Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:701

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
200.245.146_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Contante betaling tandartsrekening. Gestempeld stuk zonder ondertekening geen akte in de zin van artikel 156 lid 1 Rv. Bewijs van betaling opgedragen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 156
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.245.146/01

arrest van 25 februari 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R.E. Teusink te Roosendaal,

tegen:

[Medical Factoring 1] Medical Factoring B.V.,

handelend onder de naam [Medical Factoring 2] Medical Factoring,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 augustus 2018 ingeleide hoger beroep van het door kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, gewezen vonnis van 9 mei 2018 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde en geïntimeerde - Medical Factoring - als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 6552044 CV EXPL 17-5765)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 21 februari 2018.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 2 augustus 2018;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] van 18 december 2018 met producties;

  • -

    de memorie van antwoord van Medical Factoring van 26 maart 2019 met een productie;

  • -

    de akte van [appellant] van 7 mei 2019 met producties;

  • -

    de antwoordakte van Medical Factoring van 4 juni 2019.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[appellant] heeft in 2016 en 2017 bij de tandheelkundige praktijk [de tandheelkundige praktijk] BV te Houten (verder: [de tandheelkundige praktijk] ) een aantal opeenvolgende behandelingen ondergaan, waarbij implantaten zijn geplaatst in zijn boven- en onderkaak. De laatste behandeling heeft plaatsgevonden op 18 januari 2017. [de tandheelkundige praktijk] heeft de behandelingen telkens tussentijds aan [appellant] gefactureerd. [appellant] heeft die facturen van [de tandheelkundige praktijk] steeds voldaan; alleen over de vraag of hij ook de eindfactuur van 18 januari 2017 met factuurnummer [factuurnummer] ten bedrage van € 4.372,61 heeft betaald, is verschil van mening ontstaan. Volgens [de tandheelkundige praktijk] is dat niet het geval, volgens [appellant] heeft hij de factuur op 18 januari 2017 contant betaald. [de tandheelkundige praktijk] heeft haar vordering op [appellant] met betrekking tot deze factuur aan Medical Factoring gecedeerd. Medical Factoring heeft de inhoud ervan met haar nota van 8 juni 2017 (notanummer [notanummer] ) aan [appellant] in rekening gebracht en hem gesommeerd tot betaling ervan, maar [appellant] heeft ook aan Medical Factoring te kennen gegeven dat hij al heeft betaald.

3.2

Bij dagvaarding van 28 november 2017 heeft Medical Factoring de onderhavige procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt Medical Factoring dat [appellant] niet heeft betwist dat de tandheelkundige behandelingen zijn uitgevoerd en dat hij deze dient te betalen. Hij heeft de eindfactuur echter tot dusver niet betaald zodat hij dat alsnog zal moeten doen. Van contante betaling als door [appellant] gesteld, is volgens Medical Factoring geen sprake geweest. Op grond daarvan vordert Medical Factoring, samengevat, veroordeling van [appellant] tot betaling van het bedrag van € 4.372,61 met rente en kosten.

3.3

[appellant] heeft de vordering van Medical Factoring betwist. De behandelingen die op de factuur van 18 januari 2017 zijn vermeld heeft hij diezelfde dag contant aan [de tandheelkundige praktijk] betaald, zoals volgens hem blijkt uit de mededeling op de factuur dat het bedrag reeds is betaald en dat niets te betalen resteert. De betaling blijkt volgens [appellant] ook uit de stempels van [de tandheelkundige praktijk] die op die factuur zijn geplaatst. Medical Factoring heeft dit verweer weersproken. Volgens haar heeft [de tandheelkundige praktijk] onder druk van [appellant] om de behandeling om fiscale redenen in 2016 te situeren deze op 8 december 2016 gezet en het bedrag als betaald vermeld. Zijn toezegging om het bedrag onmiddellijk te voldoen is hij niet nagekomen, aldus Medical Factoring. [appellant] heeft een en ander op zijn beurt betwist.

3.4

Bij tussenvonnis van 21 februari 2018 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald, die op 27 maart 2018 heeft plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 9 mei 2018 heeft de kantonrechter het verweer van [appellant] verworpen en [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.964,82, inclusief buitengerechtelijke incassokosten ad € 562,26 en reeds verschenen wettelijke rente ad € 29,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.934,87 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten; het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3.5

Tegen het eindvonnis van 9 mei 2018 heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. Grief I betreft de verwerping van het verweer van [appellant] tegen de vordering van Medical Factoring. Grief II betreft de daarop gebaseerde beslissing en heeft naast grief I geen zelfstandige betekenis. Tevens vordert [appellant] terugbetaling van hetgeen hij op 29 mei 2018 uit hoofde van het vonnis aan Medical Factoring heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf die datum. Dit betreft een bedrag van in totaal € 5.981,62.

3.6

Bij zijn akte van 7 mei 2019 heeft [appellant] onder meer een brief van 28 maart 2019 van [de tandheelkundige praktijk] aan hem overgelegd. Deze brief betreft een reactie van [de tandheelkundige praktijk] op een klacht van [appellant] bij de ANT (Associatie Nederlandse Tandartsen) over de opbouw van nota’s van [de tandheelkundige praktijk] . In deze brief concludeert [de tandheelkundige praktijk] dat vanwege per abuis dubbel gefactureerde geneeskapjes op nota [factuurnummer] een bedrag van € 280,09 in mindering gebracht moet worden op het bedrag van € 4.372,61 zodat een bedrag van € 4.092,52 overblijft. Volgens [appellant] dient hiermee in de onderhavige procedure rekening gehouden te worden. Volgens Medical Factoring is dat niet het geval omdat de brief de klacht bij de ANT betreft en omdat [appellant] geen grieven heeft gericht tegen de hoogte van de facturen. Dit laatste is op zich juist, maar de brief van [de tandheelkundige praktijk] dateert van na de memorie van grieven, zodat daarin met dit gegeven nog geen rekening gehouden kon worden. De omstandigheid dat de correctie van nota [factuurnummer] in de klachtprocedure bij de ANT aan de orde is gekomen betekent niet dat dit geen consequenties kan hebben voor de onderhavige procedure. Hierin vordert Medical Factoring immers het volledige factuurbedrag van € 4.372,61 terwijl inmiddels is gebleken dat dit bedrag € 4.092,52 moet zijn.

3.7

Het gaat in deze zaak verder alleen om de vraag of [appellant] al dan niet de eindfactuur van 18 januari 2017 met factuurnummer [factuurnummer] heeft voldaan door contante betaling op die dag. De gevorderde en toegewezen wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten zijn door [appellant] niet afzonderlijk aangevochten. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] op zich gehouden is tot betaling van die factuur (afgezien van de hiervoor vermelde correctie) en dat het op zijn weg ligt om zijn bevrijdend verweer dat die betaling reeds heeft plaatsgevonden, tegenover de betwisting door Medical Factoring, te bewijzen. [appellant] heeft hiertoe aangevoerd dat de betaling blijkt uit de vermelding op de factuur door [de tandheelkundige praktijk] dat het bedrag is voldaan (productie 7 conclusie van antwoord) en uit schriftelijke verklaringen van hemzelf en van zijn echtgenote (productie 15 bij conclusie van antwoord en producties 12 en 13 bij memorie van grieven). Medical Factoring heeft een en ander betwist en daartoe overgelegd een aantal schriftelijke verklaringen van de behandelend tandarts, twee tandartsassistentes en de eigenaresse van [de tandheelkundige praktijk] (producties ten behoeve van de comparitie van partijen in eerste aanleg).

3.8

Met betrekking tot de bewijskracht van de hem verstrekte factuur stelt [appellant] zich op het standpunt dat deze is te beschouwen als een onderhandse akte die bewijs oplevert van de betaling door [appellant] . Artikel 156 lid 1 Rv bepaalt dat een onderhandse akte een ondertekend geschrift moet zijn, maar in dit geval is het feit dat de factuur op zes plaatsen is gestempeld te beschouwen als ondertekening of daarmee of met een parafering gelijk te stellen. Medical Factoring betwist dit, onder verwijzing in haar antwoordakte naar (de conclusie voor) HR 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:641). Het hof stelt vast dat de factuur niet is ondertekend met een handtekening of paraaf. Het stuk is daarmee geen ondertekend geschrift in de zin van artikel 156 lid 1 Rv zodat de daaraan verbonden bewijskracht ook niet van toepassing is. Voor gelijkstelling van de aanwezigheid van stempels met een ondertekening is in wet of jurisprudentie geen steun te vinden. Het stuk heeft de gewone bewijskracht die aan schriftelijke stukken toekomt. De omstandigheid dat op de factuur is vermeld dat het bedrag is betaald, betekent op zich nog niet dat daarmee de gestelde contante betaling is bewezen. Voor die vermelding is door Medical Factoring een verklaring gegeven die wordt ondersteund door schriftelijke verklaringen van de medewerkers van [de tandheelkundige praktijk] .

3.9

Met de overgelegde producties heeft [appellant] de door hem gestelde betaling vooralsnog niet bewezen. Hij heeft in hoger beroep nader bewijs aangeboden. Medical Factoring meent dat [appellant] niet tot bewijs behoeft te worden toegelaten, maar het hof volgt dat standpunt niet. Het hof zal [appellant] toelaten te bewijzen dat hij de eindfactuur van 18 januari 2017 met factuurnummer [factuurnummer] heeft voldaan door contante betaling op die dag aan de balie van [de tandheelkundige praktijk] . Wanneer [appellant] erin slaagt dit bewijs te leveren zal de vordering van Medical Factoring worden afgewezen en zal de ongedaanmakingsvordering van [appellant] worden toegewezen. Wanneer [appellant] daar niet in slaagt zal het eindvonnis van 9 mei 2018 worden bekrachtigd met uitzondering van het bedrag van € 280,09 dat hiervoor in rechtsoverweging 3.6 is besproken.

3.10

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe te bewijzen dat hij de eindfactuur van 18 januari 2017 met factuurnummer [factuurnummer] heeft voldaan door contante betaling op die dag aan de balie van [de tandheelkundige praktijk] ;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. S.M.A.M. Venhuizen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 10 maart 2020 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] ten minste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, L.S. Frakes en E.H. Schulten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari 2020.

griffier rolr