Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:669

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
20-04-2020
Zaaknummer
20-000615-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000615-18

Uitspraak : 12 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 12 februari 2018 in de strafzaak met parketnummer

01-845157-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen primair ten laste is gelegd (diefstal met geweld in vereniging gepleegd) en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de advocaat-generaal mondeling gevorderd dat het hof deze zal toewijzen tot een bedrag van € 771,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr.

Door en namens verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd, waarbij onder meer toepassing van het adolescentenstrafrecht is bepleit.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij is bepleit – zo begrijpt het hof – om primair deze bij vrijspraak niet ontvankelijk te verklaren, subsidiair om deze af te wijzen, omdat de benadeelde partij afstand van recht heeft gedaan en meer subsidiair om de gevorderde immateriële schade niet ontvankelijk te verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 maart 2017 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pet en/of een tas en/of geld en/of een iPad en/of een telefoon en/of een sleutelbos, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- ( dreigend) een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp aan die [benadeelde] heeft/hebben getoond en/of

- met de punt van voornoemd mes, althans voorwerp, naar die [benadeelde] heeft/hebben gewezen en/of

- die [benadeelde] (dreigend) heeft/hebben gezegd dat hij, die [benadeelde] , zijn tas moest afgeven en/of dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), de pet en/of de code van de iPad wilde(n) hebben, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de tas van die [benadeelde] vast heeft/hebben gepakt en/of aan die tas heeft/hebben getrokken

en/of

hij op of omstreeks 18 maart 2017 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een pet en/of een tas en/of geld en/of een iPad en/of een telefoon en/of een sleutelbos, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- ( dreigend) een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp aan die [benadeelde] heeft/hebben getoond en/of

- met de punt van voornoemd mes, althans voorwerp, naar die [benadeelde] heeft/hebben gewezen en/of

- die [benadeelde] (dreigend) heeft/hebben gezegd dat hij, die [benadeelde] , zijn tas moest afgeven en/of dat hij, verdachte en of zijn mededader(s), de pet en/of de code van de iPad wilde(n) hebben, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de tas van die [benadeelde] vast heeft/hebben gepakt en/of aan die tas heeft/hebben getrokken;
subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 18 maart 2017 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een pet en/of een tas en/of geld en/of een iPad en/of een telefoon en/of een sleutelbos, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s):

- ( dreigend) een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp aan die [benadeelde] heeft/hebben getoond en/of

- met de punt van voornoemd mes, althans voorwerp, naar die [benadeelde] heeft/hebben gewezen en/of

- die [benadeelde] (dreigend) heeft/hebben gezegd dat hij, die [benadeelde] , zijn tas moest afgeven en/of dat hij/zij de pet en/of de code van de iPad wilde(n) hebben, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de tas van die [benadeelde] vast heeft/hebben gepakt en/of aan die tas heeft/hebben getrokken,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 maart 2017 te

's-Hertogenbosch, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- een auto beschikbaar te stellen en/of

- met voornoemde [medeverdachte 1] te rijden naar de plaats waar voornoemde [benadeelde] zich (in een andere auto) bevond en/of

- ( als bestuurder) de auto zodanig te positioneren dat de auto waarin [benadeelde] zich bevond werd geblokkeerd, althans niet dan wel moeilijk weg kon rijden en/of

- in de auto te wachten (op [medeverdachte 1] ) en/of

- na terugkomst van [medeverdachte 1] (als bestuurder van de auto) met hem weg te rijden en/of

- ( nogmaals) met voornoemde [medeverdachte 1] te rijden naar de plaats waar voornoemde [benadeelde] zich (in een andere auto) bevond en/of

- ( nogmaals) in de auto te wachten (op [medeverdachte 1] ) en/of

- ( nogmaals) na terugkomst van [medeverdachte 1] (als bestuurder van de auto) met hem weg te rijden en/of

- ( een deel van) de buit mee te nemen,

en/of

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 18 maart 2017 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een pet en/of een tas en/of geld en/of een iPad en/of een telefoon en/of een sleutelbos, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of zijn/hun mededader(s):

- ( dreigend) een mes, althans een daarop gelijkend voorwerp aan die [benadeelde] heeft/hebben getoond en/of

- met de punt van voornoemd mes, althans voorwerp, naar die [benadeelde] heeft/hebben gewezen en/of

- die [benadeelde] (dreigend) heeft/hebben gezegd dat hij, die [benadeelde] , zijn tas moest afgeven en/of dat hij/zij de pet en/of de code van de iPad wilde(n) hebben, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- de tas van die [benadeelde] vast heeft/hebben gepakt en/of aan die tas heeft/hebben getrokken

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 18 maart 2017 te

's-Hertogenbosch, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- een auto beschikbaar te stellen en/of

- met voornoemde [medeverdachte 1] te rijden naar de plaats waar voornoemde [benadeelde] zich (in een andere auto) bevond en/of

- ( als bestuurder) de auto zodanig te positioneren dat de auto waarin [benadeelde] zich bevond werd geblokkeerd, althans niet dan wel moeilijk weg kon rijden en/of

- in de auto te wachten (op [medeverdachte 1] ) en/of

- na terugkomst van [medeverdachte 1] (als bestuurder van de auto) met hem weg te rijden en/of

- ( nogmaals) met voornoemde [medeverdachte 1] te rijden naar de plaats waar voornoemde [benadeelde] zich (in een andere auto) bevond en/of

- ( nogmaals) in de auto te wachten (op [medeverdachte 1] ) en/of

- ( nogmaals) na terugkomst van [medeverdachte 1] (als bestuurder van de auto) met hem weg te rijden en/of

- ( een deel van) de buit mee te nemen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 maart 2017 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas en geld en een iPad en een telefoon en een sleutelbos, toebehorende aan [benadeelde] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat zijn mededader:

- die [benadeelde] dreigend heeft gezegd dat hij, die [benadeelde] , zijn tas moest afgeven en

- de tas van die [benadeelde] vast heeft gepakt en aan die tas heeft getrokken

en

hij op 18 maart 2017 te ’s-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pet, toebehorende aan

[benadeelde] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

In het bijzonder spreekt het hof de verdachte vrij van de primair ten laste gelegde eerste twee gedachtestreepjes, inhoudende dat een mes dan wel een soortgelijk voorwerp aan het slachtoffer is getoond en dat met de punt daarvan is gewezen richting het slachtoffer. Enkel de aangever heeft daarover verklaard en zijn verklaring vindt op dat punt geen steun in enig ander bewijsmiddel.

Voor wat betreft het tweede incident, zoals dat heeft plaatsgevonden bij de Coop aan de Wethouder Schuurmanslaan te ’s-Hertogenbosch, waarbij de pet van [benadeelde] is weggenomen, spreekt het hof de verdachte tevens vrij van de ten laste gelegde geweldshandelingen dan wel de bedreiging met geweld. Met betrekking tot het tonen van het mes en het wijzen met de punt van het mes (de eerste twee gedachtestreepjes) geldt dat die situatie zich – ook volgens aangever – sowieso niet heeft voorgedaan bij het tweede incident. Datzelfde geldt voor het vierde gedachtestreepje, te weten het pakken van de tas.

Met betrekking tot het derde gedachtestreepje; het dreigend zeggen dat hij/zij de pet wilde(n) hebben, is het hof van oordeel, dat de aangever in zijn tweede verklaring die hij bij de politie heeft afgelegd op 18 maart 2017 (pg. 266) daarover enkel heeft gezegd dat hij “dacht dat [medeverdachte 1] (hof: [medeverdachte 1] ) hem met woorden heeft bedreigd”. Dit is echter onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen 1

1. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 18 maart 2017 te 19:45 uur (pg. 264-266), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde] :

Op 18 maart 2017 was ik rond 01:00 uur met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan het rondrijden in het centrum van ’s-Hertogenbosch in een Volkswagen Lupo. Ik zat achterin de auto. [medeverdachte 2] was de bestuurder en [medeverdachte 3] de bijrijder. Toen wij in het centrum van de stad reden zag ik een Volkswagen Golf staan. Ik weet dat het vlakbij de Sint-Janskathedraal was. De Volkswagen Golf stond op de stoep geparkeerd. [medeverdachte 2] stopte op de straat naast de Volkswagen Golf. Ik zag dat [medeverdachte 3] het raam van onze auto opende zodat [medeverdachte 2] met de bestuurder van de Golf kon praten. Op het moment dat [medeverdachte 2] met de bestuurder van de Golf in gesprek was, kwam een andere jongen aanlopen. [medeverdachte 3] zei tegen de jongen: “Hé kijk, we hebben nog een mooi petje hier achterin [medeverdachte 1] ”. Ik zat op dat moment achterin de auto. Ik zag dat [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) naar onze auto liep en aan de bijrijderskant ging staan. Ik zag dat [medeverdachte 1] achterin onze auto keek. Ik zag dat ik oogcontact had met [medeverdachte 1] . Ik zag dat [medeverdachte 1] vervolgens meerdere pogingen deed om met zijn arm mijn pet te pakken. Ik zag dat [medeverdachte 1] een beetje in de raamopening van de auto ging hangen om mijn pet te kunnen pakken. Ik zag dat de Volkswagen Golf welke naast ons stond geparkeerd een stukje vooruit reed en schuin voor onze auto ging staan. Hiermee blokkeerde hij onze weg. Hierna richtte [medeverdachte 1] zich tot mij en probeerde hij om mijn tas te pakken. Ik had een schoudertas van het merk Dolce en Gabana (het hof: Gabbana) over mijn schouder hangen. De band van deze tas had ik onder mijn jas zitten, maar de tas zelf kwam onder mijn jas uit. [medeverdachte 1] zei dat ik mijn tas moest afgeven. Ik zei dat ik mijn tas niet ging afgeven. Ik voelde de arm van [medeverdachte 1] tegen mijn borstkas komen. Ik was erg bang. Hierna pakte [medeverdachte 1] de tas beet en trok hieraan. Hierdoor werd de schouderband van de tas kapotgetrokken en pakte hij mijn tas. In mijn tas zaten op dat moment mijn portemonnee met geld, een iPad, telefoonoortjes, een telefoon en een sleutelbos. Vervolgens rende [medeverdachte 1] naar de Volkswagen Golf toe en stapte aan de bijrijderskant in. Hierna reed de Volkswagen Golf hard weg. Hierna reden wij zelf ook weg.

Een paar minuten hierna werd [medeverdachte 2] gebeld. Hierop zijn wij naar een plek gereden. Ik zag de eerdergenoemde Volkswagen Golf staan en zag dat [medeverdachte 1] uit de auto stapte. [medeverdachte 1] liep

naar de bestuurderszijde waar [medeverdachte 2] zat. [medeverdachte 1] sprak mij via het raam aan dat hij mijn

pet wilde hebben en de code van de iPad. Mijn pet was een grijskleurige Gucci-pet.

[medeverdachte 1] zei dat ik alles moest wissen van de iCloud. [medeverdachte 1] gaf mij mijn sleutelbos en mijn

portemonnee terug. Ik keek in mijn portemonnee en zag dat het biljet van 50 euro weg

was.

2. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, d.d. 16 januari 2018, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde] :

Op de tweede locatie is mijn pet afgepakt.

3. Het proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, d.d. 8 januari 2018, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

[Op 18 maart 2017 omstreeks 01.00 uur] was ik naar de coffeeshop geweest in de Hinthamerstraat te ‘s-Hertogenbosch. [verdachte] stond buiten met zijn auto half in het parkeervak en half op de weg. Er stopte een auto met daarin [medeverdachte 2] (het hof: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (het hof: [medeverdachte 3] ) en nog iemand, volgens mij [benadeelde] (het hof: [benadeelde] ). Volgens mij riep [medeverdachte 2] dat er achterin wat te halen was en daar ging ik op af. Ik ben naar de bijrijderszijde van die auto gelopen en probeerde de tas af te pakken van degene die achterin zat. Die persoon gaf de tas niet af.

Vervolgens reed [verdachte] met zijn auto naar voren en blokkeerde daardoor de doorgang voor de Volkswagen Lupo. [verdachte] stapte uit en pakte het petje van de bestuurder. Dat was [medeverdachte 2] . Ik kon het tasje van [benadeelde] afpakken. Daarin zat een iPad en een portemonnee met geld. Vervolgens reden wij weg en de anderen reden achter ons aan.

We zijn onderweg in de buurt van de flat tegenover de Supercoop gestopt. [verdachte] en ik zijn daar uitgestapt. [verdachte] heeft daar het petje afgepakt. Ik heb de portemonnee teruggegeven zonder het geld.

4. Het proces-verbaal van verhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Oost-Brabant, d.d. 8 januari 2018, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :

Ik was op 18 maart 2017 rond 01.00 uur in Den Bosch de bestuurder van een auto. [medeverdachte 3] (het hof: [medeverdachte 3] ) en [benadeelde] (het hof: [benadeelde] ) zaten bij mij in de auto. Wij zijn daar een zwarte Volkswagen Golf tegen gekomen bij de coffeeshop. [verdachte] (het hof: [verdachte] ) zat erin als bestuurder. [medeverdachte 1] (het hof: [medeverdachte 1] ) kwam later aanlopen, ik denk vanuit de coffeeshop. De Golf werd voor mijn auto gezet waardoor ik niet meer weg kon. Toen [medeverdachte 1] aan kwam lopen zei [medeverdachte 3] zoiets als: petje achterin of mooi petje voor jou. Vervolgens wilde [medeverdachte 1] het petje afpakken. Dat probeerde hij via het raam aan de bijrijderszijde. Toen pakte [verdachte] mijn petje af. Hij was tevoren naar mij toegelopen. Nadat ze waren weg gereden werd ik gebeld. Daarbij heb ik ook de stem van [verdachte] gehoord. Het volgende contact vond plaats in de buurt van de Supercoop. Ze stonden op een parkeerplaats bij een flat tegenover de Supercoop. Ik ben daar gestopt.

5. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 29 januari 2018, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik in de nacht van 18 maart 2017 samen met [medeverdachte 1] met mijn auto op pad was. Ik heb [medeverdachte 1] afgezet bij de coffeeshop in de Hinthamerstraat in Den Bosch. Op het moment dat [medeverdachte 1] de coffeeshop in ging, kwam er een auto naast mij staan. Ik kende de jongens die in de auto zaten en heb met hen een praatje gemaakt. In die andere auto zaten [medeverdachte 2] (het hof: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (het hof: [medeverdachte 3] ). Er zat nog iemand achterin de auto. Die jongen kende ik niet.

Toen [medeverdachte 1] uit de coffeeshop kwam, is hij naar de auto van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] toe gegaan. Ik ben toen ook uit mijn auto geweest. Ik heb toen het petje van [medeverdachte 2] gepakt. [medeverdachte 1] was toen niet in de auto. In de rode Lupo (het hof: Volkswagen Lupo) zat [medeverdachte 2] aan de bestuurderszijde. Daarna is [medeverdachte 1] weer bij mij in de auto komen zitten. Ik zag dat [medeverdachte 1] een iPad bij zich had. [medeverdachte 1] had de spullen gepakt van de jongen die achterin die andere auto zat. Wij zijn weggereden. Toen werd [medeverdachte 1] gebeld. We zijn naar de Wethouder Schuurmanslaan gereden. Daar was de andere auto ook weer. Ik ben daar toen uit mijn auto geweest.

6. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 23 maart 2017 (pg. 206-208), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte:

[Verbalisant:] Nadat de aangever beroofd is (het hof begrijpt: nadat [medeverdachte 1] de tas van de aangever had afgepakt), rijden jullie weg. Ondertussen is [medeverdachte 1] aan de telefoon en hoor jij dat het gaat over goederen teruggeven.

[Antwoord:] Ja.

[Verbalisant:] [medeverdachte 1] wilde dat de codes van de iPad gewist werden en daarom wilde hij weer de aangever ontmoeten.

[Antwoord:] Klopt.

(…)

Ik zag de jongen in de auto met tranen in zijn ogen.

Het slachtoffer was bang. Ik zag dat aan zijn uitstraling en tranende ogen.

[Verbalisant:] Jij bent in de Hinthamerstraat weggereden. Hoe ging dat wegrijden.

[Antwoord:] Je mag daar 30 rijden maar zal iets sneller zijn weggereden. Ik heb een snelle auto.

[Verbalisant:] Hoe zag de portemonnee eruit?

[Antwoord:] een doosje achtig. Plastic doosje. Ovale ding zeg maar.

[Verbalisant:] Wat is met het grijze tasje van Dolce en Gabana (het hof: Gabbana) gebeurd?

[Antwoord:] [medeverdachte 1] heeft alle spullen meegenomen.

[Verbalisant:] wat hadden jullie tijdens de autorit besproken?

[Antwoord:] (--) Ik hoorde dat hij de code vroeg van de iPad. Ze kwamen omdat [medeverdachte 1] ze voor de gek hield om de spullen terug te geven. Ze werden min of meer gelokt door [medeverdachte 1] .

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van dit hof d.d. 29 januari 2020, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

[medeverdachte 1] is [medeverdachte 1] .

Ik zag dat [medeverdachte 1] met een iPad in zijn handen stond. Ik wist dat die niet van hem was. Dat wist ik bij het begin al toen hij in mijn auto zat. Hij kwam aan met spullen die niet van hem waren. Hij zei dat hij die van die jongen die op de achterbank van de Lupo (het hof: Volkswagen Lupo) zat, had afgepakt. Ik heb gehoord dat er werd afgesproken op een plek zodat [medeverdachte 1] de spullen aan die jongen zou teruggeven. Ik zag dat hij de iPad niet afgaf. Bij deze tweede afspraak ben ik uit de auto geweest.

8. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 12 april 2019, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik ken [medeverdachte 2] (het hof: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (het hof: [medeverdachte 3] ) van naam en via via. [medeverdachte 1] (het hof: [medeverdachte 1] ) en [verdachte] (het hof: [verdachte] ) ken ik iets beter. [verdachte] ken ik via zijn broertje [broer verdachte] , die voluit [broer verdachte] heet. Ik heb wel iets gehoord over de straatroof die op 18 maart 2017 heeft plaatsgevonden. Wat ik heb gehoord is dat het een opzetje was. Er zou een afspraak zijn gemaakt tussen de bestuurder van de auto waar [benadeelde] (het hof: [benadeelde] ) in zat en de bestuurder van de andere auto. Het zou bekend zijn dat [benadeelde] spullen bij zich had die waardevol waren. U vraagt mij hoe ik wist van die afspraak. Ik kende het broertje van [verdachte] goed. Dat broertje heeft daarover gesproken. Er was een afspraak tussen mensen in de ene auto en mensen in de andere auto. Ik weet dat in de ene auto [verdachte] en [medeverdachte 1] zaten en in de andere auto [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] samen met [benadeelde] .

9. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2017 (pg. 275), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 20 maart 2017 werd ik gebeld door aangever [benadeelde] . Ik stelde hem de vraag of hij zijn gestolen tas nader kon omschrijven. Ik hoorde [benadeelde] zeggen dat zijn tas:

  • -

    een schoudertas is grijs van kleur met een zilveren logo van Dolce en Gabanna (het hof: Gabbana) aan de voorzijde en dat dit logo een beetje los zit.

  • -

    een zwarte verkleurde schouderband heeft die tijdens het incident kapot gegaan moet zijn want deze werd van zijn lichaam gerukt. Daarbij is de band aan de rechterzijde kapot gegaan.

  • -

    Eerder kapot is geweest en dat [benadeelde] deze toen zelf heeft gerepareerd.

  • -

    Drie grote ritsen heeft.

Ik stelde [benadeelde] (het hof: [benadeelde] ) vervolgens de vraag of hij zijn gestolen pet nader kon omschrijven. Ik hoorde hem zeggen dat zijn petje

  • -

    van het merk Gucci is en dat de pet niet nieuw was.

  • -

    aan de binnenkant donkerblauw is en aan de buitenkant grijs met het Gucci logo.

Ik hoorde [benadeelde] zeggen dat zijn petje een limited edition was, met aan weerszijden van de pet twee donkerblauwe strepen en een rode streep in het midden.

10. Een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 79 van het dossier, voor zover inhoudende:

Datum en tijd: 20-03-2017 te 11:50 uur

Omstandigheden: in beslag genomen tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres 2] (het hof: adres [medeverdachte 1] )

Beslagene: [medeverdachte 1]

IBN-code/voorwerpnummer: 1. Schoudertas/OB1RO17024_380634

Merk/type: Dolce & Gabbana

Kleur: Grijs

Bijzonderheden: Schouder tas

Rechterhengsel is kapot

3 ritsen

11. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 maart 2017 (pg. 301), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 21 maart 2017 toonde ik aan aangever [benadeelde] goederen die bij verdachte [medeverdachte 1] in beslag waren genomen, te weten:

- Grijze Dolce en Gabana (het hof: Gabbana) schoudertas, hengsel kapot en 3 ritsen.

Ik, verbalisant, haalde de grijze Dolce en Gabana (het hof: Gabbana) schoudertas hengsel kapot en 3 ritsen, half uit de papieren zak. Ik hoorde dat aangever [benadeelde] meteen zei “dat is mijn tas, ik heb die zelf dicht laten maken daar bij de punt en de rechtse band is al vaker kapot geweest.”

12. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2017 (pg. 304), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :

Op 22 maart 2017 waren wij belast met de aanhouding van verdachte [verdachte] en

bevonden wij ons in de woning van de verdachte, [adres 1] . Daar zagen wij op de eettafel een pet liggen, die overeen kwam met de omschrijving van de pet die zou zijn weggenomen tijdens een van de straatroven waarnaar wij onderzoek deden. Van de aangetroffen pet werd een fotografische opname gemaakt.

13. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2017 (pg. 306), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Op 23 maart 2017 had ik telefonisch contact met aangever [benadeelde] met de vraag of hij WhatsApp had en of ik een foto van een petje kon doorsturen. Ik hoorde dat [benadeelde] zei: “Is geen probleem, overigens zit in de rand van mijn petje een maatlabel van XS”. Ik stuurde de foto die was gemaakt van het in de woning van verdachte [verdachte] aangetroffen petje via WhatsApp naar aangever [benadeelde] . [benadeelde] antwoordde meteen: “Ja, dat is mijn pet”. Op de vraag waaraan hij dat ziet, zegt hij: “Aan de voorkant van de klep zit een heel klein scheurtje, is bij de mijne ook”.

14. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2017 (pg. 310), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :

Op 22 maart 2017 werd verdachte [verdachte] aangehouden in zijn woning [adres 1] Door de aanhoudende politieambtenaren werd gezien dat op de tafel in de woonkamer een petje merk Gucci lag waarvan een foto werd gemaakt. De betreffende foto werd op 23 maart 2017 getoond aan de aangever [benadeelde] . Hij herkende het gefotografeerde petje als zijnde het van hem ontvreemde petje.

Op 23 maart 2017 begaven wij ons naar de woning [adres 1]

. Uit de door ons met de moeder van de verdachte en haar andere zoon [broer verdachte] (het hof: [broer verdachte] ) [verdachte] gevoerde communicatie bleek ons dat het betreffende petje elders verbleef. Vervolgens is [broer verdachte] met ons meegereden naar de Boschmeersingel te

’s-Hertogenbosch, alwaar hij uit de auto stapte en korte tijd later bij ons terug kwam met het betreffende Gucci petje. Uit handen van [broer verdachte] namen wij het petje in beslag. Het petje was hetzelfde petje als op de foto afgebeeld die door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] was gemaakt.

Goederen: hoofddeksel (pet) Gucci,

bijzonderheden maat XS, slijtage op de klep

donkerblauw-rood-donkerblauw band.

15. Het proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2020, voor zover inhoudende de eigen waarneming van het hof:

De voorzitter deelt mede dat het hof op de foto op pagina 305 van het dossier op de klep van de pet een beschadiging heeft waargenomen.

16. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 30 mei 2017 (pg. 253), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [broer verdachte] :

(het hof begrijpt dat de politie [broer verdachte] vragen stelt over het petje dat eerst in de woning van de verdachte is aangetroffen, is gefotografeerd, maar later, na herkenning door de aangever, niet meer in de woning is teruggevonden)

Ik had het petje opgehaald om mijn broer te beschermen. Mijn broer (het hof: de verdachte) had tegen mij gezegd dat ik het petje weg moest halen op dat moment. Mijn broer had tegen mijn moeder gezegd dat het petje weg moest. Toen jullie (het hof: de politie) met mijn broer weg waren en jullie mijn broer mee namen naar het bureau, vertelde mijn moeder tegen mij dat ik dat petje weg moest halen.

17. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2017 (pg. 286), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 7] :

Op 20 maart 2017 heb ik de twee telefoons uitgelezen die eigendom zijn van de verdachten [medeverdachte 2] (iPhone 6) en [medeverdachte 3] (iPhone 5).

Door mij werd het extractierapport van de iPhone 6 bekeken. Opvallend is een gesprek tussen de gebruiker van de telefoon, [medeverdachte 2] , met een persoon genaamd [medeverdachte 3] met telefoonnummer + [telefoonnummer 1] , dit gesprek is als bijlage bij dit proces-verbaal toegevoegd (bijlage 1).

Het telefoonnummer blijkt het telefoonnummer van [medeverdachte 3] te zijn. Het gesprek komt ook voor op zijn telefoon.

Door mij werd het extractierapport van de iPhone 5 bekeken. Opvallend is een gesprek tussen de gebruiker van de telefoon en een persoon genaamd [medeverdachte 1] met het telefoonnumer [telefoonnummer 2] . Dit telefoonnummer is van [medeverdachte 1] . Een gedeelte van dit gesprek is als bijlage toegevoegd (bijlage 2).

“ [telefoonnummer 1] @ [WhatsApp-adres 1] ” betreft [medeverdachte 3]

“ [telefoonnummer 2] @ [WhatsApp-adres 2] ” betreft [medeverdachte 1]

18. De als bijlage 1 en 2 bij het hiervoor onder 16. genoemde proces-verbaal gevoegde extractierapporten, waarvan een kopie aan deze aanvulling is gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Zijdens verdachte is integrale vrijspraak bepleit op de gronden als in de pleitnota weergegeven. Zo heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van de aangever [benadeelde] niet betrouwbaar zijn, aangezien zijn aangifte niet naar waarheid was en hij vervolgens wisselende verklaringen heeft afgelegd. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd en heeft daarbij zijn eigen rol willen minimaliseren door de verdachte als mededader erbij te betrekken en belastend jegens hem te verklaren. Uit de bewijsmiddelen blijkt genoegzaam dat de medeverdachte [medeverdachte 1] de aangever zijn tas afhandig heeft gemaakt. Verdachte heeft daarbij geen rol gespeeld. Hij was ook niet op de hoogte dat [medeverdachte 1] de tas van de aangever (met geweld) ging afpakken en evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte bij het eerste incident in de Hinthamerstraat te Den Bosch als bestuurder van de Volkswagen Golf de weg heeft geblokkeerd van de Volkswagen Lupo. Uit de verklaring van [medeverdachte 3] en de chatberichten blijkt immers dat van het klemrijden geen sprake was en dat de bestuurder van de Lupo weg had kunnen rijden.

Bij het tweede incident was de verdachte evenmin bekend met de plannen van de medeverdachte [medeverdachte 1] om de aangever de pincode van zijn iPad afhandig te maken. Hem, de verdachte, was niet meer bekend dan dat ze de spullen aan de aangever zouden teruggeven. Bij dit incident is overigens geen geweld of bedreiging met geweld aan te pas gekomen.

Al met al is er geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en de verdachte, gericht op de beroving van de aangever. De verdachte heeft daar geen bijdrage van enig gewicht aan geleverd.

Op dezelfde gronden kan niet worden gekomen tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid. Niet blijkt dat verdachte wist dat [medeverdachte 1] de aangever ging beroven of de code van de iPad ging vragen en in dat kader is verdachte deze [medeverdachte 1] ook niet behulpzaam geweest.

Voor wat betreft het petje dat bij de verdachte in de woning is aangetroffen, wordt door de verdediging betwist dat dat het petje van de aangever was. Blijkens de stukken van inbeslagneming zat er hooguit wat slijtage op de klep van het petje, maar een scheur, waaraan de aangever zijn pet zou hebben herkend, ontbreekt. Bovendien was het petje van de broer van de verdachte, die daarover bij de raadsheer-commissaris heeft verklaard dat hij dat petje van de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gekregen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof is van oordeel dat voornoemde verklaringen specifiek zijn en elkaar in voldoende mate en op essentiële onderdelen ondersteunen. Het hof acht deze betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Blijkens de verklaring van [getuige] bij de raadsheer-commissaris was er sprake van een opzetje tussen beide bestuurders. Dat er sprake is geweest van een opzetje leidt het hof ook af uit de chatgesprekken. Zo wordt er gesproken over een tip die is gegeven en waarvoor een beloning in het vooruitzicht wordt gesteld.

Voorts gaat het hof uit van de verklaring van de aangever dat de verdachte door zijn auto schuin voor die van de Volkswagen Lupo te plaatsen, deze heeft geblokkeerd. In ieder geval was door de handelwijze van verdachte van een onbelemmerde doorgang geen sprake meer. Dat de verdachte zijn auto heeft verplaatst vindt steun in de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] en de getuige [medeverdachte 2] . Het past bovendien in de verklaring van [getuige] over een opzetje tussen beide bestuurders. Verdachte is vervolgens hard weggereden met [medeverdachte 1] in de auto die de tas van aangever had weggenomen.

Bij het eerste incident is geweld gebruikt door [medeverdachte 1] . Hij heeft dreigend gezegd dat de aangever zijn tas moest afgeven en toen deze dat niet van plan was, heeft [medeverdachte 1] de tas van de aangever vast gepakt en heeft aan de tas getrokken, waardoor deze stuk ging.

Bij het tweede incident komt het hof, gezien de tekst van de tenlastelegging, niet tot een bewezenverklaring van afpersing, inhoudende dat de aangever door geweld of onder bedreiging van geweld de code van de iPad heeft afgegeven. Wel acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de pet van de aangever heeft afgepakt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de pet van de aangever, waarvan hij diverse details heeft opgegeven, bij de verdachte in de woning is teruggevonden. Het hof ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning van de pet door de aangever. Het hof heeft op de foto op pagina 305 van het dossier een beschadiging op de klep van de pet waargenomen. Bovendien zijn ook de bijzonderheid van de “XS” en de kenmerken van de limited edition, zoals door aangever omschreven, op de bij verdachte inbeslaggenomen pet aangetroffen. Blijkens pagina 417 van het dossier is de betreffende pet aan de aangever teruggeven en heeft deze voor ontvangst getekend. Niet gebleken is dat de pet niet van de aangever was.

De verklaring die de broer van de verdachte bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd over de pet, wordt door het hof als ongeloofwaardig terzijde gesteld. Immers de broer heeft verklaard dat hij deze pet ongeveer twee weken voordat de verdachte is aangehouden, welke aanhouding op 22 maart 2017 was, van [medeverdachte 1] heeft gekregen. Gelet op de datum waarop de pet van aangever is afgenomen, te weten op 18 maart 2017, kan deze verklaring niet juist zijn, nu de pet dan al in het bezit van [medeverdachte 1] had moeten zijn voordat hij van aangever is gestolen.

Het hof overweegt dat de verdachte niet alleen fysiek aanwezig is geweest bij beide incidenten, maar dat hij ook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd door met zijn auto een onbelemmerde doorgang te beletten, door vervolgens met de medeverdachte en de buitgemaakte tas met inhoud hard weg te rijen, door bij het tweede incident de pet van de aangever af te pakken en deze behouden.

Het hof ziet voor de betrokkenheid van de verdachte ook bevestiging in de chatberichten tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De verdachte zou de rat zijn en de viezerik die [medeverdachte 1] heeft lopen opnaaien.

Alles overziende is het hof van oordeel dat de handelwijze van de verdachte medeplegen oplevert.

De volgende vraag waar het hof zich voor ziet gesteld is of de verdachte ook opzet heeft gehad op het door [medeverdachte 1] toegepaste geweld en bedreiging met geweld bij het eerste incident. De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte niet wist dat [medeverdachte 1] geweld zou gebruiken of zou dreigen met geweld.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van deze aanmerkelijke kans moet verdachte wetenschap hebben gehad en hij moet die aanmerkelijke kans hebben aanvaard.

Bij dat laatste verdient het opmerking dat bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Het hof is van oordeel dat de handelwijze van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm opzet behelst. Het plan was om, na een tip van [medeverdachte 3] , de aangever te beroven van zijn spullen. De aangever had dure spullen bij zich, zoals een Dolce en Gabbana tas en een Gucci pet limited edition. Het is niet aannemelijk dat de aangever zijn waardevolle spullen zomaar zou afgeven.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte er rekening mee had kunnen en moeten houden dat er geweld zou worden gebruikt of dat er zou worden gedreigd met geweld. De verdachte heeft deze kans willens en wetens op de koop toe genomen. Hiermee is naar het oordeel van het hof het opzet, in voorwaardelijk zin, van de verdachte op het geweld en bedreiging met geweld gegeven. De verdachte heeft zich vervolgens ook niet van het geweld gedistantieerd. Immers, wanneer [medeverdachte 1] met de tas van de aangever weer in de auto stapt rijdt verdachte met [medeverdachte 1] en de buit hard weg. Daarna vindt het incident plaats bij de Coop in Den Bosch, waarbij het slachtoffer met een smoes, te weten dat zijn spullen zouden worden teruggegeven, is gelokt, maar waarbij verdachte en [medeverdachte 1] samen zijn opgetrokken en hebben samengewerkt en verdachte degene is die het petje wegneemt.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Zijdens verdachte is ten aanzien van een op te leggen straf primair bepleit toepassing te geven aan het bepaalde van artikel 77c Sr. en de verdachte te veroordelen volgens het jeugdstrafrecht. Daartoe heeft de raadsman verwezen naar het reclasseringsadvies ten behoeve van de voorgeleiding d.d. 24 maart 2017, aan welk rapport waarde dient te worden gehecht. Uit dit rapport volgt dat toepassing van het adolescentenstrafrecht is geïndiceerd. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde 20 jaar en er dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte uit die tijd.

De raadsman heeft subsidiair verzocht de verdachte een forse gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met daarnaast eventueel de maximale taakstraf. Inmiddels is verdachte een andere weg ingeslagen en heeft hij zijn leven op orde. Verdachte heeft werk en dreigt zijn baan te verliezen, alsmede zijn woonruimte, indien hij tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt veroordeeld, zoals door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren maar nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt, de rechter, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, recht kan doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft, naast het door de verdediging genoemde reclasseringsadvies uit 2017, tevens kennis genomen van de door de Reclassering Nederland opgestelde adviesrapporten d.d. 2 januari en 22 januari 2020. In het laatstgenoemde rapport adviseert de reclassering toepassing te geven aan het volwassenenstrafrecht omdat er vanuit het korte en het uitgebreide wegingskader ASR (adolescentenstrafrecht) geen indicatie aanwezig is voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Het hof is van oordeel dat er evenmin omstandigheden waaronder het feit is gepleegd zijn gesteld of zijn gebleken die nopen tot toepassing van een jeugdsanctie.

Het hof ziet gelet op voornoemde rapporten, alsmede de indruk die het hof zich ter terechtzitting heeft gevormd omtrent de persoon van de verdachte, geen grond als bedoeld in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht om tot toepassing van het jeugdstrafrecht over te gaan en zal de verdachte derhalve berechten conform het volwassenenstrafrecht. De omstandigheid dat de reclassering eerder in het kader van de voorgeleiding in haar rapport van 24 maart 2017, heeft aangegeven dat ASR lijkt (cursief, het hof) te zijn geïndiceerd, leidt het hof niet tot een andere conclusie.

Het primair gevoerde verweer wordt verworpen.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld, in vereniging en een diefstal in vereniging. Bij de straftoemeting overweegt het hof dat verdachte en zijn mededader zich kennelijk alleen hebben laten leiden door hun zucht naar financieel gewin zonder ook maar één moment stil te staan bij de gevolgen van hun handelen voor het slachtoffer. Het slachtoffer is in een situatie gebracht die beangstigend moet zijn geweest. Verdachte heeft ook verklaard, zoals in de bewijs-middelen is opgenomen: “Ik zag de jongen in de auto met tranen in zijn ogen. Het slachtoffer was bang. Ik zag dat aan zijn uitstraling en tranende ogen”. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om zich schuldig te maken aan de bewezen verklaarde feiten. Dergelijke feiten brengen veelal langdurige gevoelens van onveiligheid met zich voor de direct betrokken slachtoffers.

Feiten als het onderhavige dragen - met name door het gewelddadige karakter daarvan - daarnaast bij aan het ontstaan en in stand houden van gevoelens van onveiligheid, ook bij anderen dan degenen die daarvan rechtstreeks het slachtoffer zijn.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij heeft het hof gelet op de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten (LOVS-oriëntatiepunten), dienende als handreiking voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van diefstal met geweld (straatroof).

Ingevolge die oriëntatiepunten wordt voor een tasjesroof, waarbij sprake is van een enkele ruk of duw, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend geacht en ingeval van recidive 4 maanden; voor een straatroof die gepaard gaat met (verbale) bedreiging wordt in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden als passend geoordeeld en ingeval van recidive 8 maanden.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2019, waaruit onder meer blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens diefstal met geweld. Ook is hem een transactie aangeboden in 2012 in verband met een soortgelijk feit. Het hof heeft tevens acht geslagen op de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, met een maximale taakstraf, niet passend is omdat deze strafoplegging onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die blijken uit de reclasseringsrapportage van 2 januari 2020 en die door de raadsman naar voren zijn gebracht, maken dit niet anders. In deze zin wijkt het hof ook af van de straf die de rechtbank heeft opgelegd en de eis van de advocaat-generaal.

Wel zal het hof, daarbij rekening houdend met het tijdsverloop en met de omstandigheid dat de geweldshandelingen en bedreiging niet door de verdachte maar door de mededader zijn verricht, een deel daarvan in voorwaardelijke zin opleggen met een proeftijd van 2 jaar. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.424,--, waarvan een bedrag van

€ 574,-- aan materiële schade en een bedrag van € 850,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 771,--, bestaande uit € 521,-- aan materiële schade (te weten het geldbedrag van € 50,-- en 90% van de aanschafwaarde van de Apple iPad en de Apple iPhone headset) en € 250,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Het overige deel van de materiële schade is afgewezen en het overige deel van de immateriële schade is niet ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De voeging duurt voor zover de vordering is toegewezen van rechtswege voort in hoger beroep.

De verdediging heeft inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering.

Primair is aangevoerd dat de benadeelde partij tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris afstand heeft gedaan van zijn recht op schadevergoeding. De benadeelde partij was toen 17 jaar oud en kon derhalve zelfstandig rechtshandelingen verrichten. Bovendien gaat het om een in omvang beperkte vordering. Nu de benadeelde partij ten aanzien van zijn vordering afstand van recht heeft gedaan, dient deze te worden afgewezen.

Subsidiair dient de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat onvoldoende blijkt dat het voorval dusdanige gevolgen heeft gehad dat behandeling noodzakelijk is geweest.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op 7 augustus 2017 is een vordering in rechte ingediend tot vergoeding van schade door de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij, te weten zijn vader. De benadeelde partij heeft blijkens het proces-verbaal van de rechter-commissaris tijdens zijn verhoor op 16 januari 2018 afstand gedaan van zijn vordering, echter op instigatie van de raadsman van de verdachte. Tevens blijkt uit de verklaring van de benadeelde partij dat hij angst heeft voor de verdachte.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat aan deze enkele mededeling van de benadeelde partij, die door de wettelijk vertegenwoordiger niet is bekrachtigd, geen rechtsgevolg kan worden verbonden. Evenmin is de vordering door of namens de benadeelde partij krachtens de daarvoor geldende wettelijke bepalingen ingetrokken.

Het primair gevoerde verweer wordt verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof merkt daarbij op dat ten aanzien van de gestelde materiële schade geen verweer is gevoerd. Het hof acht het ook redelijk om, conform de beslissing van de rechtbank, rekening te houden met 90% van de aanschafwaarde van de iPad en de headset.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof dat artikel 6:106 BW, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde aanspraak kan maken op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van niet-vermogensschade, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Het hof acht het aannemelijk dat de benadeelde door het handelen van verdachte en zijn mededader te kampen heeft gehad met gevoelens van angst en schrik. Ook blijkt uit het dossier dat geweld (losrukken van de tas) en bedreiging met geweld tegen hem is uitgeoefend. Naar het oordeel van het hof is de benadeelde door het handelen van verdachte en diens mededader in zijn persoon is aangetast. Er is sprake van een inbreuk op de integriteit van de persoon. Voldoende gebleken is dat de benadeelde partij hierdoor rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 250,--. In zoverre acht het hof de vordering, gelet op de aard en ernst van het door de verdachte en mededader toegepaste geweld en bedreiging met geweld, billijk en niet bovenmatig.

De verdachte is tezamen met de mededader tot vergoeding van de materiële en immateriële schade gehouden, zodat de vordering tot een bedrag van € 771,-- toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2017, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 771,--. De verdachte en zijn mededader zijn daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadever-goeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 771,00 (zevenhonderd eenenzeventig euro) bestaande uit € 521,00 (vijfhonderdeenentwintig euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2017 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 771,00 (zevenhonderdeenenzeventig euro) bestaande uit € 521,00 (vijfhonderd

eenentwintig euro) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2017 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 30 (dertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Aldus gewezen door:

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 12 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van regiopolitie Oost-Brabant, districtelijke recherche ‘s-Hertogenbosch, proces-verbaalnummer 2017056458, sluitingsdatum 7 juni 2017, pg. 1 tot en met 432. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.