Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:642

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
19/00120
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:1256, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:659, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Heffingsambtenaar heeft vlak voor de zitting en daarna ter zitting pas voor het eerst gereageerd op het hoger beroepschrift van belanghebbende en daarbij een aantal stukken ingediend. De stukken en het standpunt van misbruik van recht worden door het Hof buiten beschouwing gelaten. Geen terugwijzing in verband met een volgens belanghebbende onjuist verlopen wrakingsprocedure en onterecht afgewezen wrakingsverzoek. Geen recht op dwangsom omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Heffingsambtenaar in gebreke heeft gesteld. Geen schending hoorplicht omdat de Heffingsambtenaar volledig was tegemoetgekomen aan het bezwaar. Geen proceskostenvergoeding voor verleende rechtsbijstand omdat de (BV van de) echtgenoot van belanghebbende niet een derde is in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 16-03-2020
V-N Vandaag 2020/669
FutD 2020-0925 met annotatie van Fiscaal up to Date
Belastingblad 2020/201 met annotatie van Redactie
V-N 2020/25.1.2
NTFR 2020/947
NLF 2020/0797 met annotatie van
NLF 2020/0797 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 19/00120

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 4 maart 2019, nummer SHE 18/49823 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,

hierna: de Heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 30 juni 2017 aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing (hierna: de aanslagen) opgelegd over het jaar 2017 (aanslagnummer [aanslagnummer] ).

1.2.

Op 8 juli 2017 heeft belanghebbende bezwaarschriften ingediend tegen de aanslagen.

1.3.

Belanghebbende heeft op 17 februari 2018 beroep ingediend tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de in 1.2. vermelde bezwaarschriften. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

De Heffingsambtenaar heeft op 22 februari 2018 uitspraken gedaan op de in 1.2. vermelde bezwaren.

1.5.

Een door belanghebbende op 20 januari 2019 ingediend wrakingsverzoek is afgewezen bij beschikking van de wrakingskamer van de Rechtbank van 11 februari 2019.

1.6.

De Rechtbank heeft op 4 maart 2019 het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet-tijdig beslissen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

1.7.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128.

1.8.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9.

De zitting heeft plaatsgehad op 10 januari 2020 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] . Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn niet verschenen, zonder kennisgeving vooraf aan het Hof.

De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij brief van 20 november 2019, heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres.

1.10.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.11.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [A] (hierna: [A] ) en zij zijn samen eigenaar van de onroerende zaak [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2.

Met dagtekening 30 juni 2017 is aan belanghebbende ter zake van de woning een aanslag rioolheffing gebruiker opgelegd van € 225,96 en een aanslag afvalstoffenheffing van € 261,60. Op de achterzijde van het aanslagbiljet staat vermeld dat digitaal bezwaar kan worden gemaakt via www.helmond.nl/belastingen.

2.3.

Op 8 juli 2017 heeft [A] namens [A BV] (hierna: de B.V.) als gemachtigde van belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslagen met als argument dat belanghebbende niet het gehele jaar gebruiker is geweest van de woning. In het bezwaarschrift verzoekt belanghebbende om telefonisch te worden gehoord en tevens verzoekt hij om een vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Het bezwaarschrift is ingediend op het adres Klanteninfo@ helmond .nl. Per e-mail van 10 juli 2017 is het bezwaarschrift doorgezonden naar het juiste e-mailadres.

2.4.

Tot de stukken van het geding hoort een machtiging van 4 augustus 2017. Die vermeldt het volgende:

“ [belanghebbende] (…) machtigt hierbij mr. drs. [A] , h.o.d.n. [AA]

en/of [A BV] en/of legal control gevestigd te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres 2] ……”.

2.5.

Belanghebbende heeft op 17 februari 2018 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Tevens verzoekt belanghebbende de door de Heffingsambtenaar te verbeuren dwangsom te bepalen.

2.6.

De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 22 februari 2018 uitspraken op bezwaar gedaan. Hij heeft daarbij de aanslagen verminderd tot € 94 (rioolheffing gebruiker) en € 109 (afvalstoffenheffing) omdat belanghebbende pas vanaf 20 juli 2017 gebruiker was van de woning. Het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarfase is door de Heffingsambtenaar afgewezen omdat [A] mede-eigenaar/gebruiker is van de woning.

2.7.

Bij brief van 20 januari 2019 heeft belanghebbende een verzoek tot wraking van een van de behandelende rechters bij de Rechtbank, mr. Rijnbeek, gedaan. Bij uitspraak van 11 februari 2019 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen.

2.8.

De Rechtbank heeft op 4 maart 2019 uitspraak gedaan en het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard. Namens belanghebbende heeft [A] hoger beroep aangetekend.

2.9.

Bij brief van 16 mei 2019 heeft het Hof de Heffingsambtenaar uitgenodigd om binnen 6 weken een verweerschrift in te dienen. Bij brief van 28 juni 2019 heeft het Hof de Heffingsambtenaar er op gewezen dat nog geen reactie is ontvangen. Het Hof stelt de Heffingsambtenaar alsnog in de gelegenheid om uiterlijk 12 juli 2019 een verweerschrift in te dienen. Als op de genoemde datum geen verweerschrift ter griffie is ontvangen gaat het Hof er van uit dat de Heffingsambtenaar geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid een verweerschrift in te dienen.

2.10.

Bij brief van 24 december 2019, op dezelfde dag binnengekomen bij het Hof, stelt [A] vast dat nog geen verweerschrift is binnengekomen. Hij stelt dat hij vanwege vakantie en feestdagen de komende weken niet op kantoor aanwezig is en daarom geen kennis kan nemen van een eventueel na die datum ingediend verweerschrift.

2.11.

De Heffingsambtenaar heeft met dagtekening 24 december 2019 een verweerschrift met bijlagen ingediend, dat op 30 december 2019 bij het Hof is binnengekomen. Met dagtekening 30 december 2019 heeft de Heffingsambtenaar een aanvulling op de bijlagen ingediend. Dat laatste stuk is op 31 december 2019 bij het Hof binnengekomen. Bij brief van 2 januari 2020 heeft belanghebbende hierop gereageerd door te stellen dat hij vanwege vakantie niet in staat is om inhoudelijk op deze stukken in te gaan.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Dient de zaak teruggewezen te worden naar de Rechtbank omdat belanghebbende geen uitnodiging voor de wrakingszitting heeft gehad en omdat een van de rechters die de uitspraak hebben gedaan vooringenomen was?

  2. Dient de zaak teruggewezen te worden naar de Heffingsambtenaar voor het doen van uitspraak op het bezwaar tegen de dwangsom?

  3. Heeft belanghebbende recht op een dwangsom omdat de Heffingsambtenaar niet tijdig uitspraak op bezwaar gedaan heeft?

  4. Heeft de Heffingsambtenaar in de bezwaarfase de hoorplicht geschonden?

  5. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van de kosten van de bezwaar- en beroepsfase?

Belanghebbende is van mening dat de vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is met betrekking tot de vragen 2 tot en met 5 de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Met betrekking tot vraag 1 sluit de Heffingsambtenaar zich aan bij het oordeel van het Hof.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar of naar de Rechtbank ter behandeling van de zaak in een andere samenstelling. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.0

Vooraf.

4.0.1.

Belanghebbende is niet verschenen bij de zitting van het Hof. In de brief van de gemachtigde van belanghebbende van 2 januari 2020 verwijst belanghebbende naar de zitting van 10 januari 2020. Hieruit blijkt dat belanghebbende de op juiste wijze verstuurde uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen.

4.0.2.

Belanghebbende heeft in de brieven van 24 december 2019 en 2 januari 2020 verzocht om stukken die in deze fase van het geding nog ingebracht worden buiten beschouwing te laten dan wel de zitting uit te stellen. Het Hof overweegt hierover als volgt.

Door het Hof is aan de Heffingsambtenaar tweemaal verzocht om een verweerschrift in te dienen met als laatste indieningstijdstip 12 juli 2019 (zie 2.9). De Heffingsambtenaar heeft niet op deze brieven gereageerd. Uiteindelijk is bij het Hof op 30 december 2019 onder de benaming “verweerschrift” een reactie op het hoger beroepschrift binnengekomen met daarbij een aantal bijlagen. Het betreft alles bij elkaar 46 bladzijden. Vervolgens is op 31 december 2019, dat is binnen de 10-dagentermijn van artikel 8:58, lid 1 Awb, nog een bijlage door de Heffingsambtenaar ingediend. In deze stukken worden deels stellingen betrokken van feitelijke aard die een nader onderzoek vergen en (deels) niet eerder ingenomen standpunten verdedigd. Naar het oordeel van het Hof heeft de Heffingsambtenaar zijn standpunt(en) en de daarbij behorende stukken in een zo laat stadium ingebracht, dat belanghebbende onvoldoende tijd heeft om vóór of op de zitting daarop adequaat te kunnen reageren. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de stukken zijn opgestuurd in een periode van feestdagen en vrije dagen, waarbij belanghebbende vóórdat de stukken ingestuurd werden, heeft aangegeven met vakantie te zijn. Door de handelwijze van de Heffingsambtenaar is belanghebbende in zijn procespositie geschaad. Gelet op alle feiten en omstandigheden zal het Hof de laat ingebrachte stukken bij de beoordeling van de zaak buiten beschouwing laten. De Heffingsambtenaar had de stukken, met daarin nieuwe feiten en standpunten, veel eerder in moeten en kunnen brengen. Hij heeft geen enkele verklaring gegeven voor de late indiening van de stukken. En het Hof heeft uitdrukkelijk aan de Heffingsambtenaar meegedeeld dat, als niet tijdig een verweerschrift wordt ingediend, het Hof er van uitgaat dat er geen verweerschrift meer zal volgen. Gelet op dit alles is het Hof van oordeel dat in het kader van een goede procesorde de zitting doorgang moet vinden zonder daarbij de hiervoor vermelde stukken daarbij te betrekken. Dat de stukken van 30 december 2019 zijn ingebracht (net) vóór de 10-dagen termijn doet aan het oordeel van het Hof niet af.

4.0.3.

De Heffingsambtenaar stelt zich ter zitting bij het Hof voor het eerst op het standpunt dat belanghebbende misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek moet worden verweten en daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Naar het oordeel van het Hof had de Heffingsambtenaar deze stelling redelijkerwijs eerder in de procedure in kunnen en moeten brengen. De stelling is deels van feitelijke aard en brengt belanghebbende in een nadelige processuele positie. Het Hof acht het bij een afweging van het belang van de Heffingsambtenaar bij een inhoudelijke behandeling van zijn stelling tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure, niet in overeenstemming met een goede procesorde indien die stelling verder wordt toegelaten. Het Hof beschouwt deze dan ook als tardief.

4.1.

Terugwijzing in verband met het wrakingsverzoek

4.1.1.

Op grond van artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.1.2.

Artikel 8:18 Awb luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

2. De verzoeker en de rechter wiens wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De bestuursrechter kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of de rechter wiens wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord.

3. De bestuursrechter beslist zo spoedig mogelijk. (…)

(…)

5. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.”.

4.2.3.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824 beslist dat tegen een beslissing op een wrakingsverzoek geen hoger beroep openstaat en vervolgt dan:

“Zulks is slechts anders indien de rechter de regeling met betrekking tot de wraking ten onrechte niet heeft toegepast, of buiten het toepassingsgebied ervan is getreden, dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking niet kan worden gesproken.”.

4.2.4.

In het arrest van 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende geoordeeld:

“Belanghebbende heeft voor het Hof - tevergeefs - een wrakingsverzoek gedaan. Tegen de beslissing op dat verzoek staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, lid 5, Awb), behoudens in zich hier niet voordoende uitzonderingsgevallen (vgl. HR 22 januari 1999, nr. R98/091, ECLI:NL:HR:1999:ZC2824, NJ 1999/243, en ABRvS 20 juli 2005, nr. 200410073/1, ECLI:NL:RVS:2005:AT9705, AB 2005/373).

Het vorenstaande neemt niet weg - ook niet in het licht van artikel 8:18, lid 5, Awb - dat de onpartijdigheid van de tevergeefs gewraakte rechter na aanwending van een rechtsmiddel tegen de einduitspraak, in de eerstvolgende instantie ten toets kan komen in het kader van een klacht over schending van het fundamentele recht op behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter (zie HR 2 december 2005, nr. 40066, ECLI:NL:HR:2005:AU7352, BNB 2006/96).”.

4.1.5

Uit het voorgaande volgt dat in uitzonderlijke gevallen hoger beroep mogelijk is tegen een wrakingsbeslissing en dat daarnaast de (on)partijdigheid van de tevergeefs gewraakte rechter in hoger beroep aan de orde gesteld kan worden.

4.1.6.

Belanghebbende heeft in het hoger beroepschrift tegen de einduitspraak van de Rechtbank gesteld dat hij geen uitnodiging heeft ontvangen voor de wrakingszitting.

Het Hof merkt deze grief aan als een hoger beroep gericht tegen de wrakingsuitspraak en dat hoger beroep is ook tijdig. Het Hof zal deze grief toetsen aan het arrest genoemd in 4.1.3.

4.1.7.

In het onderhavige geval heeft de wrakingskamer van de Rechtbank bij beschikking van 11 februari 2019 het verzoek tot wraking van mr. Rijnbeek afgewezen. De zitting voor de wrakingskamer is gehouden op 31 januari 2019. Mr. Rijnbeek heeft op 25 januari 2019 schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd en daarbij vermeld dat zij niet op de zitting van de wrakingskamer aanwezig zal zijn. Aan belanghebbende is de schriftelijk reactie van mr. Rijnbeek toegezonden waarop belanghebbende vervolgens bij brief van 29 januari 2019 zijn reactie heeft gegeven.

4.1.8.

In artikel 8:18, lid 2 Awb is bepaald dat verzoeker en de rechter wiens wraking is verzocht in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord. Aan deze bepaling ligt het beginsel van hoor en wederhoor ten grondslag. Uit het wrakingsdossier blijkt dat de uitnodiging voor de wrakingszitting niet aangetekend is verzonden. In dit geval heeft belanghebbende de schriftelijke reactie van de rechter toegestuurd gekregen, ter kennisneming. Hij heeft daarop bij brief van 29 januari 2019 uitgebreid gereageerd en uit de beschikking van 11 februari 2019 blijkt dat ook de wrakingskamer van zijn reactie kennis heeft genomen. De gewraakte rechter is niet op de zitting van de wrakingskamer verschenen. Indien belanghebbende, zoals hij stelt, de uitnodiging voor de wrakingszitting niet heeft ontvangen acht het Hof dat in dit specifieke geval niet zwaarwegend genoeg om te spreken van het niet in acht nemen van zodanige essentiële vormen dat geen eerlijke en onpartijdige behandeling van het verzoek tot wraking heeft plaatsgevonden. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is het beginsel van hoor en wederhoor namelijk niet geschonden. Belanghebbende klaagt er ook over dat in de beschikking van de wrakingskamer niet de feiten zijn opgenomen waaruit blijkt dat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op regelmatige wijze op het betrokken adres is aangeboden. Ook deze grief slaagt niet aangezien het arrest waar belanghebbende naar verwijst, Hoge Raad 14 oktober 2011, nr. 10/05503, ECLI:NL:HR:2011:BT7458, betrekking heeft op de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 Awb. Deze bepaling is in de wrakingsprocedure niet van toepassing.

Gelet op het voorgaande kan belanghebbendes grief niet slagen.

4.1.9.

Het voorgaande neemt niet weg dat de onpartijdigheid van de tevergeefs gewraakte rechter na indiening van hoger beroep tegen de einduitspraak van de Rechtbank weer aan de orde gesteld kan worden in het kader van een klacht over schending van het fundamentele recht op behandeling van de zaak door een onpartijdige rechter (zie het arrest aangehaald in 4.1.4). Belanghebbende heeft gesteld dat een van de behandelend rechters bij de Rechtbank, mr. Rijnbeek vooringenomen is, gelet op de door die rechter gedane uitspraak van 21 december 2018 (ECLI:NL:RBOBR:2018:6516). In die zaak trad ook [A] als gemachtigde op en daarin is door mr. Rijnbeek overwogen dat “ [A] ….de schijn tegen heeft”.

Hieruit kan volgens belanghebbende geen andere conclusie getrokken worden dan dat mr. Rijnbeek vooringenomen is ten overstaan van belanghebbende nu deze zaak door [A] , die de schijn tegen heeft, als rechtsbijstandsverlener werd/wordt gevoerd.

4.1.10.

Het Hof overweegt dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de belanghebbende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de belanghebbende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (Hoge Raad 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1331). Naar het oordeel van het Hof heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking terecht afgewezen. In ECLI:NL:RBOBR:2018:6516 ging het om een situatie waarin [A] een bezwaarschrift naar een verkeerde instantie had gestuurd en daarbij was de vraag of sprake was van misbruik van recht in de zin van artikel 6:15, lid 3 Awb. Mr. Rijnbeek verwijst in die uitspraak naar een groot aantal zaken waarin [A] eveneens bezwaarschriften en andere geschriften naar het verkeerde adres had gestuurd en waarin de rechters geoordeeld hadden dat daarbij sprake was van misbruik van recht. De opmerking van de rechter dat [A] de schijn tegen heeft moet in deze context geplaatst worden en heeft uitsluitend betrekking op een door de rechter op basis van een aantal uitspraken geconstateerd patroon van toezending van stukken naar een onbevoegd bestuursorgaan. Naar het oordeel van het Hof kon mr. Rijnbeek met betrekking tot een dergelijk patroon, objectief en zonder enige (schijn van) vooringenomenheid, uitspreken dat in een aldaar voorliggend geval van toezending aan het onjuiste adres, [A] de schijn tegen heeft.

4.1.11.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt het Hof het standpunt van belanghebbende dat, onder vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, terugwijzing naar de Rechtbank moet plaatsvinden.

4.2.

Schending artikel 6:15 Awb

4.2.1.

Belanghebbende heeft tegelijk met het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar tevens verzocht om de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een dwangsom. Volgens belanghebbende kan hieruit afgeleid worden dat het beroepschrift bezwaren bevat tegen de afwijzing van het dwangsomverzoek. Tegen die afwijzing had eerst bezwaar gemaakt moeten worden voordat beroep bij de Rechtbank kan worden ingesteld. Belanghebbende is dan ook van mening dat de Rechtbank dit beroep naar het College van B en W van Helmond had moeten sturen ter behandeling als bezwaar en verwijst hiervoor naar Hoge Raad 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2080. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende en overweegt daarbij als volgt.

4.2.2.

Het Hof stelt vast dat, anders dan belanghebbende veronderstelt, de Heffingsambtenaar niet heeft beslist op het door belanghebbende in het beroepschrift gedaan verzoek tot toekenning van een dwangsom. Ook eerder is niet beslist op een dergelijk verzoek. Het Hof overweegt daarbij dat de tot de gedingstukken behorende afwijzing van een dwangsomverzoek niet betrekking heeft op deze procedure maar op de procedure inzake de WOZ-waarde en de aanslag OZB 2017 met betrekking tot de woning (bekend onder nr. 19/00119). Ingevolge artikel 4:19 Awb heeft het bezwaar of beroep tegen een uitspraak op bezwaar tevens betrekking op een beschikking tot vaststelling van een dwangsom. In dit geval ontbreekt een dergelijke beschikking. In zijn arrest van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook als er geen dwangsombeschikking is, klachten daarover en over de hoogte van de dwangsom worden ingebracht en behandeld in het kader van het beroep tegen het niet (-tijdig) beslissen. Het Hof zal de zaak dan ook niet terugwijzen naar de Heffingsambtenaar, maar zal over het verzoek tot toekenning van een dwangsom zelf beslissen.

4.3.

Recht op dwangsom?

4.3.1.

Belanghebbende is van mening dat hij recht op een dwangsom heeft omdat de Heffingsambtenaar niet op uiterlijk 31 december 2017 uitspraken op bezwaar heeft gedaan. Ingevolge artikel 4:17, lid 1 Awb verbeurt de Heffingsambtenaar een dwangsom voor elke dag dat hij in gebreke is. Er bestaat blijkens art. 4:17, lid 3 Awb alleen recht op een dwangsom indien de Heffingsambtenaar in gebreke is en een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. De Heffingsambtenaar stelt dat hij niet in gebreke is met het doen van uitspraken op bezwaar omdat hij tijdig een verdagingsbrief gestuurd heeft. Bovendien betwist hij dat hij een ingebrekestelling ontvangen heeft. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij de Heffingsambtenaar bij brief van 30 december 2017 in gebreke heeft gesteld. Deze brief is door belanghebbende overgelegd en behoort tot de gedingstukken. De Heffingsambtenaar betwist die brief te hebben ontvangen.

4.3.2.

Gelet op de betwisting door de Heffingsambtenaar rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken dat de Heffingsambtenaar de ingebrekestelling van 30 december 2017 heeft ontvangen. Daartoe heeft belanghebbende verzendbewijzen en facturen van PostNL overgelegd en tevens enkele verklaringen van een medewerker van PostNL. Hieruit blijkt dat belanghebbende op 30 december 2017 een aantal brieven aan Post.NL ter verzending aangeboden heeft, waaronder een brief die als “losse post” gericht is aan de gemeente Helmond . Ter zake van de verzending van “losse post” is een factuur bijgevoegd inzake 12 verzonden brieven over de periode 1 januari tot 8 januari 2018. Uit de verklaringen van de medewerker van PostNL blijkt dat die brieven ook daadwerkelijk verzonden zijn. In het verzendbewijs dat bij de brief aan de gemeente Helmond hoort is als omschrijving opgenomen: “ingebrekestelling” en verder is ook een klantordernummer opgenomen.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende hiermee de verzending van de ingebrekestelling niet aannemelijk gemaakt. Wel is aannemelijk gemaakt dat er op 30 december 2017 een ingebrekestelling naar de gemeente Helmond is verzonden, maar uit niets blijkt dat dat de hierboven vermelde brief is. Er is geen naam, nummer en jaar waarop de ingebrekestelling ziet in de verzendbewijzen vermeld zodat niet kan worden vastgesteld dat de brief die aan de gemeente Helmond verstuurd is de hierboven vermelde brief is.

4.3.3.

Omdat op grond van hetgeen in 4.3.2. is overwogen aangenomen moet worden dat belanghebbende de Heffingsambtenaar niet in gebreke heeft gesteld, bestaat geen recht op een dwangsom. De vraag of de Heffingsambtenaar een verdagingsbrief verzonden heeft hoeft dan ook niet meer beantwoord te worden.

4.4.

Heeft de Heffingsambtenaar de hoorplicht geschonden?

4.4.1.

Belanghebbende is niet gehoord ondanks dat hij daarom in het bezwaarschrift heeft verzocht. Volgens belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar de hoorplicht dan ook geschonden. Het Hof oordeelt als volgt.

4.4.2.

Ingevolge artikel 7:3. aanhef en letter e Awb kan, voor zover hier van belang, van het horen worden afgezien indien aan het bezwaar volledig tegemoetgekomen wordt. Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. In artikel 6:20, lid 3, Awb is bepaald dat een dergelijk beroep mede betrekking heeft op de later gedane uitspraken op bezwaar tenzij geheel aan de bezwaren is tegemoetgekomen. De Heffingsambtenaar heeft in de uitspraken op bezwaar de aanslagen verminderd. Belanghebbende heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd, zodat aangenomen moet worden dat de Heffingsambtenaar met betrekking tot het materiële geschil volledig is tegemoetgekomen aan de bezwaren. Gelet hierop en het vermelde in artikel 7:3 aanhef en letter e Awb kon de Heffingsambtenaar dan ook afzien van het horen. De verwijzing van belanghebbende naar Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114 leidt het Hof niet tot een ander oordeel. Daar betrof het een situatie waarin, anders dan hier, niet volledig was tegemoetgekomen aan de grieven van belanghebbende. Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat niet volledig is tegemoetgekomen aan het bezwaar omdat de gevraagde kostenvergoeding niet is toegekend, verwerpt het Hof dit betoog. In Hoge Raad, 25 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1619 is beslist dat, als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan nevenvorderingen, zoals een verzoek om kostenvergoeding, het niet op grond van artikel 7:2 Awb verplicht is de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord. Gelet hierop is de hoorplicht niet geschonden.

4.5.

Vergoeding kosten bezwaar- en beroepsfase

4.5.1.

Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding toe te kennen voor de kosten van rechtsbijstand die in bezwaar en beroep zijn gemaakt. De Heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat geen recht bestaat op een kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase.

4.5.2.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, het volgende beslist:

“3.2.1. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat de zojuist bedoelde familierelatie niet belet dat de advocaat als derde wordt aangemerkt. Die familierelatie behoeft ook niet aan het beroepsmatige karakter van verleende rechtsbijstand in de weg te staan, met dien verstande dat als de rechtsbijstand wordt verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van de belanghebbende in beginsel moet worden aangenomen dat deze niet op zakelijke basis is verleend en daarom niet kan gelden als beroepsmatig verleend.”.

4.5.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1313, het volgende beslist:

“2.2. De Rechtbank heeft geen termen aanwezig geacht om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten. Hiertoe heeft de Rechtbank overwogen (i) dat sprake is van een familierelatie en het gezamenlijk voeren van een huishouding door belanghebbende, de moeder en de gemachtigde, (ii) dat in deze omstandigheden in beginsel moet worden aangenomen dat de rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend en (iii) dat zij in deze zaak geen reden heeft om tot een ander oordeel te komen.

2.3.

Het Hof heeft zich bij de overwegingen van de Rechtbank aangesloten. In dit oordeel ligt kennelijk besloten dat de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand de gebruikelijke hulp tussen ouders en kinderen niet te buiten ging en dat om die reden niet kan worden aangenomen dat deze rechtsbijstand op zakelijke basis is verleend. Aldus opgevat geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (zie HR 19 oktober 2012, nr. 11/04773, ECLI:NL:HR:2012:BY0531, BNB 2012/317; vgl. ook HR 16 september 1981, nr. 20684, BNB 1981/296). …”.

4.5.4.

Gelet op het feit dat belanghebbende en [A] zijn gehuwd en een gezamenlijke huishouding voeren is de rechtsbijstand verleend door een persoon die behoort tot het huishouden van belanghebbende. In beginsel dient dan te worden aangenomen dat de rechtsbijstand niet op zakelijke basis is verleend.

4.5.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de rechtsbijstand is verleend door de vennootschap [A BV] , dat deze B.V. een civielrechtelijke derde is en niet de echtgenoot van belanghebbende. Belanghebbende voert met deze vennootschap ook geen gezamenlijke huishouding. Gelet hierop bestaat volgens belanghebbende wel recht op vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof kan belanghebbende hierin niet volgen en overweegt daartoe het volgende. In het arrest van de Hoge Raad van 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:197, is onder meer het volgende geoordeeld:

“3.1. Het derde middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling, omdat belanghebbende niet direct of indirect als beroepsmatig rechtsbijstandverlener van zichzelf kan optreden. Het middel faalt. De Rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake is in een geval waarin feitelijk de belastingplichtige zelf optreedt in zijn zaak, ook al geschiedt dit namens een rechtspersoon (zie HR 11 mei 2012, nr. 11/03010, ECLI:NL:HR:2012:BW5409, BNB 2012/210).”.

In het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1035 is in gelijke zin geoordeeld.

Indien belanghebbende zou worden gevolgd in zijn standpunt leidt dit tot het ongerijmde gevolg dat rechtsbijstand verleend door de ene echtgenoot aan de andere in beginsel niet zakelijk is (zie 4.5.2), maar indien diezelfde rechtsbijstand wordt verleend door diezelfde echtgenoot maar met tussenschakeling een (eigen) B.V. die rechtsbijstand wél zakelijk is, terwijl die rechtsbijstand verlenende (B.V. van de) echtgenoot optredend in zijn eigen zaak niet voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komt (zie het hiervoor aangehaalde arrest van 9 augustus 2013, 12/05108, ECLI:NL:HR:2013:197). In de visie van belanghebbende zou dus de in 4.5.2 geformuleerde regel uitzondering lijden in geval de rechtsbijstand wordt verleend namens de B.V. van de echtgenoot. Het Hof acht dit een ongewenste doorkruising van de in 4.5.2 geformuleerde regel.

4.5.6.

Uit de omstandigheden van het geval leidt het Hof af dat de verleende rechtsbijstand de normale hulp tussen echtelieden niet te boven gaat. De omstandigheid dat de rechtsbijstand is verleend door tussenkomst van een B.V. maakt dit niet anders. De gemachtigde van belanghebbende, hetzij [A] hetzij [A BV] , kan dan ook niet worden aangemerkt als een derde in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Van beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand is daarom geen sprake.

4.5.7.

Het Hof merkt ten overvloede nog het volgende op. Het bezwaar- en het beroepschrift zijn ingediend door “ [A] namens [A BV] ” In de machtiging die is overgelegd staat dat als gemachtigde optreedt “ [A] h.o.d.n. …. [A BV] ” (zie 2.4.). In het arrest van 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:264, ging het om een machtiging die verleend was door “X h.o.d.n. X.B.V”. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele toevoeging “h.o.d.n. X B.V.” niet de gevolgtrekking kan dragen dat de volmacht in dat geval was verleend door de natuurlijke persoon als vertegenwoordiger van de rechtspersoon. Naar het oordeel van het Hof dient met overeenkomstige toepassing van dit arrest aangenomen te worden dat belanghebbende [A] in persoon heeft gemachtigd en dat [A] zelf, onder de naam van [A BV] , bezwaar en beroep heeft ingesteld. Gelet hierop kan het andersluidende standpunt van belanghebbende niet slagen.

4.5.8.

Al wat belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan in het midden blijven.

5. Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

6. Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

7. Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

8 Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 20 februari 2020 door M.M. de Werd, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en J.H. Bogert, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

1. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.