Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:771

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
20-000013-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Accijnsfraude. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak. De fiscale fraudekamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

Degene die accijnsgoederen in opdracht van derden onder zijn beheer opslaat of doet opslaan, terwijl hij de hoedanigheid van de goederen kent en daadwerkelijke toegang heeft tot die goederen, heeft voorhanden in de zin van de Wet op de accijns. De strafrechtelijke aansprakelijkheid richt zich in de Wet op de accijns juist (ook) tot personen, die onveraccijnsde goederen (alleen maar) voorhanden hebben.

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns 5
Wet op de accijns 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/509
Viditax (FutD), 04-03-2020
FutD 2020-0733
DouaneUpdate 2020-0111
V-N 2020/22.19.46
NTFR 2020/771
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Parketnummer : 20-000013-17

Uitspraak : 4 maart 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 21 december 2016 in de strafzaak met parketnummer 03-995005-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1948,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte ter zake van ‘opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd’ (feit 1) en ‘opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.


De raadsman van de verdachte heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van het gerechtshof. Daarnaast is een straftoemetingsverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 17 februari 2014, althans in de maand februari 2014, te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten:
(circa) 3.819 kilo, althans een (grote) hoeveelheid (waterpijp)tabak (pv. blz. 172) en/of
(circa) 5.163.400 stuks sigaretten, althans een (grote) hoeveelheid sigaretten (merk Em@il (Red) en/of Em@il (Blue)) (pv. blz. 170),
voorhanden heeft gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken;

2.
hij op of omstreeks 7 mei 2014 te Sittard en/of op of omstreeks 8 mei 2014 te Etten-Leur, althans in de maand mei 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk (een) accijnsgoed(eren), te weten:
(circa) 1.120.000 sigaretten, althans een grote hoeveelheid sigaretten, (merk Em@il (Red) en/of merk Em@il (Blue)) (pv. blz. 00192 en 00395),
voorhanden heeft gehad, dat/die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was/waren betrokken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 17 februari 2014 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk accijnsgoederen, te weten 3.819 kilo waterpijptabak en 5.163.400 sigaretten (merk Em@il Red of Em@il Blue), voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken;

2.
hij op of omstreeks 7 mei 2014 te Sittard, opzettelijk accijnsgoederen, te weten 1.120.000 sigaretten (merk Em@il Red of Em@il Blue), voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Maastricht, respectievelijk op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, dossiernummer 54002/54748, gesloten d.d. 24 augustus 2015, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst/FIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-533.

Met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten volstaat het hof, gelet op de omstandigheid dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en dienaangaande geen vrijspraak is bepleit, met de volgende opgave van de bewijsmiddelen conform het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

1.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 februari 2014, dossierpagina’s 200-203, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , kort gezegd dat op 17 februari 2014 in een loods aan de Industriestraat 6a te Sittard onveraccijnsde waterpijptabak en sigaretten werden aangetroffen.

2.

Kennisgevingen van inbeslagneming, dossierpagina’s 170-173, waaruit naar voren komt dat onder de verdachte op 17 februari 2014 te Sittard 4.176.800 sigaretten van het merk Em@il Red en 986.600 sigaretten van het merk Em@il Blue, alsmede 3.819 kilo waterpijptabak van het merk Al Fakher, in beslag zijn genomen.

3.

Proces-verbaal van overdracht d.d. 14 mei 2014, dossierpagina’s 393-396, inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] , kort gezegd dat op 8 mei 2014 bij het transportbedrijf [transportbedrijf] B.V. aan de [vestigingsadres transportbedrijf] te Etten-Leur 580.000 onveraccijnsde sigaretten van het merk Em@il Red en 540.000 onveraccijnsde sigaretten van het merk Em@il Blue werden aangetroffen, welke waren bestemd om naar Engeland te worden gezonden.

4.

Kennisgeving van inbeslagneming, dossierpagina’s 192-193, waaruit naar voren komt dat op 8 mei 2014 te Etten-Leur 1.120.000 sigaretten van het merk Em@il in beslag zijn genomen.

5.

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 februari 2020, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte [verdachte] ter zake van het opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnse accijnsgoederen, zoals onder de feiten 1 en 2 bewezen is verklaard, waaronder de verklaring dat hij op 17 februari 2014 in zijn loods de tenlastegelegde waterpijptabak en sigaretten voorhanden had en dat de op 8 mei 2014 in Etten-Leur aangetroffen sigaretten zich op 7 mei 2014 in zijn loods in Sittard bevonden en door [transportbedrijf] B.V. aldaar zijn opgehaald.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de verdachte zijn loods ter beschikking heeft gesteld aan [betrokkene] , hoofdverdachte in een Duits onderzoek naar een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige internationale accijnsfraude. De verdachte heeft slechts een faciliterende rol gehad, bestaande uit het voor die [betrokkene] opslaan van de illegale sigaretten en waterpijptabak, alsook in het transport daarvan. De rol van de verdachte is daarom kleiner dan de rol die de rechtbank aan hem heeft toegedicht, aldus de raadsman. Bovendien werd de verdachte door [betrokkene] onder druk gezet en werd hij na de inbeslagname op 17 februari 2014 aansprakelijk gehouden voor de schade die de criminele organisatie had opgelopen. Reden waarom hij zich wederom heeft ingelaten met de strafbare feiten, zoals die onder feit 2 bewezen zijn verklaard. Om een en ander aannemelijk te kunnen maken heeft de raadsman bij pleidooi nogmaals verzocht om [betrokkene] als getuige te mogen horen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof acht zich op grond van de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring voldoende geïnformeerd over zijn rol in de constellatie van strafbare feiten alsmede over de betrokkenheid van [betrokkene] . Bovendien is de bemoeienis van derden, zoals de vermeende aansturende rol van [betrokkene] , in het licht van het aan de verdachte tenlastegelegde opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde goederen niet relevant. Degene die accijnsgoederen in opdracht van derden onder zijn beheer opslaat of doet opslaan, terwijl hij de hoedanigheid van de goederen kent en daadwerkelijke toegang heeft tot die goederen, heeft immers voorhanden in de zin van de Wet op de accijns.1 De strafrechtelijke aansprakelijkheid richt zich in de Wet op de accijns juist (ook) tot personen, die onveraccijnsde goederen (alleen maar) voorhanden hebben.2 Om voormelde redenen is er naar het oordeel van het hof geen noodzaak [betrokkene] als getuige te horen, zodat het daartoe strekkende verzoek wordt afgewezen.

Resumerend acht het hof op grond van de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het betreffende bewijsmiddel blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk onveraccijnsde accijnsgoederen voorhanden heeft gehad, zoals aan hem onder feit 1 en feit 2 ten laste is gelegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde van het onder feit 1 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd.

Het bewezen verklaarde van het onder feit 2 ten laste gelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak.
De hoeveelheid aangetroffen tabakswaren wijzen er op dat de accijnsgoederen bestemd moeten zijn geweest voor grootschalige internationale smokkel. Indien deze onveraccijnsde sigaretten en waterpijptabak op de markt zouden komen, dan zou de Staat der Nederlanden een potentieel nadeel zijn berokkend van € 1.438.334,87 als gevolg van misgelopen accijns. Daarnaast is de handel in illegale tabakswaren concurrentievervalsend en werkt dergelijke handel ontwrichtend op het systeem van een gemeenschappelijke economische ordening die in Europees verband wordt nagestreefd. Voorts wordt daarmee het in de lidstaten van de Europese Unie gevoerde beleid om door hoge prijzen het gebruik van sigaretten te ontmoedigen teneinde de schadelijke gevolgen daarvan voor de volksgezondheid te beperken gefrustreerd. De verdachte heeft zich van dat alles niets aangetrokken en slechts gehandeld uit het oogpunt van eigen financieel gewin.

Bij belastingheffing zijn in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met heffing van accijns wordt immers beoogd de Staat der Nederlanden of een andere lidstaat van de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor zijn instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen.

Het hof rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft in het kader van de straftoemeting acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 december 2019, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte. Daaruit blijkt weliswaar dat de verdachte eerder (in 2009) onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit, te weten overtreding van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, doch dat hij niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten als de onderhavige met justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij de zorg heeft voor zijn ernstig zieke vrouw, zijn transportonderneming eerder failliet is verklaard, hij als gevolg van opgelegde naheffingsaanslagen accijns (waarvan één nog niet onherroepelijk) belastingschulden heeft die ruim 1,4 miljoen euro belopen, hij een uitkering op grond van de Algemene ouderdomswet geniet en hij samen met zijn echtgenote moet rondkomen van € 1.200,00 per maand.

Het hof stelt voorop dat het in gevallen zoals het onderhavige, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, doorgaans zonder meer een straf pleegt op te leggen die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In dat verband wijst het hof tevens op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van fraude, alsook op de straffen die in soortgelijke gevallen door de fiscale fraudekamer van het hof worden opgelegd.

Al het voorgaande leidt er evenwel toe dat de weegschaal waarmee de op te leggen straf wordt bepaald in dit geval niet doorslaat naar de strafmodaliteit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar naar die van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een substantiële taakstraf. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede de omstandigheid dat het hof wel wil aannemen dat niet de verdachte degene is geweest die geldelijk profijt uit de bewezenverklaarde strafbare feiten heeft getrokken (behoudens huurpenningen en een kostenvergoeding), terwijl de fiscus wel de accijns bij hem heeft nageheven, zijn daarbij van doorslaggevend belang.

Het hof acht mitsdien in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Met oplegging van genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds en met name de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Het hof stelt vast dat de verdachte eerst op 17 februari 2014 door de FIOD als verdachte is gehoord. Nadat hij was gedagvaard voor de rechtbank en de zaak in eerste aanleg was behandeld, heeft de rechtbank op 21 december 2016 vonnis gewezen. Vervolgens is namens de verdachte op 28 december 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 4 maart 2020 – einduitspraak. Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het wijzen van vonnis door de rechtbank bedraagt derhalve 2 jaren en ruim 9 maanden. Het tijdsverloop tussen het instellen van hoger beroep en het wijzen van eindarrest bedraagt op basis van het voormelde 3 jaren en ruim 2 maanden. Voorts behelst de totale procesduur in eerste aanleg en hoger beroep meer dan 6 jaren.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak complex van aard is, is het hof van oordeel dat die reden niet het gehele tijdsverloop kan en mag verklaren. Van andere bijzondere omstandigheden die het tijdsverloop kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat telkens einduitspraak is gedaan na het verstrijken van twee jaren. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim 9 maanden alsmede in hoger beroep met ruim 14 maanden overschreden.


Nu de redelijke termijn met ongeveer 23 maanden is overschreden, zal het hof deze overschrijding ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen taakstraf zal worden gematigd met 40 uren.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, overeenkomstig de maatstaf van 2 uren per in verzekering doorgebrachte dag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis;


beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. drs. P. Fortuin, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 4 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hoge Raad 14 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9493.

2 Artikel 2, eerste lid, onderdeel b juncto artikel 51, eerste lid, aanhef, onderdeel b juncto artikel 5 juncto artikel 97 van de Wet op de Accijns.