Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:700

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
200.242.870_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1301
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aannemingsovereenkomst. Klachten over deugdelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.242.870/01

arrest van 25 februari 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

verder: [appellant] ,

advocaat: mr. A. Praat te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam [Aannemingsbedrijf] Aannemingsbedrijf,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verder: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.C.F. Berkhof te Goes,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 4 september 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer/rolnummer 5669743 / 17-487 tussen partijen gewezen eindvonnis van 21 februari 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 4 september 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 15 november 2018 waarbij geen minnelijke regeling van het geschil is bereikt;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] van 5 maart 2019 met producties;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 14 mei 2019 met producties;

  • -

    de akte van [appellant] van 25 juni 2019;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 30 juli 2019.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest van 4 september 2018 en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1

In het eindvonnis van 21 februari 2018 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan (r.o. 1.1 en 1.2). De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

  1. In de periode van maart tot begin juli 2015 heeft [geïntimeerde] in opdracht en voor rekening van [appellant] bouwwerkzaamheden uitgevoerd bestaande uit de verbouw van een keuken in en de bouw van een aanbouw (een slaapkamer met badkamer) aan de woning van [appellant] aan de [adres] in [plaats] . De aannemingsovereenkomst is mondeling gesloten.

  2. De werkzaamheden zijn uitgevoerd op basis van de door [geïntimeerde] op 20 respectievelijk 21 september 2014 uitgebrachte offertes (nrs. [offerte 1] , [offerte 2] , [offerte 3] en [offerte 4] ) en een bouwtekening van de door [appellant] ingeschakelde architect ir. [de architect] .

  3. [geïntimeerde] heeft na afronding van de werkzaamheden op 11 juli 2015 aan [appellant] een eindafrekening gestuurd met een totaalbedrag van € 9.520,15. Dit bedrag heeft [appellant] niet betaald.

  4. Bij brief van 15 juli 2015 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] een aantal bezwaren over de uitvoering van de werkzaamheden kenbaar gemaakt. Bij brief van 21 juli 2015 heeft [geïntimeerde] de bezwaren van [appellant] bestreden en aangedrongen op betaling. Bij brief van 26 augustus 2015 heeft de gemachtigde van [appellant] [geïntimeerde] aangeschreven over de uitvoering van de werkzaamheden en daarbij onder meer melding gemaakt van de fundering en de toepassing van houtskeletbouw.

  5. Op verzoek van [appellant] heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, bij beschikking van 8 februari 2016 een voorlopig deskundigenonderzoek bepaald en de heer S. de Nooijer als deskundige benoemd.

  6. De deskundige heeft op 26 augustus 2016 een rapport uitgebracht over de kwaliteit van de werkzaamheden van [geïntimeerde] en de 24 klachten van [appellant] daarover. Volgens de deskundige heeft [geïntimeerde] de werkzaamheden redelijk uitgevoerd. De herstelkosten heeft hij begroot op in totaal € 7.050,=. De waarde van het uitgevoerde werk heeft de deskundige geraamd op ongeveer € 63.850,=.

6.2

Bij dagvaarding van 14 januari 2017 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat hij de werkzaamheden overeenkomstig de hem verstrekte opdracht heeft uitgevoerd en dat [appellant] ten onrechte de eindafrekening van 11 juli 2015 onbetaald heeft gelaten. In conventie vordert hij betaling van deze factuur met rente en kosten.

[appellant] heeft deze vordering bestreden. Volgens hem heeft [geïntimeerde] de werkzaamheden op een groot aantal punten niet volgens afspraak en niet deugdelijk uitgevoerd. In verband hiermee vordert [appellant] in reconventie, samengevat, veroordeling van [geïntimeerde] primair tot nakoming met machtiging van [appellant] om dat op kosten van [geïntimeerde] zelf te (doen) bewerken met betaling van een bedrag van € 126.918,56 als voorschot op de kosten, subsidiair tot betaling van dat bedrag, met rente, als schadevergoeding en meer subsidiair tot betaling van een bedrag van € 7.042,35, met rente, als schadevergoeding. Daarnaast vordert [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 2.358,90 en tot terugbetaling van € 1.592,50, beide bedragen met rente, en tot betaling van € 2.628,= .

[geïntimeerde] heeft deze vorderingen van [appellant] op zijn beurt bestreden.

6.3

Bij tussenvonnis van 29 maart 2017 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald die op 6 juli 2017 heeft plaatsgevonden.

Bij tussenvonnis van 29 november 2017 heeft de kantonrechter [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een eiswijziging en producties van [appellant] .

Bij eindvonnis van 21 februari 2018 heeft de kantonrechter in conventie [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.006,40 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot de dag van betaling, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en met afwijzing van het meer of anders gevorderde. In reconventie heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.845,= vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 maart 2018 tot de dag van betaling, en tot betaling van een bedrag van € 725,= met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

6.4

De gedeeltelijke afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] in conventie betreft een optelfout van € 40,= en niet verschuldigde kosten in de eindafrekening van € 6.473,65, zodat een bedrag van € 3.006,40 als toewijsbaar resteerde.

In reconventie betreft het bedrag van € 725,= kosten van de deskundige en betreft het bedrag van € 5.845,= herstelkosten die toewijsbaar zijn geoordeeld.

Tegen de gedeeltelijke afwijzing van zijn vorderingen in conventie en tegen de gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen van [appellant] in reconventie heeft [geïntimeerde] niet (incidenteel) geappelleerd. Wat hem betreft dient het eindvonnis van 21 februari 2018 bekrachtigd te worden.

[appellant] heeft in zijn memorie van grieven geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot alsnog toewijzing van zijn vorderingen in reconventie, zoals hiervoor in 6.2 samengevat. Hij heeft tegen het vonnis vijf grieven aangevoerd. In zijn akte van 25 juni 2019 verzoekt [appellant] bepaling van een (aanvullend) deskundigenonderzoek. [geïntimeerde] heeft daar in zijn antwoordakte van 30 juli 2019 bezwaar tegen gemaakt.

6.5

De eerste grief van [appellant] betreft de verwerping van het verweer van [appellant] tegen de vordering van [geïntimeerde] in conventie met betrekking tot de post meerwerk voor de verlenging van de aanbouw met anderhalve meter. Volgens [appellant] is hiervoor in een ongedateerde offerte van [geïntimeerde] die in eerste aanleg als productie 25 bij conclusie van antwoord is overgelegd een bedrag van € 6.700,= opgenomen. Het totaalbedrag van die offerte maakt deel uit van de eindafrekening. Volgens [appellant] is de aanbouw niet met anderhalve meter verlengd, maar met een meter zodat [geïntimeerde] niet meer dan 2/3 van het bedrag van € 6.700,= in rekening had mogen brengen, ofwel € 4.466,67.

6.6

[geïntimeerde] betwist dit verweer van [appellant] . De productie waar [appellant] zich op beroept betreft volgens [geïntimeerde] geen offerte maar een overzicht waar [appellant] begin juli 2015, toen het werk bijna klaar was, om gevraagd heeft. In de eindafrekening is een bedrag van € 5.000,= in mindering gebracht met de omschrijving ‘Te veel gerekend 1m extra’ terwijl daarnaast voor het gehele werk een bedrag van € 3.000,= als te veel betaald in mindering is gebracht, aldus [geïntimeerde] . Deze eindafrekening heeft [geïntimeerde] als productie 4 bij zijn memorie van antwoord overgelegd. [appellant] heeft in zijn akte van 25 juni 2019 gesteld dat deze productie hem niet bekend is en dat hij uitgaat van de grotendeels gelijkluidende ongedateerde afrekening die hij in eerste aanleg als productie 26 bij conclusie van antwoord heeft overgelegd.

6.7

Wat dit laatste betreft overweegt het hof het volgende. Bij dagvaarding in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] als productie 6 de eindafrekening van 11 juli 2015 overgelegd die hij thans bij memorie van antwoord opnieuw als productie 4 heeft overgelegd. In het eindvonnis van 21 februari 2018 is de eindafrekening bij de feiten vermeld (r.o. 1.1). Tegen deze vermelding heeft [appellant] geen grief gericht, zodat van de juistheid ervan uitgegaan dient te worden. Het hof gaat daarom voorbij aan het eerst thans door [appellant] ingenomen standpunt dat deze factuur hem niet bekend is. Aan dat standpunt heeft [appellant] overigens in de conclusie van zijn memorie van grieven geen consequenties verbonden.

6.8

Uitgaande van deze eindafrekening van 11 juli 2015 kan niet staande worden gehouden dat [geïntimeerde] voor de verlenging van de aanbouw uiteindelijk een te hoog bedrag in rekening heeft gebracht. Ook indien het bedrag van € 6.700,= voor een verlenging van een meter te hoog geweest zou zijn, is dit door de verrekening op de eindafrekening ongedaan gemaakt. Afgezien daarvan kan worden vastgesteld dat de deskundige in zijn voorlopig deskundigenbericht de kosten van de verlenging van de aanbouw heeft geraamd op een bedrag dat ruim hoger is dan € 6.700,=. Alles bij elkaar heeft [appellant] zijn verweer dat [geïntimeerde] voor de verlenging van de aanbouw te veel in rekening heeft gebracht niet genoegzaam onderbouwd zodat dit verweer als onvoldoende gemotiveerd wordt verworpen. Grief I treft daarom geen doel. Hetzelfde geldt voor grief II die zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter dat in conventie een bedrag van € 3.006,40 toewijsbaar is, aangezien deze grief voortvloeit uit hetgeen [appellant] bij zijn eerste grief heeft aangevoerd en daarnaast geen zelfstandige betekenis heeft. Grief III betreft de proceskostenveroordeling in conventie. In zijn toelichting op deze grief stelt [appellant] alleen dat de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] had moeten afwijzen. Dat is, zoals gezegd, niet het geval zodat ook deze grief wordt verworpen.

6.9

Grief IV betreft de fundering van de aanbouw die anders is uitgevoerd dan op de bouwtekening van ir. [de architect] is opgenomen. De kantonrechter heeft hierover in het eindvonnis van 21 februari 2018 onder meer geoordeeld dat [appellant] niet (gemotiveerd) heeft gesteld dat de fundering die [geïntimeerde] heeft aangebracht niet deugdelijk is en dat dit ook niet blijkt uit het rapport van de deskundige. In zoverre kan dan ook niet gesproken worden van een gebrek, aldus het oordeel van de kantonrechter.

Grief V betreft het aanbrengen van houtskelet binnenwanden in plaats van Ytong binnenwanden, zoals in de offerte van [geïntimeerde] bedoeld met de term Iton. De kantonrechter heeft hierover in het eindvonnis van 21 februari 2018 onder meer geoordeeld dat [geïntimeerde] door de toepassing van houtskelet binnenwanden niet tekortgeschoten is aangezien daarvan is uitgegaan in de bouwtekening die aan hem is verstrekt en de deskundige dit een goede constructie acht.

6.10

De kwesties die [appellant] met deze twee grieven aan de orde stelt maken deel uit van zijn reconventionele vordering. Met het oog op de beoordeling van deze grieven dient allereerst vastgesteld te worden wat precies de inhoud van de overeenkomst is met betrekking tot de fundering en de toepassing van bouwskelet binnenwanden. [appellant] verwijst in dit verband naar de rapportages van SAP van 18 maart 2013 en van Stichting Revant van 11 september 2014 (memorie van grieven 12 respectievelijk 13). Deze rapportages maken evenwel geen deel uit van de overeenkomst die [appellant] met [geïntimeerde] heeft gesloten. Uitgangspunt voor de overeenkomst zoals deze uiteindelijk uitgevoerd diende te worden was volgens [geïntimeerde] de tekening van architect [de architect] , die uitging van houtskelet binnenwanden, met dien verstande dat vanwege de afwijking van die tekening ten aanzien van de kruipruimte de fundering beperkt kon worden tot het gedeelte dat [geïntimeerde] heeft uitgevoerd. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de fundering overeenkomstig de tekening van architect [de architect] aangebracht zou worden en dat de binnenwanden met Ytong blokken uitgevoerd hadden moeten worden. Op [appellant] als eisende partij rust tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [geïntimeerde] de bewijslast van deze stellingen. Dat bewijs heeft hij vooralsnog niet geleverd. Het hof zal hem overeenkomstig zijn bewijsaanbod tot bewijslevering toelaten.

6.11

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe te bewijzen dat tussen partijen is overeengekomen dat de fundering overeenkomstig de tekening van architect [de architect] aangebracht zou worden en dat de binnenwanden met Ytong blokken uitgevoerd zouden worden;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. P.W.A. van Geloven als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 10 maart 2020 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] ten minste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A.E.M. Hulskes, L.S. Frakes en P.W.A. van Geloven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari 2020.

griffier rolraadsheer