Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:766

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
200.233.058_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2017:9859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen UWV door niet (tijdig) een deskundigenoordeel af te geven. Vraag of en hoeveel materiële en immateriële schade vergoed moet worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0265
PS-Updates.nl 2020-0166
JAR 2020/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.233.058/01

arrest van 3 maart 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A.C. Dabekaussen te Beek,

tegen

het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als het UWV,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 januari 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 oktober 2017, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in verzet en het UWV als eiseres in verzet.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5633793 \ CV EXPL 17-327)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het onder zaak-/rolnummer 549-0725 \ CV EXPL 16-10481 gewezen verstekvonnis van 23 november 2016.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de akte van het UWV van 13 november 2018;

  • -

    de antwoordakte van [appellant] van 20 november 2018;

  • -

    de akte van het UWV van 18 december 2018;

  • -

    de akte van [appellant] van 19 februari 2019.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Kern van de zaak

Het gaat er in deze zaak om of het UWV schade dient te vergoeden aan [appellant] vanwege het niet (tijdig) afgeven van een deskundigenoordeel aan [appellant] .

3.2.

De feiten

In hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

- [appellant] is van 9 augustus 2007 tot 1 september 2014 als groepsvervoerchauffeur in dienst geweest van Taxibedrijf [taxibedrijf 1] B.V. (hierna: [taxibedrijf 1] ).

- Op 15 april 2014 is [appellant] tijdens werktijd een ongeval overkomen met een bus met daarin vier kinderen. [appellant] is daarbij gewond geraakt. Hij is ziek gemeld.

- De ingeschakelde Arboarts was van mening dat [appellant] op 16 juni 2014 het werk weer kon hervatten. [appellant] achtte zichzelf daartoe niet in staat.

- Op 4 juni 2014 heeft de divisie rijgeschiktheid van het CBR aan [appellant] bericht dat hij moet meewerken aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid en dat de geldigheid van zijn rijbewijs met onmiddellijke ingang is geschorst. [appellant] heeft de geldigheid van het rijbewijs laten verlopen.

- [appellant] heeft op 25 juli 2014 bij het UWV een aanvraag gedaan voor een deskundigenoordeel. De aanvraag werd op 31 juli 2014 afgewezen door het UWV omdat de aanvraag volgens het UWV niet beoordeeld kon worden.

- [appellant] heeft vervolgens een klacht ingediend waarop bij brief van 20 augustus 2014 door het UWV is gereageerd. Aan [appellant] werd meegedeeld dat hij een nieuwe aanvraag voor een deskundigenoordeel moest doen met een gewijzigde vraagstelling. [appellant] heeft geen nieuwe aanvraag ingediend.

- [appellant] heeft op 9 september 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten met [taxibedrijf 1] , onder meer inhoudende een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 september 2014 en een aan [appellant] uit te betalen ontslagvergoeding gelijk aan vier maanden bruto salaris.

- Bij brief van 4 november 2014 heeft [appellant] een klacht ingediend tegen de arbeidsdeskundige van het UWV. In reactie daarop heeft het UWV bij brief van 17 december 2014 aangegeven dat het door [appellant] aangevraagde - en door het UWV geweigerde - deskundigenoordeel had moeten worden beoordeeld door een verzekeringsarts en niet door een arbeidsdeskundige en dat de aanvraag alsnog op de juiste wijze in behandeling zal worden genomen. Het UWV heeft excuses aangeboden voor deze procesmatige fout.

- In het Medisch Onderzoeksverslag van 2 februari 2015 heeft verzekeringsarts

[de verzekeringsarts van het UWV] van het UWV overwogen dat hij gezien de leeftijd van [appellant] ten tijde van het ongeval, 68 jaar, en het langjarig bestaan van diabetes mellitus goede redenen aanwezig acht om de consolidatie van de fractuur op 3 maanden te stellen (te rekenen vanaf het ongeval van 15 april 2014) en op grond daarvan geconcludeerd dat [appellant] per geschildatum 16 juni 2014 niet geschikt te achten is voor het eigen werk ten gevolge van ziekte. Het UWV heeft deze rapportage aan [appellant] gezonden bij brief van 4 februari 2015 en hem meegedeeld dat het deskundigenoordeel van het UWV is dat [appellant] zijn eigen werk op 16 juni 2014 inderdaad niet kon doen.

- Bij brief van 6 maart 2015 heeft [appellant] een schadeclaim ingediend bij het UWV. Het UWV heeft bij brief van 26 maart 2015 erkend onrechtmatig gehandeld te hebben, de claim afgewezen wegens het ontbreken van causaal verband en aan [appellant] een immateriële schadevergoeding aangeboden van € 150,=. Dit aanbod heeft [appellant] niet aanvaard.

- [taxibedrijf 1] is bij uitspraak van de rechtbank Limburg van 12 mei 2015, gepubliceerd op 15 mei 2015, in staat van faillissement verklaard. Nadien is een doorstart gemaakt. De activa zijn door de curator verkocht aan Taxibedrijf [taxibedrijf 2] B.V. Bij dit bedrijf zijn 145 van de 195 werknemers van [taxibedrijf 1] in dienst getreden.

3.2.

De procedure in eerste aanleg

Bij dagvaarding van 31 oktober 2016 heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd, betaling van een schadevergoeding ter hoogte van de netto loonsom over de periode

1 januari 2015 tot 1 juli 2016 à € 610,20 per maand inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen van € 610,20 netto en verder vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 1.224,23.

De kantonrechter heeft bij verstekvonnis de gevorderde verklaring voor recht toegewezen en verder een bedrag van € 13.228,66, te vermeerderen met de wettelijke rente over

€ 12.004,43. Het UWV werd in de kosten veroordeeld.

Het UWV is in verzet gekomen van dit vonnis en heeft gevorderd haar te ontheffen van het verstekvonnis en [appellant] te veroordelen om € 14.356,18 terug te betalen. [appellant] heeft blijkens het vonnis waarvan beroep zijn vordering vermeerderd met € 8.500,= aan immateriële schadevergoeding.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen dat [appellant] bij juist handelen van het UWV - het tijdig afgeven van een deskundigenoordeel - een veel sterkere onderhandelingspositie zou hebben gehad bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst, welke positie hem nu door het UWV is onthouden. De kantonrechter acht het niet ondenkbeeldig dat het in die betere positie niet tot een beëindigingsovereenkomst was gekomen, met name gelet op de arbeidsongeschiktheid van [appellant] . Ervan uitgaande dat tot

1 september 2014 loon is betaald, dat [taxibedrijf 1] op 1 juli 2015 in staat van faillissement is verklaard en dat [appellant] niet betrokken zou zijn bij de doorstart, komt de kantonrechter tot een netto inkomensschade van 10 maanden, is € 6.102,=. Gelet op de schadebeperkingsplicht van [appellant] - hij heeft geen loondoorbetaling door [taxibedrijf 1] gevorderd en hij heeft geen hernieuwde aanvraag voor een deskundigenoordeel gedaan - komt de kantonrechter tot een verdeling van het schadebedrag in die zin dat 1/4e deel daarvan, volgens de kantonrechter € 2.034,= (hof: dit is 1/3e deel daarvan), voor rekening van het UWV moet blijven zodat aan materiële schade € 4.068,-- toewijsbaar is. Verder wees hij immateriële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 1.000,=.

De kantonrechter heeft het verstekvonnis vernietigd en [appellant] veroordeeld om het aan hem op grond van het verstekvonnis uitgekeerde bedrag van € 14.356,18, verminderd met het aan hem toekomende bedrag van € 5.068,=, is € 9.288,18 terug te betalen aan het UWV.

3.3.

De vordering van [appellant] in hoger beroep

[appellant] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd en bij memorie van grieven gevorderd, zo begrijpt het hof:

vernietiging van het vonnis van 11 oktober 2017 en - opnieuw rechtdoende -:

- verklaring voor recht dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld en dat sprake is van causaal verband tussen de schade van [appellant] en het handelen van het UWV;

- veroordeling van het UWV om aan [appellant] te betalen de som van € 21.228,66 (€ 13.228,66 aan materiële schade + € 8.000,= aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 12.004,43 vanaf de datum verzuim tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede veroordeling van het UWV tot betaling van de proceskosten in de verstekzaak van

€ 473,08, alsmede veroordeling van het UWV in de proceskosten van de verzetzaak en de kosten van het hoger beroep.

Het UWV heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op deze gewijzigde eis.

[appellant] lijkt bij memorie van antwoord in incidenteel appel in zijn conclusie een schadebedrag te vorderen van € 14.356,18 aan materiële en immateriële schade samen, maar het hof gaat ervan uit dat door [appellant] in deze memorie geen herformulering of wijziging van zijn vordering is beoogd. Ook het UWV heeft dat kennelijk niet zo begrepen.

3.4.

De grieven van [appellant] in principaal hoger beroep en de grieven van het UWV in incidenteel hoger beroep

Het hof behandelt de grieven van [appellant] en het UWV gezamenlijk.

[appellant] heeft gesteld dat de weigering van het UWV om een deskundigenoordeel af te geven tot gevolg heeft gehad dat [taxibedrijf 1] de loonbetaling staakte, waardoor [appellant] in de financiële problemen raakte. Wegens het niet-betalen van het loon ontstond een arbeidsconflict met [taxibedrijf 1] en raakte [appellant] in acute financiële problemen, zodat uitdiensttreding op basis van een vaststellingsovereenkomst met toekenning van een vergoeding onafwendbaar bleek te zijn. Indien het UWV tijdig het deskundigenoordeel had afgegeven, zou er geen conflictsituatie met [taxibedrijf 1] zijn ontstaan, zou het loon doorbetaald zijn en zou [appellant] niet in financiële problemen zijn geraakt en geen enkele reden gehad hebben om aan uitdiensttreding mee te werken. Enkel door toedoen van het UWV is de arbeidsovereenkomst geëindigd en is hij niet slechts in een slechtere onderhandelingspositie geraakt zoals de kantonrechter heeft overwogen. [appellant] stelt in de memorie van grieven (loon)schade te hebben geleden gedurende een periode van 2 jaar en verder immateriële schade.

Het UWV heeft het volgende betoogd.

Het UWV heeft erkend dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig een deskundigenoordeel af te geven, maar er is volgens haar geen sprake van causaal verband/aan het UWV toe te rekenen schade en van een door haar te betalen schadevergoeding, omdat:

- [appellant] gelet op het deskundigenoordeel van 4 februari 2015 volledig hersteld zou zijn verklaard op 17 juli 2014;

- het toch tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [taxibedrijf 1] zou zijn gekomen omdat [appellant] niet meer over een geldig rijbewijs beschikte en omdat er voor het ongeval meerdere incidenten hebben plaatsgevonden tussen [appellant] en [taxibedrijf 1] ;

- het loon van [appellant] door [taxibedrijf 1] is doorbetaald tot 1 september 2014 en hij een ontslagvergoeding van [taxibedrijf 1] heeft ontvangen;

- [appellant] niet mee zou zijn gegaan bij de doorstart na het faillissement van [taxibedrijf 1] ;

- er geen grond is voor vergoeding van immateriële schade;

Verder is volgens het UWV sprake van eigen schuld aan de kant van [appellant] omdat hij geen nieuwe aanvraag voor een deskundigenoordeel heeft gedaan en geen loonvordering tegen [taxibedrijf 1] aanhangig heeft gemaakt.

3.5.

Het oordeel van het hof

3.5.1.

Vast staat als erkend dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld door niet (tijdig) een deskundigenoordeel af te geven aan [appellant] . Indien dit deskundigenoordeel wel tijdig zou zijn afgegeven, zou veel eerder duidelijk zijn geweest dat [appellant] op 16 juni 2014 ten gevolge van ziekte niet geschikt was om zijn eigen werk te doen. Uit het navolgende zal blijken dat er sprake is van causaal verband tussen (een deel van) de (gevorderde) schade van [appellant] en het onrechtmatig handelen en dat die schade aan het UWV kan worden toegerekend. De werkelijke situatie die zich heeft voorgedaan moet worden vergeleken met de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als het UWV niet onrechtmatig had gehandeld. Daarnaast moet worden beoordeeld of een deel van de schade op de voet van artikel 6:101 BW voor eigen rekening van [appellant] moet blijven wegens eigen schuld aan zijn zijde.

3.5.2.

Anders dan het UWV heeft betoogd kan op grond van het deskundigenoordeel van

4 februari 2015 niet worden aangenomen dat [appellant] op 16 juli 2014 geschikt voor het eigen werk was. Die vraagstelling lag immers niet voor bij het deskundigenoordeel. Een nieuwe beoordeling door de Arboarts van de (on)geschiktheid van [appellant] voor het eigen werk op een datum (of wellicht data) gelegen na 16 juni 2014 had daarover uitsluitsel kunnen geven in de hypothetische situatie dat het deskundigenoordeel tijdig zou zijn gegeven, doch daar kon in de werkelijke situatie waarin de arbeidsovereenkomst was beëindigd per 1 september 2014 realiter geen sprake meer van zijn nu het deskundigenoordeel dateert van ver na die datum.

De aldus door het UWV veroorzaakte onzekerheid over de duur van de ongeschiktheid van [appellant] voor het eigen werk moet voor rekening van het UWV blijven. Aangenomen wordt daarom dat [appellant] na 16 juni 2014 ongeschikt voor het eigen werk zou zijn gebleven. Dat dat gedurende twee jaar het geval zou zijn geweest kan overigens niet afgeleid worden uit de brieven van de orthopedisch chirurg waarop [appellant] zich heeft beroepen (prod. 11 mvg).

Gelet op de aangenomen ongeschiktheid van [appellant] na 16 juni 2014 ligt niet voor de hand dat in de hypothetische situatie een vaststellingsovereenkomst met [taxibedrijf 1] zou zijn gesloten. Er is onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook in het najaar van 2014 zou zijn geëindigd, zoals het UWV heeft gesteld. Weliswaar staat in de brief van de advocaat van [taxibedrijf 1] van 30 juli 2014 en in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 30 juli 2014 (prod. 7 verzetdagv.) vermeld dat sprake is van een reeks van incidenten waarvoor [appellant] meermaals een waarschuwing heeft gekregen, maar het UWV heeft een en ander niet feitelijk onderbouwd. Uit niets blijkt dat [taxibedrijf 1] ook zonder het geschil over de geschiktheid van [appellant] voor zijn eigen werk en zonder het onrechtmatig handelen van het UWV tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst zou zijn overgegaan. Ook een opzegging van de arbeidsovereenkomst of een ontbinding daarvan zouden naar alle waarschijnlijkheid niet aan de orde zijn geweest gelet op het opzegverbod tijdens ongeschiktheid wegens ziekte.

3.5.3.

Aan [appellant] kan niet terecht worden verweten dat hij geen deskundigenoordeel met de juiste vraagstelling heeft aangevraagd nadat hem een deskundigenoordeel was geweigerd, zoals het UWV heeft gesteld. Niet valt in te zien dat een nieuwe aanvraag nodig was gelet op het feit dat de juiste vraagstelling was opgenomen in de klacht van [appellant] tegen de weigering van het deskundigenoordeel (prod. 8 verzetdagvaarding) en het UWV de aanvraag naar aanleiding van de klacht van [appellant] tegen de arbeidsdeskundige van 4 november 2014 (prod. 12 verzetdagv.) zonder nieuwe aanvraag in behandeling heeft genomen. Dat had zij naar aanleiding van de eerste klacht al kunnen en moeten doen.

Aan [appellant] kan evenmin terecht worden verweten dat hij geen loonvorderingsprocedure tegen [taxibedrijf 1] is gestart, alleen al omdat [taxibedrijf 1] het loon heeft betaald tot

1 september 2014, zoals het UWV heeft gesteld. Dat leidt het hof af uit de brief van 30 juli 2014 van de advocaat van [taxibedrijf 1] aan de toenmalige advocaat van [appellant] (prod. 6 verzetdagv.) waarin een loonstop/-opschorting (slechts) wordt aangekondigd terwijl van een daadwerkelijke stopzetting of opschorting niet is gebleken, en verder uit de door het UWV overgelegde en door [appellant] niet bestreden uitdraai van Suwinet (prod. 29 mva/mvg), waarin maandelijkse loonbetalingen en daarnaast betaling van de ontslagvergoeding tot en met 31 augustus 2014 zijn vermeld. Voor zover al van een tijdelijke staking van de loonbetalingen sprake is geweest, geldt bovendien dat het starten van een loonvorderingsprocedure voor [appellant] met risico’s gepaard zou zijn gegaan, juist omdat het UWV het gevraagde deskundigenoordeel niet had gegeven. Onder deze omstandigheden kan het UWV niet aan [appellant] tegenwerpen dat hij geen loonvorderingsprocedure is gestart.

Dat [appellant] ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst werd bijgestaan door een advocaat kan het UWV evenmin baten.

Het hof concludeert dat er onvoldoende aanleiding is om een deel van de schade op de voet van artikel 6:101 BW voor rekening van [appellant] zelf te laten.

3.5.4.

Het standpunt van het UWV dat [appellant] bij de doorstart na het faillissement van [taxibedrijf 1] niet mee overgegaan zou zijn in de hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen moet wel als juist beoordeeld worden. [appellant] had immers geen geldig rijbewijs meer - hij heeft dat niet betwist - en zou alleen al om die reden zijn functie als chauffeur niet uit hebben kunnen oefenen. [appellant] heeft overigens niet duidelijk gemaakt of hij wel of niet heeft meegewerkt aan het door het CBR verplicht gestelde rijvaardigheidsonderzoek (prod. 2 verzetdagv.) en of hij bezwaar heeft gemaakt tegen de schorsing. [appellant] heeft slechts gesteld dat de geldigheid van zijn rijbewijs niet zou zijn verlopen als hij in dienst van [taxibedrijf 1] zou zijn gebleven of dat hij in dat geval op kosten van [taxibedrijf 1] een nieuwe aanvraag had kunnen indienen, maar die stelling heeft hij in het geheel niet onderbouwd. Dat betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat de arbeidsovereenkomst in de hypothetische situatie per

1 juli 2015 (rekening houdend met een opzegtermijn van 6 weken na het faillissement van [taxibedrijf 1] ) zou zijn geëindigd.

3.5.5.

Per saldo komt de schade van [appellant] , op de wijze als door hem gevorderd, uit op zijn - niet door het UWV bestreden - netto-loon inclusief vakantietoeslag over de periode

1 september 2014 tot 1 juli 2015, is 10 maanden maal € 610,20. Daarvan moeten de vier maanden loon die [appellant] van [taxibedrijf 1] heeft ontvangen als ontslagvergoeding in het kader van de vaststellingsovereenkomst vanaf getrokken worden, omdat in de hypothetische situatie dat het UWV het deskundigenoordeel wel tijdig zou hebben afgegeven de arbeidsovereenkomst niet zou zijn geëindigd en [appellant] deze vergoeding niet zou hebben ontvangen. Het hof zal omwille van de eenvoud daarbij ook uitgaan van het netto-loon. Dat betekent dat een schade resteert van 6 maanden nettoloon x € 610,20 (inclusief vakantiegeld), is € 3.661,20.

3.5.6.

[appellant] vordert immateriële schade ad € 8.000,= volgens het petitum, zie onder

r.o. 3.3. Het UWV heeft betoogd dat het ter zake door de kantonrechter toegewezen bedrag ad € 1.000,= alsnog moet worden afgewezen.

Bij de beoordeling van deze vordering hanteert het hof het volgende kader (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2019:376, rov. 4.2.1 en 4.2.2).

Van de in artikel 6:106 lid 1 sub b BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106 lid 1 sub b BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW, is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

[appellant] heeft in eerste aanleg ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat sprake is van psychische druk en psychische problemen als gevolg van het onjuist handelen van het UWV en de daaruit voortvloeiende stress ook door het lange wachten, dat hij immateriële schade heeft geleden door de algehele gang van zaken en dat sprake is van reputatieschade.

In hoger beroep heeft hij daaraan toegevoegd dat het verkeersongeval grote impact op hem heeft gehad. Door de houding van het UWV werd [appellant] steeds bozer waardoor hij last kreeg van slapeloosheid, futloosheid en stress. Volgens [appellant] heeft het UWV bij brief van 26 maart 2015 erkend dat sprake is van immateriële schade.

Het hof is met het UWV van oordeel dat het UWV niet in rechte heeft erkend dat sprake is van immateriële schade.

[appellant] heeft geen concrete gegevens aangevoerd waaruit kan volgen dat bij hem psychische schade is ontstaan ten gevolge van het onrechtmatig handelen van het UWV. Het bestaan van geestelijk letsel bij [appellant] kan niet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Opgemerkt wordt daarbij dat eventuele psychische schade ten gevolge van het ongeval met de bus niet als het gevolg van het onrechtmatig handelen van het UWV kan worden beschouwd. Van een voor de hand liggende aantasting in de persoon op grond van de aard en de ernst van de normschending van het UWV is geen sprake, althans daartoe is niets concreets aangevoerd door [appellant] . De gestelde reputatieschade is in het geheel niet onderbouwd. Slapeloosheid, futloosheid en stress, indien al het gevolg van het onrechtmatig handelen van het UWV, vormen, hoe vervelend ook, geen aantasting in de persoon die voor vergoeding in aanmerking komt.

Dat betekent dat de kantonrechter ten onrechte een bedrag aan immateriële schade aan [appellant] heeft toegekend.

3.5.7.

Tegen de (impliciete) afwijzing door de kantonrechter van de in de inleidende dagvaarding gevorderde verklaring voor recht heeft [appellant] geen grief gericht.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn in het vonnis waarvan beroep niet toegewezen. Ook daartegen is door [appellant] geen grief gericht.

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de proceskosten van de verstekprocedure en verzetprocedure tussen de partijen gecompenseerd. Het hof acht die proceskostencompensatie juist gelet op het feit dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

3.5.8.

Het voorgaande betekent dat de grieven van [appellant] weliswaar gedeeltelijk slagen, maar geen doel treffen en dat de grieven van het UWV gedeeltelijk slagen en in zoverre wel doel treffen. Voor bewijslevering ziet het hof geen aanleiding.

Per saldo dient [appellant] € 14.356,18, door het UWV voldaan naar aanleiding van het verstekvonnis, minus € 3.661,20, is € 10.694,98 terug te betalen aan het UWV. Dat is

€ 1.406,50 meer dan in het vonnis waarvan beroep is bepaald.

[appellant] heeft verzocht hem een ruime betalingstermijn te gunnen.

Voor een bedrag van € 9.288,18 is door de kantonrechter reeds een termijn toegestaan van 6 weken na betekening van het vonnis waarvan beroep. Voor het meerdere zoals in hoger beroep vastgesteld, € 1.406,50,=, ziet het hof geen aanleiding een nadere termijn vast te stellen.

Het vonnis waarvan beroep wordt op grond van het voorgaande bekrachtigd voor zover het de vernietiging van het verstekvonnis en de compensatie van de proceskosten van de verstekprocedure en de verzetprocedure betreft. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen voor zover [appellant] bij dat vonnis is veroordeeld om aan het UWV een bedrag van € 9.288,18 terug te betalen. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, [appellant] veroordelen om aan het UWV € 10.694,98 terug te betalen. Eventuele bedragen die [appellant] na de totstandkoming van het verzetvonnis al aan het UWV heeft terugbetaald, strekken hierop uiteraard in mindering.

3.5.9.

[appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel veroordeeld te worden. In het incidenteel appel worden partijen over en weer in het ongelijk gesteld, hetgeen leidt tot een proceskostencompensatie.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het tussen partijen gewezen verzetvonnis van 11 oktober 2017 voor zover het de vernietiging van het verstekvonnis en de compensatie van de proceskosten van de verstekprocedure en de verzetprocedure betreft;

vernietigt het verzetvonnis voor zover [appellant] bij dat vonnis is veroordeeld om aan het UWV een bedrag van € 9.288,18 terug te betalen;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om aan het UWV € 10.694,98 terug te betalen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van het UWV op € 1.978,= aan griffierecht en op € 1.611,= aan salaris advocaat;

compenseert in het incidenteel hoger beroep de proceskosten tussen partijen zodanig, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, I.B.N. Keizer en

A.A.H. van Hoek en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 maart 2020.

griffier rolraadsheer