Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:681

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
20-002527-18 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met het ingestelde cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0357
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002527-18

Uitspraak : 19 februari 2020

TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 26 juli 2018 in de strafzaak met parketnummer

01-860557-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar] 1950,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] geheel zal toewijzen tot een bedrag van

€ 6.552,73, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel (met 67 dagen gijzeling bij niet betaling).

De verdediging heeft:

 primair integrale vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde bepleit;

 subsidiair bepleit bij het onder 2 ten laste gelegde de pleegperiode in te korten van maart 2015 tot augustus 2015;

 in geval van een veroordeling, verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name met zijn gezondheidstoestand;

 ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij primair verzocht om de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair de vordering af te wijzen en meer subsidiair de vordering, met name de immateriële schade, te matigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van [pleegperiode] te Nuenen, gemeente Nuenen ca., in elk geval in Nederland, (telkens) met zijn minderjarig kind, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (telkens) zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van [pleegperiode] te Nuenen, gemeente Nuenen ca., in elk geval in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] ), bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer] heeft betast en/of gestreeld en/of (daarbij) zijn penis heeft ontbloot en/of die penis in zijn hand(en) heeft genomen en/of heeft afgetrokken;


2.
hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van [pleegperiode] te Nuenen, gemeente Nuenen ca., in elk geval in Nederland, (telkens) met zijn minderjarig kind, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (telkens) zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van [pleegperiode] te Nuenen, gemeente Nuenen ca., in elk geval in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] ), bestaande die ontucht (telkens) hierin dat hij de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer] heeft betast en/of gestreeld en/of (daarbij) zijn penis heeft ontbloot en/of die penis in zijn hand(en) heeft genomen en/of heeft afgetrokken.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Uit de zich in het dossier bevindende geboorteakte van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) blijkt dat verdachte haar vader is en dat zij op [geboortedatum] is geboren. Op [datum] heeft [slachtoffer] derhalve de leeftijd van twaalf jaren bereikt. Uit de verklaringen van [slachtoffer] heeft het hof afgeleid dat verdachte ontuchtige handelingen met haar zou hebben gepleegd toen zij in groep 7 of groep 8 van de basisschool zat en dat dit ongeveer een half jaar zou hebben geduurd. Volgens de verklaring die [slachtoffer] bij gelegenheid van het doen van haar aangifte heeft afgelegd, zou verdachte hiermee aan het einde van het schooljaar van groep 8 zijn gestopt. Gelet op de aanvullende informatie omtrent de schoolgang van [slachtoffer] , volgt dat zij in het schooljaar 2015-2016 in groep acht heeft gezeten, zodat het einde van het schooljaar van groep acht in de zomer van 2016 viel. [slachtoffer] was toen 13 jaar oud. In haar aanvullende verhoor heeft [slachtoffer] verklaard dat de ontuchtige handelingen al zouden zijn gestopt aan het begin van groep 8, nog vóór haar dertiende verjaardag.

Met de rechtbank stelt het hof vast dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat waaruit de precieze begindatum (noch einddatum) van de ontuchtige handelingen onomstotelijk kan worden afgeleid. Op grond van de thans voorliggende bewijsmiddelen kan derhalve niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de ontuchtige handelingen van verdachte met zijn dochter [slachtoffer] ook hebben plaatsgevonden in de periode gelegen vóór haar twaalfde verjaardag. Net als de rechtbank, acht het hof daarom niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van [pleegperiode] te Nuenen, gemeente Nuenen ca., met zijn minderjarig kind, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht,

en

hij in de periode van [pleegperiode] te Nuenen, gemeente Nuenen ca., telkens ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, genaamd [slachtoffer] (geboren [geboortedatum] ), bestaande die ontucht hierin dat hij de vagina of schaamstreek van die [slachtoffer] heeft betast en/of gestreeld en daarbij zijn penis heeft ontbloot en die penis in zijn hand heeft genomen en heeft afgetrokken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In de hieronder opgenomen bewijsmiddelen ten aanzien van de bewijsmotivering van feit 2 wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche Zeden, onderzoek OBRBC17115 ‘Bergwerk’, zaaknummer: 2017162412, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 22 november 2017 door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent en gecertifieerd zedenrechercheur van politie, met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, doorgenummerde dossierpagina’s 1-139.

1. Een schriftelijk bescheid, te weten een akte van geboorte, uitgegeven door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Eindhoven, d.d. 19 oktober 2017, dossierpagina 111, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

KIND

Geslachtsnaam: [slachtoffer]

Voornamen: [slachtoffer]

Dag van geboorte: [geboortedatum]

OUDERS

Geslachtsnaam vader: [verdachte]

Voornamen vader: [verdachte]

2. Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , dossierpagina’s 39-50, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:

Opmerking hof: V = vraag verbalisant(en), A = antwoord aangeefster.

(pagina 43)

V: Wanneer is de vader-dochter band veranderd?

A: Zag maar de eerste keer toen het gebeurde. Daarna voelde ik me niet echt meer fijn.

V: Wat is er dan gebeurd?

A: Hij (het hof begrijpt: [verdachte] ) heeft aan mijn vagina gezeten. Hij heeft zijn piemel laten zien. En zeg maar gewreven over zijn piemel.

V: Hoe oud was je ongeveer toen dit begon?

A: (…) twaalf jaar.

V: Weet je nog in welke klas je zat?

A: Zeg maar in groep zeven à acht.

V: Hoe vaak is dat dan gebeurd dat hij aan je vagina zat?

A: Wekelijks.

V: En hoe vaak is het gebeurd dat hij zijn piemel liet zien en erover heen wreef?

A: Hij zat zeg maar meer aan mijn vagina dan dat hij zijn piemel liet zien.

V: Tot welke leeftijd heeft het geduurd?

A: Twaalf jaar ongeveer.

V: Welke klas zat je toen het stopte?

A: (…) Groep acht.

V: Waar is het allemaal gebeurd?

A: Gewoon bij hem thuis.

V: Waar woont hij?

A: [adres] .

V: Is er een keer die jij je nog het allerbeste kunt herinneren om wat voor reden dan ook?

A: Ja.

V: Kun je me precies vertellen hoe die keer ging?

A: Ik ging naar hem toe en ging tv kijken. Hij deed de deuren dicht, want niemand mocht het zien. Toen heeft papa mijn broek en onderbroek uitgedaan. Toen heeft hij aan mijn vagina gezeten.

(pagina 44)

V: Wat deed hij dan?

A: Zeg maar met zijn vinger over mijn vagina. Een beetje erlangs. En dat deed hij dan tussen de vijftien minuten en half uur ongeveer. Daarna deed hij maar gewoon weer mijn broek en mijn onderbroek aan.

V: Wanneer is dit gebeurd?

A: Het heeft wel zeg maar ongeveer een half jaar geduurd.

V: Waarmee heeft hij aan je vagina gezeten?

A: Hij deed dat met zijn hand.

V: Wat raakte hij allemaal aan van je vagina?

A: Zeg maar in het midden zo er overheen. Aan de voorkant. Een beetje met zijn hand glijden. Heen en weer.

V: Wie waren er verder in huis die keer?

A: Ik alleen met papa.

(pagina 45)

A: (…) Hij zei er nooit iets over en ook niet waarom hij dit deed. Dit heeft hij nooit verteld.

V: Heb je het hem wel ooit gevraagd?

A: Ik heb het hem wel toen gevraagd maar toen zei hij dat dit tussen ons bleef. (…) Ik vroeg waarom hij aan mijn vagina zat, maar hij antwoordde niet echt terug. Alleen dat het tussen ons bleef.

V: Zijn er andere dingen gebeurd nog dan over jouw vagina wrijven?

A: Die drie dingen. Was zeg maar I keer, toen ik bij hem ging logeren, papa had een tweepersoonsbed. Toen sliepen we een keer samen. Ik sliep al. Toen heeft hij in de nacht ook aan mijn vagina gezeten.

V: Wat deed hij toen die nacht precies bij jouw vagina?

A: Toen deed hij ook mijn onderbroek naar beneden. Na tien of vijf minuten heb ik zijn hand weggedaan, omdat ik dit niet meer wilde.

V: Wat deed hij dan met zijn hand?

A: Hetzelfde als wat hij ook deed op de bank, maar dit was nog voordat het gebeurde op de bank.

V: Wat bedoel je er dan mee?

A: Hij had zeg maar gewreven.

V: Is hij wel of niet met zijn vinger in jouw vagina geweest?

A: Wel.

V: Hoe vaak is dat dan gebeurd?

A: Een paar keer. Tussen de één en twee keer.

V: Wat kun jij je daar nog van herinneren dan?

A: Hij ging toen met zijn vinger in zo'n gat of zo. Ik weet niet hoe dat heet. Dat is zeg maar als je naar beneden zo'n gat volgens mij. Ik voelde wel dat hij zijn vinger er wel in deed zeg maar.

V: Maar kun je daarmee poepen, eten of plassen of iets anders?

A: Plassen volgens mij.

(pagina 46)

V: Waar zit het precies?

A: Zeg maar in het midden van de vagina.

V: Wat deed hij dan met zijn vinger?

A: Zeg maar erin en dan weer eruit. En dan weer erin even en dan weer eruit en dat dan een paar keer.

V: Hoe voelde dat?

A: (…) wel een beetje pijn. Als hij te ver ging dan voelde ik dat wel. Een soort pijn uit de vagina.

V: Waar was je toen dat gebeurde?

A: Ook bij hem thuis en ook op de bank.

V: Maar dit is een andere keer als waar je net over verteld hebt?

A: Ja.

V: Weet je nog met welke vinger hij in je vagina ging?

A: Dat weet ik niet meer.

V: Met hoeveel vingers?

A: Met een en soms met twee.

V: Wat zeg je daar dan van als hij met zijn vinger in je vagina ging?

A: Ik durfde niks te zeggen.

V: Je vertelde ook dat hij zijn piemel liet zien. Hoe vaak is dat gebeurd?

A: Dat deed hij af en toe.

V: Wat deed hij dan precies?

A: Dan deed hij zijn onderbroek naar beneden. Hij deed hem maar even laten zien, zijn piemel. Daarna deed hij zijn onderbroek en gewone broek weer aan.

V: Op welk moment deed hij dit?

A: Toen deed hij ook de deuren dicht. Toen lag ik op de bank tv te kijken. Hij zat naast mij. Toen ging hij voor me staan op een afstandje. Toen liet hij zijn piemel aan mij zien.

(pagina 47)

V: Je zegt ook dat hij er ook overheen wreef. Wat doet hij dan?

A: Zeg maar glijden. Heen en weer met zijn hand over zijn piemel.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige, dossierpagina’s 51-60, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van de getuige [getuige] :

(pagina 56)

Ik herinner mij nu dat ik [slachtoffer] ooit een keer gevraagd had of haar vader haar ooit op rare plekken knuffelde of dat hij tijdens het knuffelen ooit ‘mispakte’. (…) [slachtoffer] zei toen dat zij een keer geschrokken was dat papa met zijn hand in haar broek zat toen zij bij hem in bed lag.

Die avond, volgens mij op 13 juli 2017, kreeg ik een berichtje van [slachtoffer] . In dat berichtje aan mij stond te lezen “Ik was niet helemaal eerlijk in de auto. Papa heeft enkele keren aan mijn vagina gezeten en het stomste is nog dat ik het heb laten gebeuren... want ik wist niet hoe ik stop moest zeggen, want ik had zo’n gevoel van het moet van papa en het is 2 of 3 jaar geleden gebeurd. De reden dat ik het nu pas zeg is omdat het van papa tussen ons moest blijven en achteraf denk ik zo: Ik wilde het helemaal niet!!! en had het helemaal niet zo gewild.”

De volgende dag heb ik met [slachtoffer] uitgebreid daarover gesproken. Zij vertelde mij dat het over een langere periode had afgespeeld en wel een paar keer per week. Dat het op de bank gebeurde dat hij haar broekje uittrok en zijn eigen broek ook. Dat hij dan haar bewerkte en ook met zijn vinger naar binnen ging. Dat hij dan zijn eigen penis vasthield. Met ‘dat hij haar bewerkte’ bedoel ik dat hij aan haar vagina zat en met zijn vinger naar binnen ging, vertelde [slachtoffer] .

(pagina 57)

[slachtoffer] zei dat hij wel alle deuren dicht deed. Ik vroeg toen of hij dit zomaar deed zonder iets te zeggen? [slachtoffer] zei dat dit dan gewoon gebeurde en dat er niets gezegd werd.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 juli 2018, voor zover – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte [verdachte] :

(pagina 2)

Ik heb mijn dochter een paar keer met de buitenkant van mijn hand bij haar kruis aangeraakt. ( ... ) Zij was toen naakt.

(pagina 3)

Ik ben ook op haar gaan liggen. Ik heb haar (het hof begrijpt: [slachtoffer]) twee keer een zoen op haar mond gegeven.

5. Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL2100-2017162412-23, op 6 augustus 2019 in de wettige vorm opgemaakt en gesloten door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent en gecertifieerd zedenrechercheur van politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Thematische Opsporing, Team Zeden, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als bevindingen en verklaring van voornoemde verbalisant:

Op 5 augustus 2019 heb ik een e-mail ontvangen van de oma van [slachtoffer] (het hof begrijpt: [getuige]). Kort samengevat staat hier in:

[slachtoffer] heeft op basisschool [school] (speciaal onderwijs) gezeten.

 Groep 7 was schooljaar 2014/2015 – [slachtoffer] was toen 11 jaar (het hof begrijpt: [slachtoffer] was 11 jaar bij aanvang van het schooljaar en werd halverwege het schooljaar, op [datum] , 12 jaar oud);

 Groep 8 was schooljaar 2015/2016 – [slachtoffer] was toen 12 jaar (het hof begrijpt: [slachtoffer] was 12 jaar bij aanvang van het schooljaar en werd halverwege het schooljaar, op [datum] , 13 jaar oud).

Aansluitend hierop is ze gegaan naar de brugklas VMBO op [school] .

6. Het proces-verbaal van verhoor aangeefster, proces-verbaalnummer PL2100-2017162412-22, op 11 september 2018 in de wettige vorm opgemaakt en gesloten door verbalisant [verbalisant] en verbalisant [verbalisant] , beiden hoofdagent en gecertifieerd zedenrechercheur van politie Eenheid Oost-Brabant, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Thematische Opsporing, Team Zeden, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer] :

Opmerking hof: V = vraag verbalisant(en), A = antwoord aangeefster.

V: Jij hebt in 2017 aangifte gedaan tegen je vader van seksueel misbruik. Wanneer is dit begonnen? (…) Kun je vertellen op welke school je zat.

A: Toen ik naar de middelbare school ging was het al afgelopen. Het moest zijn geweest in groep 7 of 8.

V: Toen jij het kamp had van school, aan het begin van groep 8, gebeurde het toen al met papa?

A: Toen was het al gebeurd. Toen was het al klaar.

V: Hoe oud was je toen je op schoolkamp ging?

A: Ik was 12 jaar. (…) Het schoolkamp was voor mijn verjaardag (het hof begrijpt: voor haar dertiende verjaardag op [datum]). (…) Ik ben 13 geworden in groep 8 en 12 in groep 7.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Verdachte heeft ontkend dat hij met zijn minderjarige dochter handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De verklaring die [slachtoffer] daarover heeft afgelegd is onbetrouwbaar, want zij heeft haar verhaal niet spontaan (tegen haar oma) gedaan en mogelijk is zij tijdens het verhoor zelfs in haar antwoorden gestuurd (door haar moeder). De de-auditu verklaring van de getuige [getuige] kan evenmin bijdragen aan het bewijs. Deze verklaring dient als zijnde twijfelachtig ter zijde te worden geschoven. Mocht het hof al komen tot een bewezenverklaring, dan dient in elk geval de pleegperiode te worden ingekort van [pleegperiode] .

Het hof overweegt hieromtrent als volgt

Betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] Viveen en getuige [getuige]

Met de rechtbank, acht het hof de kern van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen betrouwbaar en daarmee geloofwaardig, onder meer vanwege het gedetailleerde en authentieke karakter daarvan. Het hof wijst in dit kader bijvoorbeeld op de verklaring van [slachtoffer] ziende op het door verdachte met zijn vinger binnendringen in haar vagina (“Hij ging toen met zijn vinger in zo’n gat of zo. Ik weet niet hoe dat heet. Dat is zeg maar als je naar beneden zo’n gat volgens mij. Ik voelde wel dat hij zijn vinger er wel in deed zeg maar.”, “Zeg maar in het midden van de vagina. en “Als hij te ver ging dan voelde ik dat wel. Een soort pijn uit de vagina.”). Kleine inconsistenties in haar verklaringen doen geen afbreuk aan de betrouwbaarheid daarvan, temeer nu verdachte in eerste aanleg zelf ook heeft bevestigd dat hij zijn dochter met zijn hand bij haar kruis heeft aangeraakt en dat hij een aantal keren met haar heeft gezoend. De verklaringen van [slachtoffer] komen het hof dan ook oprecht en betrouwbaar voor, juist vanwege het gedetailleerde karakter daarvan. Bovendien vinden de verklaringen van [slachtoffer] steun in de verklaring van getuige [getuige] , haar oma.

Het hof heeft ook geen reden om aan de verklaring van getuige [getuige] te twijfelen. Ook zij verklaart op authentieke wijze over hetgeen [slachtoffer] haar heeft verteld.

Anders dan de verdediging, acht het hof de verklaringen van [slachtoffer] en haar oma betrouwbaar een bruikbaar voor het bewijs.

Gezien het voorgaande hecht het hof dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij, toen hij met [slachtoffer] in bed lag, dacht dat zijn vriendin naast hem lag en dat hij [slachtoffer] bij haar kruis heeft aangeraakt omdat zij zijn hand naar haar kruis heeft gebracht. Uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt juist dat er wel degelijk sprake is geweest van het – opzettelijk – plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer] waaronder het seksueel binnendringen.

Seksueel binnendringen

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, acht het hof bewezen dat sprake is geweest van handelingen van verdachte die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn minderjarige dochter [slachtoffer] .

Verdachte heeft ontkend dat sprake is geweest van seksueel binnendringen. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij het ontblote kruis van [slachtoffer] enkele malen heeft aangeraakt met de buitenkant van zijn hand.

Volgens vaste jurisprudentie valt elke vorm van seksueel binnendringen in het lichaam met een seksuele strekking onder de reikwijdte van (onder meer) de artikelen 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht. De bedoeling van de bepaling is het beschermen van de (seksuele) integriteit van het lichaam. Het passeren van de schaamlippen in de buurt van de clitoris met de vingers is een seksuele handeling die als een ingrijpende aantasting van de lichamelijke integriteit wordt ervaren en als seksueel binnendringen van het lichaam kan worden aangemerkt, zoals bedoeld in voornoemde wetsartikelen.

Voor het antwoord op de vraag of sprake is geweest van het seksueel binnendringen van of in de vagina is daarom niet bepalend of verdachte met zijn vinger(s) al dan niet (letterlijk) in de schede van zijn dochter is geweest. Ook in het geval van het wrijven over of het aanraken van de vagina, in de buurt van de clitoris, is er in juridisch opzicht sprake van seksueel binnendringen. Het hof acht dit derhalve, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen.

Pleegperiode

In aanmerking nemend hetgeen het hof reeds ten aanzien van de pleegperiode van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft overwogen, acht het hof ten aanzien van feit 2 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – kort gezegd – ontuchtige handelingen met zijn minderjarige dochter [slachtoffer] heeft gepleegd gedurende een periode van ongeveer een half jaar, gelegen in de periode van [pleegperiode] . Gelet op de verklaringen van [slachtoffer] , in onderling verband en samenhang beschouwd met de aanvullende informatie over de schoolgang van [slachtoffer] , volgt dat het misbruik ergens na haar twaalfde verjaardag op [datum] moet zijn begonnen en aan het begin van groep 8, en daarmee in de tweede helft van 2015, is geëindigd.

Het hof verwerpt het verweer van de verdediging derhalve in al zijn onderdelen en acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam en het feit begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd,

en

ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zijn minderjarige dochter gedurende een periode van ongeveer een half jaar meerdere malen seksueel misbruikt. Zij was op dat moment pas twaalf jaar oud. Verdachte heeft door zijn handelen op ernstige wijze het vertrouwen van zijn dochter in hem beschaamd, kennelijk louter ten behoeve van het bevredigen van zijn eigen lustgevoelens. In plaats van zijn dochter bescherming en geborgenheid te bieden, heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en haar persoonlijke levenssfeer. Het behoeft geen betoog dat hetgeen verdachte heeft gedaan zeer verwerpelijk is. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik van jonge minderjarigen bij hen tot ernstige psychische schade kan leiden als ook tot een verstoring van de eigen seksuele ontwikkeling. Uit de namens [slachtoffer] opgestelde schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit ook voor haar geldt.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij ook rekening gehouden met:

 de houding van verdachte, in die zin dat hij in het geheel geen schuldbesef heeft getoond, het initiatief voor de seksuele handelingen telkens bij zijn toen pas 12-jarige dochter heeft gelegd en geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen voor zijn handelen;

 de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2019, niet eerder ter zake van een zedendelict onherroepelijk is veroordeeld, zodat verdachte in dit geval als first offender dient te worden beschouwd;

 de omstandigheid dat uit voornoemd Uittreksel volgt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is;

 de ouderdom van het bewezen verklaarde.

De verdediging heeft het hof verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte lijdende is aan kanker en dat hij zich in de terminale fase van die ziekte bevindt. Door de verdediging is deze omstandigheid echter niet met stukken onderbouwd, zodat het hof daarmee geen rekening zal houden. Nu verdachte geen medewerking heeft willen verlenen aan een onderzoek door de reclassering en uit het briefrapport d.d. 25 juni 2018 van Reclassering Nederland volgt dat verdachte een structurele niet-meewerkende houding vertoont, kan het hof evenmin rekening houden met de (overige) persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Alles overwegende, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 6.552,73, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 52,73 aan materiële schade (reiskosten) en

€ 6.500,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis, waarvan beroep, geheel toegewezen, met vermeerdering met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van in totaal € 6.552,73. Anders dan de verdediging ziet het hof – net als de rechtbank en de advocaat-generaal – geen reden de vordering te matigen. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat het handelen van verdachte zeer ingrijpende gevolgen heeft gehad voor [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft therapie voor traumaverwerking moeten volgen waarbij het nog steeds de vraag is hoe zij zich verder zal gaan ontwikkelen.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het toe te wijzen bedrag aan materiële schade zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [datum] , zijnde het moment waarop de vordering is ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het toe te wijzen bedrag aan immateriële schade zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [datum] , zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een totaalbedrag van € 6.552,73. Verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat gijzeling voor na te melden duur zal worden toegepast als verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245, 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.552,73 (zesduizend vijfhonderdtweeënvijftig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 52,73 (tweeënvijftig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 6.552,73 (zesduizend vijfhonderdtweeënvijftig euro en drieënzeventig cent) bestaande uit € 52,73 (tweeënvijftig euro en drieënzeventig cent) materiële schade en

€ 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 67 (zevenenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op [datum] .

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op [datum] .

Aldus gewezen door:

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Willems Ettori-Oort, griffier,

en op 19 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.