Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:540

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-02-2020
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
20-001351-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Ontnemingsarrest is gepubliceerd ECLI:NL:GHSHE:2020:539.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001351-18

Uitspraak : 3 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 28 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-214552-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen na wijziging van de tenlastelegging onder 1 primair, en onder 2 ten laste is gelegd (beide feiten in de variant medeplegen) en verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Namens verdachte is primair algehele vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 21 juni tot en met 28 juni 2017 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van beroep en/of bedrijf opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 161, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 28 juni 2017 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, te weten een of meer assimilatielampen, koolstoffilters, knipscharen, plantenpotten, aan- en afzuiginstallatie, transformatoren dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden, andere betaalmiddelen en/of gegevens voorhanden heeft gehad, te weten twee volledig ingerichte kweekruimtes, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

2.
hij in of omstreeks de periode van 21 juni tot en met 28 juni 2017 te Oss, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Enexis B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen hoeveelheid stroom onder zijn bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in de periode van 21 juni tot en met 28 juni 2017 te Oss in de uitoefening van beroep en/of bedrijf opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres 1] , een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 161, hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.
hij in de periode van 21 juni tot en met 28 juni 2017 te Oss met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, toebehorende aan Enexis B.V., waarbij verdachte die weg te nemen hoeveelheid stroom onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

In hoger beroep is door de verdachte verweer gevoerd ten aanzien van het door de politierechter bewezen verklaarde telen van hennepplanten en diefstal van elektra. Evenmin is er, aldus de verdediging, sprake geweest van medeplegen. De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij slechts ruimte in zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan een persoon, genaamd [voornaam] , en dat deze persoon een hennepkwekerij is gestart in zijn woning op een slaapkamer en op de zolder. Verdachte zou daar € 5.000,-- voor krijgen per oogst en heeft verder geen enkele bemoeienis gehad met de opbouw van de hennepkwekerij en heeft daar geen activiteiten verricht. Hooguit zou sprake kunnen zijn van medeplichtigheid maar nu dit niet ten laste is gelegd dient verdachte te worden vrijgesproken. Met de diefstal van elektra heeft de verdachte evenmin bemoeienis gehad, zodat hij ook daarvan dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In de woning van de verdachte is zowel in een slaapkamer als op de zolder een hennepkwekerij aangetroffen. Verdachte heeft eerst ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij door een ander, ene [voornaam] die hij in de kroeg in Oss heeft ontmoet, in zijn woning hennep heeft laten telen, dat er twee oogsten zijn geweest en dat hij in die periode ook in zijn woning verbleef. Hij sliep op de bank in de woonkamer. Blijkens het proces-verbaal van politie was de woning voorzien van een alarminstallatie en van bewegingssensoren.

Naar het oordeel van het hof is verdachtes verklaring over [voornaam] niet aannemelijk. Daartoe overweegt het hof in de eerste plaats dat verdachte geen enkel verifieerbaar gegeven met betrekking tot deze persoon heeft overgelegd. Verdachte zegt de achternaam van [voornaam] niet te weten en ook geen telefoonnummer van hem te hebben. Hij heeft geen enkel ander gegeven van deze persoon verstrekt, waardoor de verklaring van verdachte op geen enkele wijze geconcretiseerd en verifieerbaar is. Ook in het politiedossier is geen enkele aanwijzing te vinden voor zelfs maar het bestaan van ene [voornaam] dan wel van een ander persoon die in de woning van verdachte hennep heeft geteeld. Overigens ziet het hof niet in waarom verdachte deze zeer algemene verklaring over deze [voornaam] niet eerder heeft kunnen afleggen, nu niet duidelijk is waarvoor verdachte dan had moeten vrezen.

Daar komt bij dat in de auto van verdachte hennep is aangetroffen, alsmede stoppen behorende bij een elektriciteitscentrale. In de schuur bij de woning zijn ook meerdere goederen aangetroffen die bij het kweken van hennep gebruikt worden. Verder zijn na onderzoek aan de telefoon van de verdachte zes foto’s aangetroffen waarop een hennepkwekerij zichtbaar was.

Het hof komt tot de slotsom dat verdachtes verklaring over (de rol van) [voornaam] als ongeloofwaardig terzijde dient te worden geschoven.

Alles overziende acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep en diefstal van elektra door middel van verbreking.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Uit de omstandigheden dat de hennep in meerdere ruimtes werd gekweekt, de hoeveelheid planten en de wijze waarop de hennepkwekerijen waren ingericht (zoals een sproei-installatie en een aan- en afzuiginstallatie), leidt het hof af dat de hennepactiviteiten een grootschalig karakter hadden. Het hof acht daarom bewezen dat door verdachte is gehandeld in de uitoefening van beroep of bedrijf.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Ten aanzien van de strafoplegging is zijdens verdachte bepleit een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Daartoe is aangevoerd dat verdachte een psychotische stoornis heeft, waarvoor hij medicatie slikt en waardoor er sprake is van een arbeidsbeperking. Werk moet aangepast zijn aan zijn beperkingen, hetgeen ook het uitvoeren van een werkstraf bemoeilijkt. Een taakstraf voor een beperkt aantal uren is derhalve voor de verdachte beter te overzien.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen van hennepplanten, waarbij tevens op illegale wijze een hoeveelheid elektriciteit is weggenomen.

De bijdrage van de verdachte aan de productie van softdrugs houdt de illegale handel in softdrugs in stand en veroorzaakt bovendien allerlei maatschappelijk ongewenste effecten. Daarnaast is wetenschappelijk aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden. De verdachte heeft zich daar onvoldoende rekenschap van gegeven en heeft met zijn strafbare handelen de instandhouding van het criminele drugscircuit bevorderd. Hij heeft enkel gehandeld voor eigen gewin.

Met de diefstal van elektriciteit heeft de verdachte schade toegebracht aan netbeheerder Enexis. Verder veroorzaken dergelijke illegale elektriciteitsvoorzieningen in het algemeen gevaar voor omwonenden, doordat ze de kans op kortsluiting of brand aanzienlijk vergroten.

Het hof heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 november 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor (andersoortige) strafbare feiten is veroordeeld.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS)’, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Volgens deze oriëntatiepunten kan voor het telen van een hoeveelheid van 100 tot 500 hennepplanten een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis in beginsel als passend worden beschouwd.

Voorts heeft het hof de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof, een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.

Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal, geen aanleiding om in strafmatigende zin van voornoemde oriëntatiepunten af te wijken, ook niet in de door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Daarbij overweegt het hof dat de reclassering in staat moet worden geacht om aangepaste arbeid voor de verdachte te vinden, waarbij rekening wordt gehouden met zijn beperkingen.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, met behulp waarvan het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dient te worden

onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- hennepkwekerij, Bouw/installatiemateriaal, goednummer PL2100-2017134026-1207410.

Aldus gewezen door:

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. J.M. van der Vegt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 3 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.