Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:639

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
28-02-2020
Zaaknummer
200.269.183_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 20 februari 2020

Zaaknummer : 200.269.183/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/362861 / JE RK 19-1695

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats]

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N. Wouters,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1] );

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2] );

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ),

samen ook te noemen: de kinderen.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader], wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de vader;

- Stichting Intervence, gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 20 september 2019, hersteld bij beschikking van diezelfde rechtbank van 23 december 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 november 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen inhoudende dat [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] weer bij de moeder thuisgeplaatst worden, dan wel voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen inhoudende dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] weer bij de moeder thuisgeplaatst worden, dan wel een beslissing te nemen zoals het hof juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Wouters;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.2.1.

De raad is met bericht van verhindering van 21 januari 2020 niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling.

2.3.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

[minderjarige 2] heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord door de voorzitter. [minderjarige 2] heeft de voorzitter ook een brief van zijn zusje [minderjarige 3] gegeven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor en van deze brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de bijlagen van de advocaat van de moeder, ingekomen op 22 november 2019;

  • -

    het faxbericht van de advocaat van de moeder van 22 november 2019 met bijlagen;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de moeder van 9 januari 2020 met bijlagen;

  • -

    de brief van de GI van 17 januari 2020 met bijlage;

  • -

    de V-formulieren van de advocaat van de moeder van 20 januari 2020 met bijlagen;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de moeder van 22 januari 2020 met bijlagen;

  • -

    de brief van de GI van 24 januari 2020 met bijlage.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 9 september 2019 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld. Ook is er in die beschikking machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend van 9 september 2019 tot 23 september 2019.

3.2.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking is de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd met ingang van 23 september 2019 tot 9 december 2019. De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is verlengd met ingang van 23 september 2019 tot 9 december 2019. Deze beschikking is hersteld bij beschikking van 23 december 2019 ten aanzien van de datum van de beschikking.

3.3.

[minderjarige 1] verblijft bij een tante en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij overgrootmoeder.

3.4.

De moeder kan zich met de onder 3.2. genoemde beslissing niet verenigen voor zover het de machtiging tot uithuisplaatsing betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder heeft in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van aannames en onwaarheden van de raad en de GI. Bovendien was de uithuisplaatsing niet noodzakelijk. Er hadden oplossingen gevonden kunnen worden die minder vergaand zijn dan een uithuisplaatsing. De moeder heeft altijd goed meegewerkt en zij heeft zelf ingestemd met een vrijwillige uithuisplaatsing. De stelling dat de moeder zich niet aan de veiligheidsafspraken heeft gehouden klopt niet. Er waren slechts algemene doelen geformuleerd. Bovendien zijn de individuele belangen van de kinderen niet bezien. Zij hebben verschillende problematiek en hun situaties zijn verschillend.

3.7.

De GI heeft schriftelijk en tijdens de mondelinge behandeling, - kort samengevat - het volgende aangevoerd. Op 7 augustus 2019 zijn de kinderen in het eigen netwerk geplaatst voor een time-out. De moeder had aangegeven dat zij de zorg voor de kinderen op dat moment niet aankon en de GI vond de situatie voor de kinderen onveilig. In die periode waren er drie keer per week bezoekmomenten. De moeder heeft adviezen gekregen en er zijn huisregels en doelstellingen opgesteld. Op 6 september 2019 zijn de kinderen naar huis gegaan met duidelijke veiligheidsafspraken. Die werden niet nagekomen en vervolgens is de voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken en is de machtiging uithuisplaatsing verleend. Er zijn zorgen over het (zelf)inzicht van de moeder. De GI acht de machtiging uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk voor alle drie de kinderen, omdat nog onvoldoende duidelijk is wat de moeder nodig heeft om zelfstandig de volledige zorg en opvoeding weer op zich te kunnen nemen.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling, maar uitsluitend tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.

3.8.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.3.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.4.

De termijn van de bij de bestreden beschikking verlengde machtiging uithuisplaatsing is inmiddels verstreken en bij de beschikking van 3 december 2019 schriftelijk uitgewerkt op 19 december 2019 is er een definitieve ondertoezichtstelling uitgesproken tot 3 december 2020 en is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 3 maart 2020.

3.8.5.

Het hof stelt voorop dat ondanks het verstrijken van de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing is verleend (9 december 2019) de moeder, mede gelet op artikel 8 EVRM, wel belang heeft om de rechtmatigheid van die machtiging te laten toetsen.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende gebleken dat de gronden voor uithuisplaatsing ten tijde van de machtiging aanwezig waren. Het hof licht dat als volgt toe.

Er bestonden al geruime tijd (ernstige) zorgen over de (sociaal-emotionele) veiligheid van de kinderen. De moeder heeft te maken gehad met huiselijk geweld waar de kinderen soms getuigen van waren. Er kwamen mannen uit het criminele circuit over de vloer die de moeder ook mishandelden in het bijzijn van de kinderen. Het lukte de moeder niet om dit zorgelijke patroon te doorbreken en zij had onvoldoende inzicht in de weerslag die dit op de kinderen had en in de gevolgen hiervan. Verder was er sprake van onvoldoende structuur en sturing in de opvoeding. De moeder vond het lastig om voldoende continuïteit te bieden in het stellen van regels en grenzen. Er was sprake van fysiek geweld tussen de moeder en de kinderen en de kinderen onderling. De moeder was regelmatig niet fysiek en emotioneel beschikbaar voor de kinderen.

Op 6 augustus 2019 zijn de kinderen op vrijwillige basis uit huis geplaatst, nadat de moeder had aangegeven dat zij was overbelast. De kinderen zijn op 6 september 2019 bij de moeder teruggeplaatst met duidelijke afspraken. Op diezelfde avond nog en de volgende ochtend heeft zij de afspraak dat zij contacten uit het criminele circuit buiten de deur zou houden geschonden. Zij heeft de heer [naam] , een man over wie ernstige zorgen bestaan met betrekking tot politiecontacten en huiselijk geweld, twee keer binnengelaten, terwijl hij onder invloed en/of in emotionele toestand was. Naar aanleiding van dit incident is de machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven.

Evenals de rechtbank en op zelfde gronden die het hof na eigen weging en beoordeling eigen maakt is het hof van oordeel dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was. Het verlengen van de machtiging uithuisplaatsing was dan ook gerechtvaardigd. Uit de schending van de afspraken op de eerste dag na de terugplaatsing blijkt dat het hierboven beschreven zorgelijke patroon nog onverminderd aanwezig was. Daardoor was de (sociaal-emotionele) veiligheid van de kinderen in gevaar. De stelling van de moeder dat zij niet zou (kunnen) weten dat zij specifiek de heer [naam] niet binnen mocht laten, bevestigt dat de moeder onvoldoende (zelf)inzicht had in de problematiek. De resterende duur van de machtiging was in ieder geval nodig om de (sociaal-emotionele) veiligheid van alle drie de kinderen te waarborgen, nader onderzoek te doen naar de situatie van de moeder en nadere afspraken te maken. Terugplaatsing was op dit moment daarom niet aan de orde. Overigens heeft het hof inmiddels wel een positieve ontwikkeling bij de moeder gezien, maar gelet op de periode van de machtiging die voorligt wordt dat nu niet betrokken in de toets.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 20 september 2019, hersteld bij de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 december 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, J.C.E. Ackermans-Wijn en M.A. Ossentjuk en is op 20 februari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.