Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:738

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
200.256.857_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

draagplicht schulden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.256.857/01

zaaknummer rechtbank : C/01/332706 / FA RK 18-1674

beschikking van de meervoudige kamer van 27 februari 2020

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in principaal hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A. Ramsaroep te Wassenaar,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. A.A. van den Berg, opgevolgd door: mr. R. van Gelder,

thans: mr. A. Vijftigschild te Leidschendam,

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

1.1.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 december 2018, hersteld bij beschikking van 26 maart 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 19 maart 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden (nadien herstelde) beschikking.

2.2.

De man heeft op 20 mei 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 23 november 2018;

- een kopie “Details af – en bijschrijving” d.d. 18 juni 2019 van De Nederlandse Voorschotbank N.V. en de jaaropgaaf 2018 van de zijde van de man, ingekomen op 2 juli 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 26 november 2019 met bijlagen, ingekomen op 27 november 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 29 november 2019 met bijlagen, ingekomen op 2 december 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 3 december 2019 met bijlagen, ingekomen op 4 december 2019.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 12 december 2019 plaatsgevonden.

Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.

Met toestemming van het hof is na de mondelinge behandeling ingekomen een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 12 december 2019 met bijlagen, ingekomen op 12 december 2019.

2.6.

Ter mondelinge behandeling is gelijktijdig de zaak tussen partijen met zaaknummer 200.256.870/01 (verdeling zorg- en opvoedingstaken en bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ) behandeld.

Deze beschikking betreft uitsluitend de zaak ter zake de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten nu daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

3.2.

Bij de bestreden, nadien herstelde, beschikking is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is, op het moment van de mondelinge behandeling in hoger beroep, nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover in deze zaak van belang, het verzoek van de vrouw om te bepalen, verkort weergegeven, dat de man de hypothecaire schulden op beider naam bij de Rabobank voor de helft dient af te lossen, afgewezen.

4.2.1.

De grief van de vrouw ziet op de onderlinge draagplicht van partijen ten aanzien van de hypothecaire leningen bij de Rabobank op beider naam en de daarop betrekking hebbende hypotheeklasten.

4.2.2.

De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking ter zake de door de vrouw opgeworpen grief te vernietigen (voor wat betreft de draagplicht van de man met betrekking tot de hypotheek en de hypotheeklasten) en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- te bepalen dat de man jegens de vrouw draagplichtig is voor de hypothecaire schulden bij de Rabobank met lening nummers:
- [lening nummer 1] ter hoogte van € 10.000,-,
- [lening nummer 2] ter hoogte van € 15.000,-,

voor tenminste € 12.000, -, althans dit deel als zijn eigen schuld dient af te lossen inclusief de rentelasten daarover vanaf 1 november 2017 met vrijwaring van de vrouw;
- te bepalen dat de man jegens de vrouw draagplichtig is voor de hypothecaire schuld bij

de Rabobank met lening nummer:

- - [lening nummer 3] ter hoogte van € 20.000,-,

voor het volledige bedrag van € 20.000,-, althans dit volledig deel als zijn eigen schuld dient af te lossen inclusief de rentelasten daarover vanaf 1 november 2017 met vrijwaring van de vrouw;
- te bepalen dat de man aan de vrouw dient te betalen alle vanaf 1 november 2017 reeds

betaalde en nog te betalen rentelasten over de hypotheekbedragen waarvoor de man

draagplichtig is, voor zover deze door de vrouw zijn of worden betaald.

4.3.

De man heeft verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De vrouw heeft het navolgende betoogd. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de gehele hypotheekschuld van € 45.000,- in de onderlinge verhouding tussen partijen volledig voor rekening van de vrouw dient te komen. De hypothecaire schuld is grotendeels aangewend ten behoeve van de man, namelijk in februari 2008 een bedrag van € 12.000,- en in november 2010 een bedrag van € 20.000,-, met name voor de stacaravan van de man en voor het aflossen van leningen van de man (met betrekking tot de Visa-kaart en de auto van de ex-vrouw van de man). Deze bedragen zijn ook op de rekening van de man terecht gekomen. Slechts een klein deel, te weten € 10.000,- is aangewend voor aanpassingen aan de woning. Gelet hierop dient in de onderlinge verhouding tussen partijen de man jegens de vrouw draagplichtig te zijn voor een bedrag van totaal € 32.000,-, te vermeerderen met de rentelasten vanaf 1 november 2017.

5.2.

De man heeft het standpunt van de vrouw gemotiveerd betwist als volgt. Uit de door de vrouw overgelegde aanbiedingsbrief van de Rabobank van 7 februari 2008 blijkt weliswaar dat er een bedrag van € 12.000,- is verstrekt ter aflossing van leningen, maar daaruit blijkt geenszins dat het leningen van de man betrof. De man betwist dat er sprake is van af te lossen leningen aan zijn zijde; de vrouw heeft dat ook in het geheel niet onderbouwd. Voorts betwist de man dat er geld nodig was voor zijn stacaravan, omdat die door zijn ouders is gefinancierd. De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat de door de Rabobank verstrekte hypotheken zijn gevestigd op de woning van de vrouw, dat er sprake is van verbetering van de woning van de vrouw en van waardevermeerdering van haar woning en dat de hypotheekschuld niet ten laste van de man mag komen. De rechtbank heeft dit terecht beslist.

5.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Het volgende staat vast. Partijen zijn gezamenlijk hypothecaire schulden aangegaan bij de Rabobank van totaal € 45.000,-, bestaande uit

lening nummer [lening nummer 1] ter hoogte van € 10.000,-,

- lening nummer [lening nummer 2] ter hoogte van € 15.000,- en

– lening nummer: [lening nummer 3] ter hoogte van € 20.000,-.

Deze hypotheken zijn hypothecair verbonden aan de woning te [plaats] die eigendom is van de vrouw en partijen zijn voor deze schulden hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof volgt de vrouw niet in haar primaire stelling dat de man in hun onderlinge verhouding draagplichtig dient te zijn voor een bedrag van € 32.000,- omdat dat bedrag zou zijn aangewend voor aflossing van leningen van de man. De man heeft die stellingen van de vrouw op dit punt gemotiveerd betwist. Tegenover die gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw haar stelling onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd, hetgeen wel op haar weg lag. De aanbiedingsbrieven van de Rabobank (productie 28 en 29 van de vrouw) zijn daartoe onvoldoende, omdat deze niet ter onderbouwing kunnen dienen van de stelling dat met het geleende bedrag leningen van de man in privé zijn afgelost. Andere stukken, zoals bij voorbeeld bankafschriften waaruit de gestelde aflossingen blijken, heeft de vrouw ook niet overgelegd. Andere voldoende concrete feiten en omstandigheden tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw niet gesteld. Het hof komt dan ook aan bewijslevering niet toe, nog daargelaten dat de vrouw geen bewijs van haar primaire stelling heeft aangeboden. Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

5.4.

Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw nog subsidiair aangevoerd dat partijen de hypothecaire schulden samen zijn aangegaan, dat weliswaar een bedrag van € 10.000,- voor rekening van de vrouw kan komen in verband met verbetering van haar woning, maar dat partijen in hun onderlinge verhouding in ieder geval ieder voor de helft draagplichtig dienen te zijn voor het restantbedrag van totaal € 35.000,-.

Het hof gaat aan dit standpunt van de vrouw voorbij, reeds omdat de man zich op dat, pas ter mondelinge behandeling ingenomen, standpunt niet adequaat heeft kunnen verweren. Daarbij komt dat de vrouw heeft nagelaten dit nadere standpunt met voldoende concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen en zij evenmin aan dit subsidiaire standpunt een (gewijzigd) verzoek heeft verbonden.

5.5.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 december 2018, hersteld bij beschikking van 26 maart 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans, C.N.M. Antens en H. van Winkel en is op 27 februari 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. C.N.M. Antens in tegenwoordigheid van de griffier.