Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:707

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
27-02-2020
Zaaknummer
200.265.583_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:7456
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:10890
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding.

Hoger beroep van ECLI:NL:RBLIM:2019:7456.

Hoewel de door de voorzieningenrechter gegeven uitleg van het concurrentiebeding voor een medisch specialist wordt betwijfeld, bekrachtigt het hof de door de voorzieningenrechter getroffen voorziening als ordemaatregel op grond van een afweging van wederzijdse partijbelangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2020-0284 met annotatie van B.A. van Schelven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.265.583/01

arrest van 25 februari 2020

in de zaak van

1 Coöperatie MSB Atrium-Orbis U.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: MSB,

2. Stichting Zuyderland Medisch Centrum,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: Zuyderland,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna samen in mannelijk enkelvoud ook: MSB,

advocaat: mr. K.D. Meersma te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [geïntimeerde 1] ,

2. [de vennootschap],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [de vennootschap] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna samen in vrouwelijk enkelvoud ook: [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. N.P.F.E. van der Peet te Maastricht,

op het bij dagvaardingsexploot van 29 augustus 2019 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen vonnis in kort geding van 13 augustus 2019 tussen [geïntimeerde 1] als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en MSB als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/ rolnummer C/03/266779 / KG ZA 19-338)

Hiervoor verwijst het hof naar voornoemd vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het voornoemde dagvaardingsexploot van MSB met grieven,

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] in principaal hoger beroep, tevens memorie

van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van MSB,

- het pleidooi van 11 februari 2020, waarbij

- (de advocaten van) partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd,

- in het geding zijn gebracht de vooraf door MSB ingezonden prod. 10 t/m 12,

ingekomen ter griffie op 24 januari 2020,

2.2

Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de voornoemde stukken en die van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

Als onbestreden door de voorzieningenrechter vastgesteld en overigens als gesteld en niet of onvoldoende betwist, gelden de navolgende feiten als vaststaand.

3.1.1

[geïntimeerde 1] is radioloog. Zij heeft vanaf 2001 gewerkt in het Atrium-ziekenhuis te [vestigingsplaats] , aanvankelijk als arts in opleiding en vanaf 2007 als lid van de maatschap radiologie.

3.1.2

Zuyderland is per 1 januari 2015 ontstaan uit een fusie tussen het Atrium-ziekenhuis te [vestigingsplaats] met het Orbis-ziekenhuis te [vestigingsplaats] en is de rechtsopvolger van die ziekenhuizen.

3.1.3

Als uitvloeisel van wetgeving inzake integrale bekostiging van ziekenhuiszorg is [geïntimeerde 1] per 1 januari 2015 lid geworden van MSB en heeft zij haar (ziekenhuis)praktijk ingebracht in MSB. De radiologen van Zuyderland zijn gaan samenwerken in de fusievakgroep medische beeldvorming.

3.1.4

Het van de ledenovereenkomst tussen [geïntimeerde 1] en MBS per 1 januari 2015 opgemaakte schriftelijke contract vermeldt:

LEDENOVEREENKOMST, TEVENS HOUDENDE OPDRACHT TOT MEDISCH SPECIALISTISCHE ZORGVERLENING

(…)

6.1

Het Lid heeft in geval van beëindiging van de Ledenovereenkomst het recht om de in de Ledenovereenkomst belichaamde Opdracht over te dragen aan een ander Lid, dan wel het MSB, zulks op de voorwaarden en tegen de vergoeding als omschreven in het Reglement Overdracht en Waardebepaling.

6.2

Het recht op overdracht als bedoeld in lid 1 van dit artikel geldt niet indien:

1. (…)

2. het Lid aansluitend aan het einde van de Ledenovereenkomst werkzaamheden gaat verrichten die concurreren met de Opdracht op de wijze als omschreven in artikel 14.5.

(…)

14.5

In het geval van beëindiging van zijn lidmaatschap van het MSB, zullen het Lid en de Medisch Specialist zich gedurende een periode van twee jaar van directe en indirecte participatie onthouden in een zorgaanbod buiten de onderneming van het MSB of een Opdrachtgever dat concurreert met de overgedragen Opdracht, tenzij Partijen anders overeenkomen. Van concurrentie is in elk geval sprake indien de participatie plaatsvindt binnen een straal van 30 kilometer van een Opdrachtgever. Het lid en de Medisch Specialist zullen gedurende dezelfde periode van twee jaar niet actief werven onder patiënten van een Opdrachtgever. In geval van schending van de verplichting in dit artikel komt de aanspraak op de op grond van artikel 6 betaalde vergoeding te vervallen en betaalt het voormalig Lid en/of de Medisch Specialist deze integraal terug aan (de Leden) van het MSB op de daartoe bestemde rekening. Terugbetaling van de vergoeding ontslaat het voormalig Lid en/of de Medisch Specialist niet van het concurrentieverbod in dit artikel.

3.1.5

Op 11 april 2018 heeft MSB het besluit genomen tot onmiddellijke opzegging van de ledenovereenkomst met [geïntimeerde 1] . Bij op 4 december 2019 onder zaaknummer C/03/251135 / HA ZA 18-299 in een bodemprocedure gewezen vonnis heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, die opzegging rechtmatig geoordeeld en in hoofdlijn beslist dat MSB die opzegging heeft kunnen en mogen doen.

3.1.6

In de maanden april en mei 2019 heeft [geïntimeerde 1] met toestemming van MSB als radioloog voor 0,5 fte in loondienst in het Marienhospital te [vestigingsplaats] gewerkt.

3.1.7

Bij e-mail van 17 april 2019 heeft [geïntimeerde 1] aan MSB geschreven:

Het Laurentius Ziekenhuis te [vestigingsplaats] heeft mij per direct een loondienstbetrekking binnen de afdeling radiologie aangeboden. In deze betrekking zal ik de radiologie in de volle breedte kunnen uitoefenen (…) Ik verzoek u vriendelijk om (…) te bevestigen dat u hiertegen geen bewaar heeft.”

In reactie daarop heeft MSB op 6 mei 2019 laten weten dat hij vasthoudt:

aan het concurrentiebeding. Die contractuele verplichting beoogt het bedrijfsdebiet van het MSB (en Zuyderland) te beschermen. Dat bestaat niet slechts uit patiënten, maar ook uit kennis van de onderneming van het MSB (en Zuyderland). Het MSB verleent daar in het geval van mevrouw [geïntimeerde 1] uitsluitend ontheffing van in het kader van een totale regeling. Alleen dan is ook in de toekomst aan andere leden die vragen om ontheffing, uit te leggen waarom die niet gegeven wordt. Voor [vestigingsplaats] gold, zoals ook toegelicht aan mevrouw [geïntimeerde 1] , dat het MSB geen redelijk belang heeft er aan vast te houden nu de concurrentiedruk van dat ziekenhuis veel minder is.”

3.1.8

Op 9 juli 2019 heeft [geïntimeerde 1] aan MSB gevraagd of een tussenoplossing gevonden kan worden in de constructie dat zij vanuit het loondienstverband bij het Laurentius-ziekenhuis gedurende de resterende looptijd van het concurrentiebeding wordt gedetacheerd naar het Vie Curi-ziekenhuis te [vestigingsplaats] . MSB en [geïntimeerde 1] hebben daarover geen overeenstemming bereikt.

3.2

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde 1] in conventie in hoofdlijn gevorderd dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in kort geding

- primair: MSB zal veroordelen om te gehengen en gedogen dat [geïntimeerde 1] een

arbeidsovereenkomst met het Laurentius-ziekenhuis aangaat, en MSB op straffe van en

dwangsom zal verbieden om in verband met een daarmee te sluiten arbeidsovereenkomst

een beroep te doen op het in artikel 14.5 van de ledenovereenkomst neergelegde

concurrentiebeding,

- subsidiair: het concurrentiebeding ten aanzien van een door [geïntimeerde 1] met het Laurentius-

ziekenhuis te sluiten arbeidsovereenkomst zal schorsen,

- meer subsidiair: een passende voorziening zal treffen die recht doet aan de belangen van

[geïntimeerde 1] ,

- in alle gevallen: MSB zal veroordelen in de proceskosten met wettelijke rente.

Voor het geval dat MSB aan [geïntimeerde 1] ontheffing uit het concurrentiebeding moet verlenen, heeft MSB in voorwaardelijke reconventie gevorderd dat de voorzieningenrechter

- de werking van artikel 6.1 van de ledenovereenkomst zal schorsen,

- [geïntimeerde 1] zal gebieden om de haar op grond van artikel 6.1 van de ledenovereenkomst

betaalde goodwillvergoeding van € 146.333,-- terug te betalen,

- met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten en nakosten met wettelijke

rente.

3.3

Bij het beroepen kortgedingvonnis heeft de voorzieningenrechter

- in conventie: MSB uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om te gehengen en gedogen dat

[geïntimeerde 1] een arbeidsovereenkomst met het Laurentius-ziekenhuis aangaat en MSB

veroordeeld in de proceskosten.

- in reconventie: de vordering van MSB afgewezen.

3.4.1

In principaal hoger beroep formuleert MSB acht grieven en vordert MSB samengevat dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende,

- de vorderingen in conventie van [geïntimeerde 1] alsnog zal afwijzen,

- [geïntimeerde 1] hoofdelijk zal veroordelen tot terugbetaling van alles wat (blijkens door MSB ter

zitting gegeven toelichting: alle proceskosten die) MSB ter uitvoering van het beroepen

vonnis aan [geïntimeerde 1] heeft voldaan, met wettelijke rente,

- [geïntimeerde 1] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de proceskosten van beide instanties,

met wettelijke rente.

[geïntimeerde 1] weerspreekt het principaal hoger beroep en concludeert in hoofdlijn dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest de principale grieven en vorderingen van MSB zal afwijzen en het beroepen vonnis zal bekrachtigen, met hoofdelijke veroordeling van MSB in de proceskosten, met wettelijke rente.

3.4.2

In incidenteel hoger beroep formuleert [geïntimeerde 1] twee grieven. Ter zitting trekt [geïntimeerde 1] haar eerste grief met daarbij behorende vordering

(om MSB op straffe van een dwangsom te verbieden om in verband met een met het Laurentius-ziekenhuis te sluiten arbeidsovereenkomst een beroep te doen op het concurrentiebeding)

in, zodat alleen haar tweede grief resteert en zij, samengevat, voorwaardelijk vordert dat het hof,

- voor het geval dat het hof het beroepen vonnis in principaal appel mocht vernietigen: dat

het hof zal bepalen dat de in conventie uitgesproken veroordeling van MSB om te

gehengen en gedogen dat [geïntimeerde 1] een arbeidsovereenkomst met het Laurentius-ziekenhuis

aangaat, tot acht dagen na betekening van het arrest in stand blijft,

- MSB hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de proceskosten, met wettelijke rente.

MSB weerspreekt het incidenteel hoger beroep en concludeert in hoofdlijn dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest de incidentele grieven en vorderingen van [geïntimeerde 1] ongegrond zal verklaren en [geïntimeerde 1] hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, met wettelijke rente.

3.5

Het hof oordeelt de zaak reeds gezien de aard van de verlangde voorzieningen voldoende spoedeisend voor behandeling in kort geding. [geïntimeerde 1] mag bescherming inroepen tegen een onrechtmatig ingeroepen geacht concurrentiebeding dat het sluiten van een gewenste arbeidsovereenkomst met het Laurentius-ziekenhuis in de weg staat, en gelet op de te verwachten duur van een bodemprocedure mag zij daarover een onmiddellijke voorziening in kort geding vorderen. Of haar vordering ook moet worden toegewezen, is een andere kwestie waarover het hof hierna zal oordelen.

3.6

Met zijn in principaal hoger beroep aangevoerde grieven en geformuleerde vorderingen wil MSB de vordering in conventie van [geïntimeerde 1] in volle omvang ter beoordeling aan het hof voorleggen. [geïntimeerde 1] legt aan haar vordering in hoofdlijn ten grondslag dat het concurrentiebeding zich er niet tegen verzet dat zij binnen twee jaren na beëindiging van de ledenovereenkomst voor het Laurentius-ziekenhuis arbeid in loondienst als radioloog gaat verrichten. [geïntimeerde 1] betoogt in hoofdlijn:

- primair: dat het beding daarop niet van toepassing zou zijn omdat de werkplek van [geïntimeerde 1]

bij het Laurentius-ziekenhuis in [vestigingsplaats] buiten een straal van 30 km. van het

Zuyderland-ziekenhuis in [vestigingsplaats] ligt,

- subsidiair: dat het beding blijkens haar duidelijke tekst niet zou zien op arbeid die na de

beëindiging van het lidmaatschap elders in loondienst wordt verricht maar alleen op

werkzaamheden als ondernemer,

- meer subsidiair: dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou

zijn dat MSB tegenover haar een beroep op het concurrentiebeding zou toekomen, zodat

het beding geschorst moet worden.

MSB werpt in hoofdlijn tegen dat zij het toepasselijk geachte concurrentiebeding mag inroepen, welk beding blijkens haar duidelijke bewoordingen ook zou zien op arbeid die na beëindiging van het lidmaatschap elders in loondienst wordt verricht.

3.7

Voor zover [geïntimeerde 1] betoogt dat het beding hier niet van toepassing zou zijn omdat haar beoogde nieuwe standplaats voor het Laurentius-ziekenhuis buiten een straal van 30 km. vanaf [vestigingsplaats] ligt, verwerpt het hof dat betoog. Het Laurentiusziekenhuis in [vestigingsplaats] ligt immers -zoals zij ter zitting ook erkent- binnen die straal vanaf [vestigingsplaats] , waar een vestiging van het Zuyderland gevestigd is.

3.8.1

Het partijdebat spitst zich vervolgens toe op uitleg van het in artikel 14.5 van de ledenovereenkomst opgenomen concurrentiebeding, en met name op de vraag of dat beding alleen ziet op werkzaamheden die [geïntimeerde 1] als zelfstandig onderneemster gaat verrichten of ook op werkzaamheden die zij in loondienst gaat verrichten.

3.8.2

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de ledenovereenkomst in hoge mate het karakter draagt van een standaardovereenkomst waarover niet individueel is onderhandeld, zodat de uitleg van het concurrentiebeding Haviltexend naar de cao-norm hoort plaats te vinden. Partijen zijn het eens met dit oordeel dat de uitleg van het beding Haviltexend naar de cao-norm hoort plaats te vinden, maar komen desondanks tot tegenovergestelde conclusies over (de uitkomst van) die uitleg.

3.8.3

De voorzieningenrechter heeft in hoofdlijn overwogen dat de bewoordingen van het beding -ook in hun context bezien- voor de uitleg ervan verder geen uitsluitsel bieden en ook geen relevante aanknopingspunten bevatten. In het licht van door de Nederlandse Zorgautoriteit in de Regeling medisch-specialistische zorg gehanteerde definities heeft de voorzieningenrechter op grond van de bewoordingen “directe en indirecte participatie in een zorgaanbod dat concurreert met de overgedragen opdracht” geoordeeld dat [geïntimeerde 1] door in loondienst te treden bij het Laurentius-ziekenhuis wel deelneemt aan het zorgaanbod, maar als radioloog niet haar “opdracht” kan meenemen naar het Laurentius-ziekenhuis zodat van een concurrerend zorgaanbod bij het medisch specialisme radiologie geen sprake kan zijn. Op grond hiervan heeft de voorzieningenrechter uiteindelijk geconcludeerd dat MSB geen beroep zou toekomen op het concurrentiebeding van artikel 14.5 van de ledenovereenkomst.

3.8.4

Het hof kan die oordelen en conclusie van de voorzieningenrechter echter niet zonder meer volgen. Het in artikel 14.5 van de ledenovereenkomst opgenomen concurrentiebeding hoort niet te worden uitgelegd op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van dat beding. Daarbij komt het ook aan op de zin die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Zelfs bij een door de voorzieningenrechter en partijen voorgestane uitleg naar een meer geobjectiveerde norm en meer gewicht toekennend aan het beschreven beding zelf in de context van de ledenovereenkomst als geheel en een schriftelijke weergave van vragen en antwoorden uit consultatierondes, oordeelt het hof het geenszins ondenkbaar dat de bodemrechter de bewoordingen “directe en indirecte participatie in een zorgaanbod dat concurreert met de overgedragen opdracht” aldus zal uitleggen dat dit vrijwel iedere deelname in het verlenen van enige concurrerende zorg omvat, dus ook het verrichten van arbeid als radioloog in loondienst van het Laurentius-ziekenhuis. De aard en strekking van het beding als concurrentiebeding lijken ook veeleer op een dergelijke ruimere uitleg dan die van de voorzieningenrechter en [geïntimeerde 1] te wijzen. Dat een radioloog als vooral ondersteunend specialist zelf geen behandelovereenkomsten met patiënten pleegt aan te gaan, hoeft daaraan geen afbreuk te doen. Zoals de voorzieningenrechter (in rov. 6.14 van het beroepen vonnis) ook onbestreden heeft vastgesteld, verschilt de in loondienst verrichte medisch specialistische radiologische zorg ook niet van die als vrij gevestigde medische specialist verrichte radiologische zorg.

3.9

Binnen het beperkte kader van dit kort geding kan echter geen oordeel met gezag van gewijsde worden gegeven over de exacte uitleg van het in artikel 14.5 van de ledenovereenkomst opgenomen concurrentiebeding. Een dergelijk oordeel kan alleen in een bodemprocedure worden gegeven. Dit kort geding is naar zijn aard gericht op het verkrijgen van een voorlopige ordening en niet rechtsvaststellend. Deze kort geding-procedure leent zich ook niet voor mogelijk benodigd (nader) feitenonderzoek of bewijslevering. Ongeacht de voornoemde twijfel of de door de voorzieningenrechter en [geïntimeerde 1] voorgestane beperkte uitleg van het beding in een bodemprocedure uiteindelijk stand zal houden, zal het hof de door de voorzieningenrechter getroffen voorziening als ordemaatregel bij afweging van de belangen van partijen op basis van de actuele feiten en omstandigheden nu in stand laten. Daarbij kent het hof doorslaggevend gewicht toe aan de omstandigheid dat [geïntimeerde 1] al sinds 1 september 2019 feitelijk arbeid als radioloog in loondienst van het Laurentius-ziekenhuis verricht en dat het beding nog slechts tot 11 april 2020 tegen [geïntimeerde 1] werking kan hebben. Ongeacht het serieuze belang dat MSB bij een andersluidende beslissing heeft, oordeelt het hof reeds daarom een andere beslissing nu -zeer kort voor het aflopen van de werkingstermijn van het beding- in het licht van de wederzijdse partijbelangen voor [geïntimeerde 1] te ingrijpend. Dit geldt temeer als daarbij ook nog in aanmerking wordt genomen dat het Laurentius-ziekenhuis te [vestigingsplaats] zich in ieder geval wel buiten een straal van 30 km. vanaf [vestigingsplaats] bevindt en dat [geïntimeerde 1] als tussenoplossing het niet onredelijke aanbod heeft gedaan om zich door het Laurentius-ziekenhuis tijdelijk te laten detacheren naar het Vie Curi-ziekenhuis te [vestigingsplaats] dat zich buiten een straal van 30 km. vanaf zowel [vestigingsplaats] als [vestigingsplaats] bevindt. Ook blijkt MSB collega-radioloog mevrouw [collega-radioloog] probleemloos naar een ziekenhuis in [vestigingsplaats] te hebben laten gaan. Bij dit alles laat het hof nog daar de door [geïntimeerde 1] ingeroepen omstandigheden dat zij voor het behoud van haar BIG-registratie als radioloog is aangewezen op werk in het Laurentius-ziekenhuis vanwege haar sociale belangen als moeder voor haar vijf jonge kinderen met hun sociale omgeving in [woonplaats] , als mantelzorger voor haar alleenstaande moeder en hulpbehoevende schoonmoeder in [plaats] , als echtgenote van haar man die onroerend goed te [woonplaats] exploiteert en dat zowel zij als haar man ook zelf hun roots en sociale omgeving in [woonplaats] hebben.

3.10

Reeds gezien het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat het principaal hoger beroep van MSB wordt verworpen. Nu daarmee de voorwaarde waaronder [geïntimeerde 1] de resterende enige grief in incidenteel hoger beroep instelt niet intreedt, komt het hof niet toe aan een beoordeling van het incidenteel hoger beroep. Het hof zal het beroepen vonnis bekrachtigen voor zover dat ter beoordeling aan het hof voorligt en de (overige) vorderingen in hoger beroep afwijzen. Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof MSB hoofdelijk veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep en [geïntimeerde 1] hoofdelijk in die van het incidenteel hoger beroep, allebei uitvoerbaar bij voorraad en met wettelijke rente. Het hof beslist als volgt.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen vonnis in kort geding voor zover dat ter beoordeling aan het hof voorligt;

veroordeelt MSB en Zuyderland hoofdelijk, met dien verstande dat als en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van het principaal hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] en [de vennootschap] op € 741,-- aan griffierecht en op € 3.222,-- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [de vennootschap] hoofdelijk, met dien verstande dat als en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van MSB en Zuyderland op € 1.611.-- aan salaris advocaat en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag van voldoening;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders in hoger beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en B. Kloppert en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari 2020.

griffier rolraads