Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:503

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-01-2020
Datum publicatie
12-01-2022
Zaaknummer
20-002460-16 (OWV)
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:4
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002460-16 (OWV)

Uitspraak : 23 januari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 21 juli 2016 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 03-702839-11 tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboortedatum en -plaats] ,

wonende te [adres betrokkene] ,

thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 299.130,94 en is aan betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor een bedrag van € 294.130,94.

Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 12 december 2019 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof primair het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde betalingsverplichting en deze zal verminderen met € 10.000 in verband met de schending van de redelijke termijn. Subsidiair vordert de advocaat-generaal dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op € 137.870,68 en een betalingsverplichting zal opleggen van € 127.870,68.

De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende:

-de omvang van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel;

-de omvang van de opgelegde betalingsverplichting.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.

Beoordeling van de ontnemingsvordering

Toepasselijk recht

De ontnemingsvordering moet worden beoordeeld aan de hand van het destijds geldende artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dat luidde – voor zover hier van belang – als volgt.

“1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.”

Grondslag van de ontnemingsvordering

Strafrechtelijk financieel onderzoek

In het dossier is het voordeel gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht en is het voordeel geschat aan de hand van de zogenaamde eenvoudige kasopstelling. De rechtbank heeft deze kasopstelling eveneens tot uitgangspunt genomen maar deze gebaseerd op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft de ontnemingsbeslissing gegrond op het derde lid van voormeld wetsartikel en heeft geoordeeld dat aan de voorwaarden voor toepasselijkheid ervan is voldaan.

Zowel door de advocaat-generaal als de verdediging is verweer gevoerd tegen het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van artikel 36e lid 3 (oud) Sr nu uit het dossier niet naar voren is gekomen dat er een strafrechtelijk financieel onderzoek naar de vermogenspositie van betrokkene heeft plaatsgevonden.

Het hof volgt, met de verdediging en de advocaat-generaal, de rechtbank niet in haar oordeel nu niet is gebleken dat in deze zaak een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld zoals artikel 36e lid 3 (oud) Sr vereist. Het gevolg hiervan is dat een eventuele ontnemingsbeslissing niet op dat artikellid kan worden gebaseerd maar enkel op de andere leden van genoemd wetsartikel.

Standpunten van partijen

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene op grond van artikel 36e, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafrecht op € 299.130,49 vast te stellen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van onderdeel A, de aangetroffen contante geldbedragen ad € 103.557,80, voldoende aannemelijk is geworden dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel betreft uit de bewezenverklaarde feiten.

Ten aanzien van onderdeel B, de contante betalingen en contante stortingen op de bankrekening, heeft de advocaat-generaal zich primair op het standpunt gesteld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten, namelijk aan hennep(stekken)handel gerelateerde feiten, gedurende de periode waarvoor hij niet is veroordeeld, waaraan hij verdiensten had, alsmede dat hij met deze verdiensten de contante betalingen heeft kunnen doen waarvan hij daarnaast heeft kunnen leven.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat ten aanzien van onderdeel B het voldoende aannemelijk is dat de contante betalingen in de bewezenverklaarde periode van 1 januari 2010 tot en met maart 2011 zijn gedaan met geld dat afkomstig is uit de bewezenverklaarde feiten, te weten de hennephandel en de deelname aan de criminele organisatie waardoor, in combinatie met onderdeel A, het voordeel van betrokkene op grond van artikel 36e, tweede lid (oud) van het Wetboek van Strafrecht op een bedrag van

€ 137.557,80 dient te worden gesteld.

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft primair bepleit de vordering af te wijzen. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat betrokkene soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, (oud) Sr, heeft begaan. Subsidiair heeft de raadsvrouw diverse verweren gevoerd betreffende de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat –kort gezegd-, indien naar het oordeel van het hof wel voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie heeft gepleegd, het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op een bedrag ad € 116.019,62.

Onderdeel A, aangetroffen contante geldbedragen ad € 103.557,80

Allereerst staat het hof voor de vraag of betrokkene de aangetroffen contante geldbedrag als voordeel heeft behaald uit de bewezen verklaarde feiten. Dat is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Ten aanzien van wederrechtelijk verkregen voordeel uit witwassen zal dit voordeel zijn verkregen door middel van of uit de baten van het gronddelict dat aan het witwassen is voorafgegaan, waardoor dit gronddelict vastgesteld dient te worden.1 Betrokkene is in de onderliggende strafzaak ontslagen van alle rechtsvervolging voor het witwassen van de aangetroffen contante gelden ter hoogte van ongeveer € 100.000,-. Het hof heeft hierbij geoordeeld dat de contante gelden uit eigen misdrijf afkomstig zijn nu het aannemelijk is dat betrokkene al gedurende langere tijd actief is in het criminele circuit dat zich bezighoudt met de illegale hennepteelt. Bij eenzelfde arrest is betrokkene expliciet vrijgesproken van de verkoop van hennepstekken en/of hennepplanten en het telen van hennep in de periode van 1 januari 2010 tot en met 22 maart 2011, waardoor het hof onvoldoende concrete aanwijzingen aanwezig acht dat het voordeel afkomstig is uit een concreet gronddelict gerelateerd aan de illegale hennepteelt. Tevens acht het hof onvoldoende concrete aanwijzingen in het dossier voorhanden om aan te nemen dat deze contante gelden afkomstig zijn als een beloning voor de deelname van betrokkene aan de criminele organisatie.

Methode van eenvoudige kasopstelling, Onderdeel A + Onderdeel B, contante betalingen en contante stortingen op de bankrekening

Het hof staat vervolgens voor de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat de aangetroffen contante geldbedragen en de, door middel van een eenvoudige kasopstelling vastgestelde, contante betalingen en contante stortingen op de bankrekening van betrokkene in de periode van 1 januari 2002 tot en met 22 maart 2011 als voordeel kunnen worden aangemerkt uit soortgelijke feiten begaan door betrokkene.

De methode van de eenvoudige kasopstelling kan worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e (oud) Sr. In dat geval dient het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag wel in voldoende mate te (kunnen) worden gerelateerd aan soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.2

De advocaat-generaal heeft gewezen op enkele belastende omstandigheden maar naar het oordeel van het hof bieden deze omstandigheden onvoldoende basis voor de gevolgtrekking dat er concrete aanwijzingen zijn voor soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e Sr. Evenmin bevat het dossier voldoende aanknopingspunten voor de gevolgtrekking dat de veroordeelde een strafbaar feit heeft begaan waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat de veroordeelde in de periode voorafgaand aan 1 januari 2010 soortgelijke feiten als bedoeld in artikel 36e lid 2 (oud) Sr heeft begaan.

Onderdeel B, contante betalingen en contante stortingen op de bankrekening

Het hof staat als laatste voor de vraag of de contante betalingen in de bewezenverklaarde periode zijn gedaan met geld dat afkomstig is uit de bewezenverklaarde feiten, namelijk het afleveren of verstrekken of vervoeren van hennepen de deelname aan de criminele organisatie. Naar het oordeel van het hof is dit onvoldoende aannemelijk geworden. Anders dan de advocaat-generaal heeft betoogd, kan zijn onverklaarde vermogen onvoldoende worden gerelateerd aan de handel in hennep(stekken), nu betrokkene is vrijgesproken van de verkoop van hennepstekken en/of hennepplanten en onvoldoende is gebleken dat betrokkene dit onverklaarde vermogen heeft verkregen uit zijn deelname aan de criminele organisatie.

Nu het hof de vordering reeds op bovengenoemde gronden zal afwijzen, behoeven de overige door de raadsvrouw gevoerde verweren geen bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.

Aldus gewezen door:

mr. P.T. Gründemann, voorzitter,

mr. B. Stapert en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van V.C. Minneboo, griffier,

en op 23 januari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.E. van der Bijl is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY:5217; Gerechtshof Amsterdam 22 maart 2019 ECLI:NL:GHAMS:2019:967

2 HR 14 maart 2017, ECLI NL:HR:2017:414.