Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:649

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
21-04-2020
Zaaknummer
19/00288, 19/00289, 19/00322, 19/00323
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:2189, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1810
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door de inspecteur is een ‘verklaring vrijwillige verbetering buitenlands vermogen’ ontvangen waarin één van de belanghebbenden verklaart sinds 1 februari 2012 een buitenlandse bankrekening aan te houden. In verband met die buitenlandse bankrekening heeft de inspecteur aan belanghebbenden (man en vrouw) voor 2004 en 2005 navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd. Ambtshalve vermindering van de navorderingsaanslagen leidt ertoe dat de door de vrouw verschuldigde IB/PVV over 2004 en 2005 de heffingskortingen niet overstijgt. Daarmee is voor de vrouw het procesbelang komen te vervallen. Uit het tijdstip van het bekendmaken van het buitenlands vermogen leidt het hof af dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit. Bovendien kon de inspecteur - met behulp van de verlengde navorderingstermijn – navorderingsaanslagen opleggen op grond van de omstandigheid dat in het buitenland door de man over een banktegoed werd beschikt waarover in Nederland te weinig belasting was geheven. Aan de vraag of de omkering en verzwaring van de bewijslast zich uitstrekt tot de voorwaarden van de navordering komt het Hof niet toe. Volgens het hof berust de navorderingsaanslag van de man over 2005 op een redelijke schatting. De navorderingsaanslag van de man over 2004 wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1057
Viditax (FutD), 23-04-2020
FutD 2020-1392
NTFR 2020/1329
NLF 2020/1032 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 19/00288, 19/00289, 19/00322, 19/00323

Uitspraak op het hoger beroep van

I. [de man] (hierna: de man), wonende te [woonplaats] ,

II. [de vrouw] (hierna: de vrouw), wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbenden,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 9 mei 2019, nummers BRE 17/5678, 17/5679, 18/1141 en 18/1142 in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te noemen navorderingsaanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan de man is onder aanslagnummer [aanslagnummer 1] H.47 over het jaar 2004 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.667. Tevens is bij beschikking € 8.707 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2.

Daarnaast is aan de man onder aanslagnummer [aanslagnummer 1] H.57 over het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.934 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.358. Tevens is bij beschikking € 7.687 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Aan de vrouw is onder aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.47 over het jaar 2004 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.000. Tevens is bij beschikking € 9.312 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.4.

Daarnaast is aan de vrouw onder aanslagnummer [aanslagnummer 2] H.57 over het jaar 2005 een navorderingsaanslag in de IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.000. Tevens is bij beschikking € 8.164 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.5.

Belanghebbenden zijn van de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank. De griffier van de Rechtbank heeft van belanghebbenden een griffierecht geheven van in totaal € 184. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd zoals die zijn komen te luiden na ambtshalve vermindering.

1.6.

Tegen deze uitspraak hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof. De griffier heeft van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 128.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De zitting heeft plaatsgehad op 4 december 2019 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbenden, alsmede, namens de Inspecteur, [inspecteur] .

1.8.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek op de zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Door de Inspecteur is op 8 maart 2013 een ‘verklaring vrijwillige verbetering buitenlands vermogen’ ontvangen waarin de man verklaart sinds 1 februari 2012 een bankrekening met nummer [bankrekeningnummer 1] aan te houden bij [de bank] in Luxemburg (hierna: [de bank] ), met een huidig saldo van € 150.000. De man heeft daarbij aangegeven dat hij naar aanleiding van een insluiping in zijn woning begin 2012 zijn in verband met een pensioengat aangehouden spaargeld per 1 februari 2012 bij [de bank] heeft ondergebracht en dat het geld voor die tijd is opgespaard ‘in de bekende oude sok’.

2.2.

Nadien heeft veelvuldig contact plaatsgevonden tussen partijen, waaronder de onderstaande stukkenwisseling.

2.2.1.

Bij brief van 2 april 2013 heeft de Inspecteur de man verzocht om nadere gegevens en inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 4 april 2013 heeft de man meegedeeld dat hij in afwachting is van informatie die hij heeft opgevraagd. Verder heeft de man onder meer het volgende geschreven:

“De rekening is geopend door mij en [A] . Het geld is er persoonlijk heengebracht.

Herkomst is spaargeld. Er is niets opgenomen. Het bestedingsdoel is U al bekend, aanvulling

pensioen beide hebben een pensioengat. Banktegoed is niet opgegeven in Box 3."

2.2.2.

Bij brief van 15 mei 2013 heeft de man informatie verstrekt over bij [B SA] in Luxemburg (hierna: [B SA] ) aangehouden vermogen over de jaren 2003 tot en met 2012. Bij brief van 22 juli 2013 heeft de man jaaropgaven verstrekt van [de bank] over de jaren 2011 en 2012. Na vragen van de Inspecteur heeft de man bij brief van 3 september 2013 onder meer verklaard dat het spaargeld is voortgekomen uit hetgeen is overgehouden van het loon (verminderd met de lasten), vanaf 1965. Bij brief van 17 september 2013 heeft de man een overzicht verstrekt van de bedragen die hij en zijn echtgenote in contanten thuis ter beschikking hadden van 31 januari 2001 tot 31 januari 2012 en van de bedragen die zij op buitenlandse bankrekeningen hadden staan.

2.2.3.

Met dagtekening 28 oktober 2013 heeft de Inspecteur een informatiebeschikking vastgesteld voor de man en met dagtekening 20 november 2013 voor de vrouw. Bij brief van 11 maart 2014 heeft de man aangegeven dat hij de Inspecteur machtigt om alle informatie op te vragen bij [C] in België (hierna: [C] ) en [de bank] . Het bezwaar tegen de informatiebeschikkingen is door de Inspecteur afgewezen. De beroepen van belanghebbenden - met procedurenummers 14/2181 en 14/2182 — tegen deze uitspraak op bezwaar zijn door de Rechtbank bij uitspraken van 30 oktober 2015 gegrond verklaard waarbij de informatiebeschikkingen zijn gewijzigd. Belanghebbenden hebben een termijn van twee maanden gekregen om alsnog aan het informatieverzoek te voldoen. Bij brief van 27 december 2015 hebben belanghebbenden nadere informatie verstrekt. Tegen de voornoemde uitspraken van de Rechtbank is geen hoger beroep ingesteld.

2.2.4.

Nadien hebben wederom verschillende e-mail- en briefwisselingen plaatsgevonden waarin partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag of alle informatie is verstrekt.

2.2.5.

Met dagtekening 20 december 2016 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2004 opgelegd en met dagtekening 1 december 2017 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV 2005 opgelegd, waarin bij beide belanghebbenden € 50.000 aan box 1-inkomen is bijgeteld en box 3-inkomens zijn vastgesteld, gebaseerd op vermogens van € 75.000:

Belanghebbende:

de man

de vrouw

Procedurenummer:

19/00288

19/00289

19/00322

19/00323

Betreft:

IB/PVV 2004

IB/PVV 2005

IB/PVV 2004

IB/PVV 2005

Aanslagnummer:

[aanslagnummer 1] H.47

[aanslagnummer 1] H.57

[aanslagnummer 2] H.47

[aanslagnummer 2] H.57

Belastbaar inkomen

uit werk en woning:

€ 50.000

€ 45.934

€ 50.000

€ 50.000

Belastbaar inkomen

uit sparen en beleggen:

€ 4.667

€ 9.358

€ 3.000

€ 3.000

Heffingsrente:

€ 8.707

€ 7.687

€ 9.312

€ 8.164

2.2.6.

De bezwaren van belanghebbenden tegen de navorderingsaanslagen zijn door de Inspecteur afgewezen. Na daartegen beroep te hebben ingesteld heeft de Inspecteur in juni 2018 de volgende verminderingsbeschikkingen vastgesteld, waarbij de box 1-correcties zijn teruggenomen:

Belanghebbende:

de man

de vrouw

Betreft:

IB/PVV 2004

IB/PVV 2005

IB/PVV 2004

IB/PVV 2005

Belastbaar inkomen

uit werk en woning:

€ 0

-/- € 2.492

€ 0

€ 0

Belastbaar inkomen

uit sparen en beleggen:

€ 4.667

€ 9.358

€ 3.000

€ 3.000

Heffingsrente:

€ 209

€ 398

€ 0

€ 0

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Zijn de navorderingsaanslagen terecht met omkering en verzwaring van de bewijslast opgelegd?

2. Kan de Inspecteur navorderen en heeft de Inspecteur terecht de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) toegepast?

3. Zijn de navorderingsaanslagen naar de juiste bedragen opgelegd?

Belanghebbenden zijn van mening dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Belanghebbenden concluderen tot de vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de handhaving van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente zoals die zijn komen te luiden na ambtshalve vermindering, vernietiging van de beslissingen van de Inspecteur en vernietiging van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van het procesbelang

4.1.

Na het instellen van beroep bij de Rechtbank door belanghebbenden heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen van de man en de vrouw over 2004 en 2005 ambtshalve verminderd in die zin dat de box 1-correcties zijn teruggenomen. Bij de vrouw leidt dat ertoe dat de verschuldigde IB/PVV over 2004 en 2005 de heffingskortingen niet overstijgt. Voor de vrouw is het procesbelang komen te vervallen, op grond waarvan het hoger beroep van de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Standpunten van de partijen

4.2.

De man stelt dat de Inspecteur niet heeft aangegeven op welke jaren de informatiebeschikking betrekking heeft en welke informatie ontbreekt. Daarom kan volgens hem geen sprake zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast. Naar de mening van de man beschikte de Inspecteur bovendien over alle relevante stukken aan de hand waarvan de navorderingsaanslagen konden worden opgelegd, waardoor de informatiebeschikking en de daaruit voortvloeiende omkering en verzwaring van de bewijslast niet noodzakelijk was. Daarnaast stelt de man dat hij in 2001 zijn woning heeft verkocht en dat de daarmee gerealiseerde overwaarde tot spaargeld heeft geleid dat niet in het buitenland is opgekomen. Volgens de man was de Inspecteur van de verkoop van de woning reeds in 2001 op de hoogte, waardoor navordering niet meer mogelijk is. Bovendien meent de man dat de navorderingstermijn reeds verstreken was en de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de AWR niet aan de orde is, omdat het spaargeld als gevolg van de verkoop van de woning niet in het buitenland is opgekomen. Voorts stelt de man dat hij de overwaarde van de woning en de buitenlandse bankrekening reeds in 2013 heeft gemeld, waardoor geen sprake is van kwade trouw. De man verzoekt om proceskostenvergoeding en vergoeding voor immateriële schade.

4.3.

De Inspecteur heeft aangevoerd dat de informatie die de man op grond van de informatiebeschikking had moeten verstrekken tot op heden door hem niet is verstrekt, waardoor de omkering en verzwaring van de bewijslast gerechtvaardigd is. Bovendien stelt de man volgens de Inspecteur slechts dat het spaargeld afkomstig is van de overwaarde van de verkochte woning maar hij onderbouwt die stelling niet met nadere stukken. Daarnaast heeft de Inspecteur aangevoerd dat de man door middel van de inkeerverklaring zelf heeft aangegeven dat hij over een buitenlands banktegoed van € 150.000 beschikt en dat de opgelegde navorderingsaanslagen daarom in redelijkheid zijn vastgesteld. De Inspecteur is dan ook van mening dat de man in 2004 en in 2005 een buitenlandse bankrekening heeft aangehouden, waarover hij geen informatie wil verstrekken. Omdat volgens de Inspecteur sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast en de man geen stukken heeft aangeleverd om de hoogte van de correcties in box 3 te kunnen vaststellen, heeft de Rechtbank de correcties in box 3 van de Inspecteur terecht als redelijk beoordeeld.

Ten aanzien van de eerste vraag:

4.4.

In haar uitspraak van 30 oktober 2015 (procedurenummers 14/2181 en 14/2182) heeft de Rechtbank op de beroepen van belanghebbenden tegen de uitspraken op bezwaar tegen de informatiebeschikkingen het volgende beslist:

‘2.9. Ter zitting heeft de inspecteur erkend dat een deel van de gevraagde informatie reeds door belanghebbende is verstrekt. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de informatiebeschikking kan worden beperkt tot de volgende vragen en bescheiden:

1. het openingsformulier en de jaaroverzichten vanaf de opening tot en met 2002 van de bankrekeningen bij [B SA] ;

2. bewijs van de herkomst van de bedragen waarmee in 2005 en 2009 het saldo is toegenomen van de bij [B SA] aangehouden rekening.(‘Sparkonto’) met rekeningnummer [bankrekeningnummer 2] ;

3. het openingsformulier en de jaaroverzichten vanaf de opening tot en met 2012 danwel eerdere datum van opheffing van de bankrekening bij [de bank] ;

4. het openingsformulier en de jaaroverzichten van de bankrekening bij [C] vanaf de opening tot en met 2012 danwel eerdere datum van opheffing van deze rekening;’

2.10.

Artikel 47 van de AWR geeft de inspecteur ruime bevoegdheden aan een belastingplichtige informatie te vragen. Het is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (HR 8 januari 1986, nr. 23034, BNB 1986/128). Voor het bestaan van de verplichting gevraagde gegevens te verstrekken is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige van belang zouden kunnen zijn (HR 1 8 april 2003, nr. 38122, ECLI:NL:HR:2003:AF7498).

2.11.

Vaststaat dat belanghebbende sinds 2001 beschikte over banksaldi bij een Luxemburgse bank, dat hij (in ieder geval) in 2011 en 2012 een bankrekening aanhield bij [de bank] en dat hij (in ieder geval) in 2012 over vermogen beschikte op een Belgische bankrekening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de door hem gevraagde openingsoverzichten en jaaroverzichten van deze bankrekeningen van belang kunnen zijn voor de belastingheffing bij belanghebbende over de jaren waarover de inspecteur nog kan navorderen. De inspecteur heeft in dit verband ter zitting toegelicht dat het voor de vermogenspositie van belanghebbende relevant kan zijn om het saldoverloop van de bankrekeningen vanaf de opening te kunnen beoordelen. Met deze toelichting acht de rechtbank aannemelijk gemaakt dat ook de gevraagde informatie die betrekking heeft op jaren waarover niet meer kan worden nagevorderd, van belang kan zijn voor de belastingheffing over jaren waarvan de navorderingstermijn nog niet is verstreken. Door de in 2.9 vermelde informatie niet te verstrekken, terwijl niet aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende die informatie niet heeft en niet met redelijkerwijs van hem te verlangen moeite kan verkrijgen, heeft belanghebbende niet aan zijn informatieverplichting voldaan. De informatiebeschikking is in zoverre terecht genomen.’

4.5.

Bij brief van 31 maart 2016 heeft de Inspecteur aan de man meegedeeld dat hij de stukken zoals genoemd in de hiervoor weergegeven rechtsoverweging 2.9 van de uitspraak van de Rechtbank niet heeft overgelegd. Tegen de beslissing van de Rechtbank is geen hoger beroep ingesteld, waardoor deze definitief is geworden. Het Hof is van oordeel dat de man niet heeft voldaan aan de aan hem door de Inspecteur opgelegde informatieverplichting zoals deze nader is omschreven door de Rechtbank binnen twee maanden na verzending van de uitspraak van de Rechtbank. Naar het oordeel van het Hof doet daaraan niet af dat de Inspecteur volgens de man niet heeft aangegeven op welke jaren de informatiebeschikking betrekking heeft en welke informatie ontbreekt. Van belang is immers dat de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van de man. Ter zitting voor de Rechtbank heeft de Inspecteur toegelicht dat het voor de vermogenspositie van de man relevant kan zijn om het saldoverloop van de in rechtsoverweging 2.9 genoemde bankrekeningen vanaf de opening te kunnen beoordelen. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de Inspecteur met deze toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de in rechtsoverweging 2.9 verlangde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing over jaren waarvan de navorderingstermijn nog niet is verstreken. Bovendien kon de man uit rechtsoverweging 2.9 van de uitspraak van de Rechtbank eenvoudig afleiden welke bescheiden hij nog diende te overleggen. Onder die omstandigheden is het Hof van oordeel dat het niet voldoen aan de informatieverplichting door de man van dien aard is dat omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 27e, lid 1, van de AWR gerechtvaardigd is.

4.6.

De eerste vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede vraag

4.7.

Aan de man is met dagtekening 21 april 2007 de primitieve aanslag IB/PVV 2004 en met dagtekening 7 december 2007 de primitieve aanslag IB/PVV 2005 opgelegd. Pas bij brief van 15 mei 2013 heeft de man informatie verstrekt over bij [B SA] aangehouden vermogen over de jaren 2003 tot en met 2012. Uit het tijdstip van bekendmaking van het buitenlandse vermogen door de man leidt het Hof af dat de Inspecteur op het tijdstip van het opleggen van de primitieve aanslagen IB/PVV niet met het buitenlandse vermogen bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Daarmee is naar het oordeel van het Hof sprake van de aanwezigheid van een nieuw feit in de zin van artikel 16, lid 1, van de AWR op grond waarvan het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2004 en 2005 aan de man gerechtvaardigd was.

4.8.

De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de AWR opgelegd. Bij brief van 17 september 2013 heeft de man verklaard dat hij samen met zijn echtgenote in 2004 over een banktegoed van € 11.525 bij [B SA] beschikte. In dezelfde brief heeft de man tevens verklaard dat hij samen met zijn echtgenote in 2005 over een banktegoed van € 58.584 bij [B SA] beschikte. Uit deze verklaringen leidt het Hof af dat de man in 2004 en in 2005 over in het buitenland gehouden vermogensbestanddelen beschikte, waarover in Nederland te weinig belasting is geheven. Naar het oordeel van het Hof kon de Inspecteur reeds op grond van die omstandigheid met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de AWR aan de man navorderingsaanslagen over 2004 en over 2005 opleggen. Aan de vraag of de omkering en verzwaring van de bewijslast zich uitstrekt tot de voorwaarden van de navordering komt het Hof niet toe.

4.9.

De tweede vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de derde vraag

4.10.

De Inspecteur heeft over 2004 en over 2005 aan de man navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd naar een box-3 vermogen van € 75.000. Omdat de man niet heeft voldaan aan de informatiebeschikking, rust op de man de bewijslast overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de navorderingsaanslagen te hoog zijn (omkering en verzwaring van de bewijslast). Het Hof is van oordeel dat de man met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aan deze bewijslast heeft voldaan voor het jaar 2005. Dit neemt niet weg dat de navorderingsaanslag gebaseerd moet zijn op een redelijke schatting. Het Hof is van oordeel dat dit het geval is. De man heeft bij de meergenoemde brief van 17 september 2013 verklaard dat hij in 2004 samen met zijn echtgenote over een gezamenlijk vermogen van € 151.525 (€ 11.525 + € 140.000 aan contanten) beschikte. In dezelfde brief heeft de man tevens verklaard dat hij in 2005 samen met zijn echtgenote over een gezamenlijk vermogen van € 148.584 (€ 58.584 + € 90.000 aan contanten) beschikte.

4.11.

Op de zitting heeft de Inspecteur erkend dat bij de navorderingsaanslag 2004 ten onrechte de bij de aanslag IB/PVV uitbetaalde heffingskorting van € 467 is gecorrigeerd. Dit betekent dat de navorderingsaanslag 2004 dient te worden vernietigd, omdat de verschuldigde IB/PVV nihil bedraagt en dit ook het bedrag is dat in de primitieve aanslag is begrepen.

4.12.

De derde vraag dient voor 2004 ontkennend en voor 2005 bevestigend te worden beantwoord.

Slotsom

4.13.

De slotsom is dat de hoger beroepen van de vrouw niet-ontvankelijk zijn en het hoger beroep van de man ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 gegrond is en ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 ongegrond is.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.14.

Aangezien in hoger beroep de redelijke termijn niet is overschreden, is er geen grond voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

De Inspecteur dient aan de man het bij het Hof betaalde griffierecht van € 128 te vergoeden omdat de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Het Hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de kosten die de man redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof. Het Hof stelt deze vergoeding op het bedrag van de reiskosten voor het bijwonen van de zitting van € 28,26.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart de hoger beroepen van de vrouw niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het hoger beroep van de man inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2005 ongegrond;

  • -

    verklaart het hoger beroep van de man inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de navorderingsaanslag IB/PVV 2004 van de man;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslag 2004 van de man en de daarbij behorende beschikking heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof van € 28,26;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan de man het ter zake van behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van € 128 vergoedt.

Aldus gedaan op 20 februari 2020 door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, A.J. Kromhout en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van P.A. Flutsch, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.