Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:741

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
200.269.752_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag. Gedurende de procedure is het gezag van de moeder beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 27 februari 2020

Zaaknummer : 200.269.752/01

Zaaknummers 1e aanleg : C/02/361394 JE RK 19-1402 en C/02/361400 JE RK 19-1463

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R. Plieger,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader), bijgestaan door mr. M.E.J. de Hart.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 augustus 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 november 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - de verzoeken van de GI alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 23 december 2019, heeft de man verzocht om het beroep van de vrouw ongegrond te verklaren.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 december 2019, heeft de GI verzocht om het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 februari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Plieger;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. De Hart;

  • -

    de heer [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.

2.4.1.

De raad heeft bij brief van 28 januari 2020 aan het hof bericht dat de raad tijdens de mondelinge behandeling niet aanwezig zal zijn.

2.4.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 14 augustus 2019;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 27 januari 2020.

2.5.1.

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling medegedeeld dat zij zelf die ochtend nog stukken en geluidsopnames per mail aan het hof heeft toegezonden. Deze stukken waren noch bij dit hof noch bij de vader en de GI bij aanvang van de mondelinge behandeling bekend.

Het hof heeft derhalve beslist dat voornoemde stukken en/of opnames als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten, omdat deze zonder noodzaak na de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn ingekomen ter griffie van het hof en de vader en zijn raadsman alsmede de GI in redelijkheid niet althans onvoldoende hebben kunnen kennisnemen van voornoemde stukken en/of opnames en zich onvoldoende hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn, voor zover hier van belang, geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,

hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

De kinderen hadden tot 10 januari 2020 formeel hun hoofdverblijfplaats bij de moeder, maar verbleven feitelijk sinds 12 juni 2018 bij de vader op grond van een daartoe strekking machtiging uithuisplaatsing.

3.2.

De kinderen staan sinds 23 november 2015 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij beschikking van 10 januari 2020 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant bepaald dat het gezag over de kinderen voortaan alleen aan de vader toekomt.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd met ingang van 23 augustus 2019 tot
23 augustus 2020 alsmede de aan de stichting verleende machtiging verlengd om de kinderen met ingang van 23 augustus 2019 tot uiterlijk 23 augustus 2020 uit huis te plaatsen bij de vader (de andere ouder).

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

De rechtbank is voorbij gegaan aan relevante informatie, die de moeder heeft ingediend en die nog niet eerder aan de orde is geweest.

De moeder voelt zich op allerlei fronten niet gehoord, zodat zij zich genoodzaakt voelt om de publiciteit op te zoeken.

Zo heeft de vader, vanwege gebeurtenissen uit het verleden (psychische en fysieke mishandeling), geruime tijd begeleide omgang met de kinderen gehad. Het bevreemdt de moeder dan ook dat er nu geen enkele belemmeringen meer zijn om de kinderen bij de vader te laten. Er is in zoverre sprake van een contra-indicatie om de kinderen bij de vader te laten verblijven. Het wordt de moeder ook verhinderd om aangifte te doen.

De rechtbank heeft verder ten onrechte geoordeeld dat de vrees bestaat dat de moeder de voor de kinderen noodzakelijke hulp niet zal continueren. Zij is altijd degene geweest die hulp voor de kinderen heeft gezocht.

Ten onrechte en ongefundeerd heeft de rechtbank geoordeeld dat de moeder de kinderen in de strijd betrekt. De moeder probeert de kinderen hier buiten te houden.

De kinderen laten aan de moeder blijken dat zij meer bij haar willen verblijven.

Er is geen noodzaak tot uithuisplaatsing en de kinderen worden niet in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen moeten het hoofdverblijf bij de moeder houden.

De moeder heeft het contact tussen de kinderen en de vader nooit in de weg gestaan.

3.7.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

Er is geen perspectief op herstel van de oudercommunicatie, omdat de moeder hieraan weigert mee te werken. De vader heeft bij herhaling verzocht om de strijdbijl te begraven, maar de moeder blijft escalerend gedrag vertonen. Zij heeft al een openbare lastercampagne gevoerd tegen de vader, zijn familie, de GI en tegen meerdere instanties.

Het lukt de moeder niet om de samenwerking met instanties aan te gaan, omdat zij aan iedere samenwerking voorwaarden stelt. Daarbij schroomt zij niet om klachten in te dienen of haar verhaal op social media te plaatsen. De kinderen worden in hun dagelijkse leven in [plaats] geconfronteerd met de strijd van de moeder, onder meer vanwege de YouTube-filmpjes die de moeder online heeft gezet en waarvan de sociale omgeving ook kennis heeft genomen.

De moeder blijft teruggrijpen op het verleden en ziet niet in dat het bij de beoordeling van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet gaat om de schuldvraag. Er zijn inmiddels al veertig procedures gevoerd, waarvan er slechts drie door de vader zijn gestart.

Door de GI is al eerder gesignaleerd dat de moeder disfunctioneert en ontspoort. Uiteindelijk heeft de GI zich in november 2019 genoodzaakt gezien om de omgang tussen de kinderen en de moeder te schorsen.

De ondertoezichtstelling is van belang om hulpverlening en begeleiding voor de kinderen in te zetten en te continueren. De vader ervaart hier veel baat bij.

De kinderen hebben de afgelopen jaren schade opgelopen en voorkomen moet worden dat deze schade door de strijd van de moeder groter wordt. Beide kinderen hebben een grote behoefte aan rust. Het is daarbij zorgelijk dat [minderjarige 1] zich steeds verder terugtrekt en afstand neemt van zijn moeder.

3.7.

De GI voert, samengevat, het volgende aan.

De GI heeft getracht om diverse trajecten in te zetten, waaronder Keinder en een schottenaanpak, maar deze trajecten zijn niet van de grond gekomen.

Het lukt de moeder niet om de strijd tegen de vader aan de kant te zetten en zij blijft terugkomen op zaken uit het verleden.

De moeder betrekt bovendien de kinderen in de strijd en zij plaatst foto’s en filmpjes op Facebook en YouTube, terwijl de kinderen oud genoeg zijn om hiervan kennis te nemen.

Tijdens de laatste gesprekken met de kinderen hebben zij duidelijk aangegeven dat zij bij de vader willen wonen.

Na de uitspraak van de rechtbank heeft er nog een aantal incidenten plaatsgevonden. De kinderen werden hierdoor geschaad. Alhoewel de vader hierin ook een aandeel heeft gehad, is de omgang met de moeder voorlopig stilgezet. De jeugdzorgwerker was van mening dat een verblijf bij de moeder voor de kinderen gevaarlijk is, hetgeen nadien ook is bevestigd.

De kinderen hebben opgelucht en zonder verdriet gereageerd.

Zolang de moeder de kinderen met de ouderstrijd belast, kunnen zij niet bij haar opgroeien. Daar komt bij dat de moeder last heeft van lichamelijke en psychische klachten.

Op grond van alle omstandigheden acht de GI het van belang dat er bij de moeder een persoonlijkheidsonderzoek zal plaatsvinden.

Het is verder van belang dat het contact tussen de kinderen en de moeder wordt hersteld, maar de moeder dient dan wel akkoord te gaan met de door de GI gestelde voorwaarden, waarbij er vooralsnog enkel sprake kan zijn van een begeleide omgangsregeling.

De GI heeft de communicatie met de moeder overigens beperkt tot de email, omdat de moeder in het verleden gesprekken heeft opgenomen en persoonlijke gegevens van de jeugdzorgwerker op internet heeft gezet. De jeugdzorgwerker heeft zichzelf hierdoor genoodzaakt gezien om aangifte tegen de moeder te doen.

De vader is een betrouwbare opvoeder voor de kinderen gebleken en werkt in het belang van de kinderen mee met de jeugdzorgwerker.

Sinds de kinderen bij de vader verblijven is er voor hen een bepaalde mate van rust ontstaan.

De kinderen kunnen op korte termijn bij ‘ [organisatie] ’ in [plaats] in therapie.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

Het hof stelt vast dat de vader volgens de bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beschikking van 10 januari 2020 van de rechtbank alleen het gezag over de kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253p van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het éénoudergezag van de vader de dag na de datum van verzending van deze beschikking begonnen. De uithuisplaatsing heeft dan ook met ingang van die dag geen werking meer.

Aangezien de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft verklaard hoger beroep te zullen instellen tegen deze beschikking van 10 januari 2020 zal het hof de moeder thans in dit hoger beroep als belanghebbend blijven aanmerken.

3.8.2.

Ter beoordeling ligt voor de beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing met ingang van 23 augustus 2019. Het hof overweegt ter zake het volgende.

3.8.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.4.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.5.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.6.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.7.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten voor een (verlenging) van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

Bij beschikking van 18 april 2019 heeft het hof reeds overwogen dat de kinderen vanwege de hevige echtscheidingsstrijd van de ouders bekneld raken en zij daarbij forse loyaliteitsproblemen ondervinden. Aangezien de ouders niet in staat waren (en zijn) om met elkaar te communiceren en te overleggen, is het lange tijd ook niet mogelijk geweest om de voor de kinderen noodzakelijke hulpverlening in te zetten.

Bij de moeder bleken er bij herhaling belemmeringen te zijn waarbij zij ofwel volgens haarzelf geen hulpvraag had, ofwel voorwaarden aan de hulpverlening stelde ofwel haar goedkeuring niet verleende.

Inmiddels zijn de zorgen over de (gezondheid van de) moeder toegenomen. Zij voert, zo is ook tijdens de mondelinge behandeling gebleken, een strijd om de waarheid boven tafel te krijgen en deze strijd wordt steeds heviger, waardoor het haar niet meer lukt om de belangen van de kinderen op de eerste plaats te zetten en haar eigen aandeel in de ontstane situatie te zien.

De moeder lijkt niet in te zien hoe schadelijk het voor de kinderen is dat zij op het verleden blijft teruggrijpen en dat zij koste wat kost haar gelijk wil halen, waarbij zij geen enkel middel schuwt. Zo plaatst zij filmpjes en berichten op social media, waarbij zij niet alleen de (familie van de) vader, maar ook derden, onder wie hulpverleners, diskwalificeert. Dit is geenszins in het belang van de kinderen.

De moeder blijft daarbij benadrukken dat zij een lieve moeder is die in staat is voor de kinderen te zorgen, maar zij ziet niet wat de gevolgen van haar handelen voor haar kinderen zijn. De verwijdering tussen haar en de kinderen wordt hierdoor enkel groter.

Daar komt bij dat de moeder de kinderen in de ouderstrijd betrekt. Niet alleen door het gebruik van social media, waarvan de kinderen ook kennis hebben genomen, maar ook anderszins. Zo zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na een heftig conflict tussen de moeder en [minderjarige 1] over de omgang al een keer naar de vader gevlucht, waarbij [minderjarige 1] het huis via een balkon of dakraam heeft verlaten. Nog recenter heeft er een incident plaatsgevonden tussen de moeder en [de meerderjarige dochter] , de meerderjarige dochter van de ouders, waarbij [de meerderjarige dochter] achter het stuur van de auto zat en de moeder tijdens het rijden op de snelweg op een gegeven moment de sleutels uit het contact heeft proberen te halen. [minderjarige 2] bevond zich op dat moment op de achterbank. Nog daargelaten dat de moeder op dat moment tegen de afspraken in met [de meerderjarige dochter] en [minderjarige 2] is meegereden, heeft de moeder door deze wijze van handelen haar beide dochters ernstig in gevaar gebracht.

Voornoemde incidenten ondersteunen het reeds bestaande vermoeden dat het in het belang van de kinderen én de moeder is dat zij zich openstelt voor professionele hulp. Inmiddels is de situatie van de kinderen dermate verslechterd, dat de GI zich genoodzaakt heeft gezien om het contact tussen de kinderen en de moeder tijdelijk op te schorten, teneinde de nodige rust te creëren.

Alhoewel het hof beseft dat de vader ook een aandeel heeft in de strijd, wordt bij de vader gezien dat hij de belangen van de kinderen op de eerste plaats zet en hij zijn medewerking aan de hulpverlening onvoorwaardelijk verleent. De kinderen lijken zich bij de vader steeds meer op hun plek te voelen en zij ervaren meer rust. De vader ondervindt veel steun vanuit de ondertoezichtstelling en een positieve ontwikkeling daarbij is dat het diagnosticerend onderzoek bij de kinderen inmiddels heeft plaatsgevonden, zodat de kinderen eindelijk geholpen kunnen worden door middel van een gericht hulpverleningstraject.

3.8.8.

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen nog niet is weggenomen en dat het noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen is dat zij uithuisgeplaatst zijn, ook voor het geval de beschikking van 10 januari 2020 wordt vernietigd en de moeder in het gezag wordt hersteld.

Het hof onderschrijft overigens wel dat het voor de kinderen van belang is dat de omgang tussen de moeder en de kinderen zo snel mogelijk op een voor de kinderen aanvaardbare, positief ingevulde wijze weer tot stand wordt gebracht.

Hetgeen de moeder voor het overige heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 augustus 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.N.M. Antens en H.M.A.W. Erven en is op 27 februari 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.