elkaar gaan samenwonen;

  • -

    partijen hebben bij notariële akte van 28 september 2014 een samenlevingsovereenkomst (hierna: de samenlevingsovereenkomst) gesloten;

  • -

    de relatie van partijen is medio maart 2018 beëindigd.

6.2.

In de samenlevingsovereenkomst is, onder meer en voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:

“(...)Artikel 3

1. Partijen verlenen elkaar over en weer volmacht voor het verrichten van rechtshandelingen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding, zoals bedoeld in artikel 1:85 Burgerlijk Wetboek

In geval van opzegging van deze overeenkomt eindigt de volmacht per datum van het aangetekend schrijven bedoeld in artikel 7 sub a.

2. Partijen verplichten zich ieder bij helfte en ten laste van hun inkomen, voorzover zij inkomen hebben, bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

Artikel 4

1. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de premies en kosten van verzekeringen die betrekking hebben op aan partijen tezamen toebehoren goederen, de kosten van gezamenlijke vakanties, de huurprijs van de gemeenschappelijk bewoonde woning, de renten en kosten van geldleningen die zijn aangegaan in verband met de aanschaf en het onderhoud van de gemeenschappelijk bewoonde woning en van de gezamenlijke goederen, alsmede de kosten van dagelijks onderhoud van de hiervoor bedoelde woning en goederen. Uit deze regeling kan niet te eniger tijd door één van partijen het bestaan van een huurverhouding worden afgeleid (...)

Artikel 5

De inboedel (in de zin van artikel 3.5 Burgerlijk Wetboek), aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding en auto ‘s en vervoermiddelen, zullen partijen ieder voor de onverdeelde helft toebehoren (...)

Artikel 9

1. Indien de overeenkomst eindigt in onderling overleg, door opzegging of het aangaan van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, zijn partijen verplicht er aan mee te werken:

a. dat ieder in bezit gesteld wordt van zijn of haar privé-goederen;

b. dat aan iedere partij worden toebedeeld en geleverd de goederen die hij/zij

heeft aangebracht;

2. het overig gemeenschappelijk vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld. (...)”

6.3.

In de onderhavige procedure vordert de man in conventie om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen een bedrag van € 97.999,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

6.3.1.

Aan deze vordering heeft de man, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Zowel vóór als ná het sluiten van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen de kosten van de huishouding betaald en kúnnen betalen met hun beider inkomsten uit arbeid respectievelijk uitkering. Partijen stortten ieder een bedrag op de “en/of” rekening t.n.v. mw [de vrouw] en/of hr [de man] ([rekeningnummer 2], hierna: [rekeningnummer 2]). De man heeft gedurende de samenwoning het bestieren van de huishouding en de besteding van de door beide partijen ter beschikking gestelde middelen volledig toevertrouwd aan de vrouw. De man heeft de vrouw daartoe een volmacht gegeven. Behalve de en/of rekening [rekeningnummer 2], had de man ook een eigen betaalrekening ([rekeningnummer 3], hierna: [rekeningnummer 3]), met daaraan gekoppeld een spaarrekening ([spaarrekening], hierna: [spaarrekening]). Ook ten aanzien van deze rekeningen beschikte de vrouw over een volmacht. Na verbreking van de relatie is de man gebleken dat de vrouw in de periode van 2 juni 2014 tot en met 23 februari 2018 een bedrag van ongeveer € 103.600,-- van [spaarrekening] heeft overgeboekt naar [rekeningnummer 3] en vervolgens naar [rekeningnummer 2]. De man weerspreekt dat dit geld door partijen samen is opgemaakt. Met de gezamenlijke inkomsten konden partijen de kosten van de gemeenschappelijke huishouding prima betalen. Aldus heeft de vrouw onrechtmatig beschikt over het spaartegoed op [spaarrekening]. De volmacht die de vrouw had, gold immers voor het beheer van de gelden die nodig waren voor de kosten van de huishouding. Subsidiair is de man van mening dat hij de gelden onverschuldigd aan de huishouding heeft bijgedragen. Zowel in het primaire als in het subsidiaire standpunt is de vrouw gehouden om de door haar aan de spaarrekening van de man onttrokken gelden aan de man te vergoeden.

6.4.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. De vrouw heeft voorts in reconventie gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, binnen vijf dagen na betekening van het vonnis van de rechtbank, dan wel binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen nadere termijn, aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 10.000,--, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag na indiening van de conclusie van antwoord tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van de man in de kosten van die procedure, waaronder begrepen de nakosten.

6.4.1.

De vrouw heeft aan haar vordering in reconventie het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van de samenlevingsovereenkomst van partijen geldt dat de vervoersmiddelen gezamenlijk eigendom zijn van partijen. De waarde van de auto bedraagt volgens de vrouw € 20.000,--, zodat de man aan haar dient te vergoeden een bedrag van € 10.000,--.

6.5.

In het vonnis van 12 december 2018 heeft de rechtbank de vordering in conventie afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank de man veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 9.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dat vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft zowel in conventie als in reconventie het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de kosten van de procedure gecompenseerd, aldus dat iedere partijen de eigen kosten draagt, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

6.6.

De man is bij dagvaarding in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 december 2018. De man heeft zeven grieven aangevoerd. Hij vordert:

  • -

    in conventie, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ook ten aanzien van de kosten, de vrouw te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen € 97.999,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2018 tot en met de dag der algehele voldoening;

  • -

    in reconventie: de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar haar vordering als ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen;

  • -

    in conventie en reconventie: de vrouw te veroordelen in de kosten van beide instanties.

6.7.

De vrouw heeft in conventie en reconventie gevorderd, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het door de man ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren en het vonnis waarvan beroep, zo nodig onder verbetering c.q. aanvulling van gronden, te bekrachtigen;

  • -

    de man te veroordelen in de proceskosten van dit geding.

6.8.

De grieven 1 t/m 6 richten zich tegen de afwijzing door de man van zijn vordering in conventie. Met deze grieven beoogt de man om het geschil in conventie in volle omvang aan het hof voor te leggen. Aldus lenen deze grieven zich voor gezamenlijke bespreking.

6.8.1.

Uit de memorie van grieven en de gegeven toelichting ter zitting, blijkt dat de man de in eerste aanleg gestelde grondslagen van zijn vordering handhaaft. Aldus ligt primair aan het hof de vraag voor of de vrouw, door gelden van de Oranje Spaarrekening ([spaarrekening]) af te halen, de grenzen van de bevoegdheid uit hoofde van de aan haar verleende volmachten heeft overschreden en daarmee onrechtmatig jegens de man heeft gehandeld.

6.8.2.

De man is van mening dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Daarbij handhaaft de man hetgeen hij in eerste aanleg heeft aangevoerd; hij heeft ter zitting, onder meer onder verwijzing naar de op 8 januari 2020 in het geding gebrachte stukken, uitvoerig bepleit waarom zulks naar zijn mening het geval is. Ter zitting heeft de man er onder meer op gewezen dat partijen, tezamen met het gezin van de dochter van de vrouw, op vakantie zijn geweest naar Tenerife, welke vakantie is bekostigd door de man. De schoonzoon van de vrouw, de heer [schoonzoon], heeft hier echter een financiële bijdrage aan geleverd, welke bijdrage op 19 juli 2017 op de en/of rekening [rekeningnummer 2] is bijgeschreven. De man wijst in dit verband op het bijbehorende rekeningafschrift van 19 juli 2017, pagina 14 van 14, volgnr. 7, zoals overgelegd bij de stukken d.d. 8 januari 2020. Vervolgens blijkt uit het rekeningafschrift d.d. 18 augustus 2017, pagina 4 van 9, volgnr. 8, dat de vrouw € 1.000,-- heeft overgeschreven van de en/of rekening [rekeningnummer 2] naar haar eigen rekening, zijnde [rekeningnummer 4] (hierna: [rekeningnummer 4]) t.n.v. [de vrouw]. De aan de vrouw verstrekte volmacht reikt echter niet zover dat zij zichzelf gelden mag toe eigenen.

6.8.3.

De vrouw heeft, kort gezegd, betwist dat zij de grenzen van de volmacht heeft overschreden en dat zij zichzelf gelden heeft toegeëigend. De vrouw stelt dat zij ten behoeve van de gezamenlijke huishouding over de genoemde bankrekeningen beschikte en dat alle door haar overgeboekte bedragen zijn opgegaan aan de kosten van de huishouding dan wel ten goede zijn gekomen aan de man.

6.9.

Het hof stelt voorop dat vaststaat dat de vrouw beschikte over een volmacht ten aanzien van de rekeningen [rekeningnummer 2], [rekeningnummer 3] en [spaarrekening] en dat zij, gelet op deze volmacht(en) mocht beschikken over de gelden op die rekeningen. Echter, mede in het licht van de samenlevingsovereenkomst die partijen zijn aangegaan en hetgeen partijen daarin zijn overeengekomen, moesten partijen er over en weer redelijkerwijs van uitgaan dat deze volmachten zich in de interne verhouding tussen partijen, slechts uitstrekten tot het bestrijden van de kosten van de gezamenlijke huishouding van partijen. Dat de vrouw daar zelf ook van uitging blijkt uit haar eigen stelling dat zij het geld steeds heeft gebruikt voor de kosten van de gezamenlijke huishouding.

Gelet op het voorgaande mocht de vrouw er in de interne verhouding tussen partijen dan ook niet van uit gaan dat deze volmachten óók gebruik mochten worden voor vermogensopbouw ten behoeve van haar zelf en/of haar kind(eren). Voor zover de vrouw het geld hiervoor wel heeft gebruikt is dan ook sprake van een onrechtmatige onttrekking.

6.9.1.

Om te beoordelen of daarvan sprake is, ziet het hof, gelet ook op hetgeen de man naar voren heeft gebracht ter zake de bijschrijving ad € 1.000,-- door de heer [schoonzoon] en de daaropvolgende afschrijving van eenzelfde geldbedrag naar rekening [rekeningnummer 4] t.n.v. de vrouw en gelet op het feit dat uit de in het geding gebrachte rekeningafschriften blijkt dat er diverse keren geldbedragen zijn overgeschreven van de en/of rekening [rekeningnummer 2] naar rekening [rekeningnummer 4] t.n.v. de vrouw, alsook naar rekeningnummer [rekeningnummer 5] (hierna: [rekeningnummer 5]) t.n.v. [dochter], de dochter van de vrouw, aanleiding om inzage te verkrijgen in de het saldoverloop van rekening [rekeningnummer 4] t.n.v. de vrouw over de periode 1 januari 2013 tot 1 april 2018. Tevens dient de vrouw, zo mogelijk met onderliggende bescheiden, uitleg te geven over de overboekingen van rekening [rekeningnummer 2] naar rekening [rekeningnummer 5].

6.10.

In afwachting van de door partijen te nemen akte(n), houdt het hof iedere verdere beslissing aan.

7 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat de vrouw binnen vier weken na heden, derhalve op 31 maart 2020, bij akte inzicht dient te geven in het saldoverloop van rekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [de vrouw] over de periode 1 januari 2013 tot 1 april 2018;

bepaalt dat de vrouw, zo mogelijk met onderliggende bescheiden, bij akte binnen vier weken na heden, derhalve op 31 maart 2020, uitleg dient te geven over de overboekingen van [rekeningnummer 2] t.n.v. mw [de vrouw] en/of hr [de man] naar [rekeningnummer 5] t.n.v. [dochter];

verwijst de zaak naar de rol van 31 maart 2020 voor het nemen van een akte door de vrouw met de hiervoor weergegeven doeleinden;

bepaalt dat de man de gelegenheid heeft om binnen vier weken na het nemen van de akte door de vrouw, bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en J.W.P.N. Hermans en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 maart 2020.

griffier rolraadsheer