Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:5

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-01-2020
Datum publicatie
08-01-2020
Zaaknummer
200.213.298_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geschil na beëindiging van overeenkomst uit hoofde waarvan een galerie zogenaamde light blubs (al dan niet in de vorm van een Chandelier) namens een kunstenaar heeft tentoongesteld en te koop heeft aangeboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team handelsrecht

zaaknummer 200.213.298/01

arrest van 7 januari 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. E.J. Hengeveld te Amsterdam,

tegen

1 Floriskollektie BV tevens h.o.d.n. Priveekollektie,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geintimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geintimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk aan te duiden als Priveekollektie (enkelvoud),

advocaat: mr. M.E. Verwoert te Amsterdam,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarrest van 22 mei 2018 in het hoger beroep van het vonnis in incident van 27 augustus 2014 door de rechtbank Oost-Brabant (Handelsrecht) gewezen en de vonnissen van 4 juni 2015 en 29 september 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en Priveekollektie als gedaagde in conventie en eiser in reconventie.

5 Het geding in hoger beroep

5.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 22 mei 2018 waarin pleidooi is bepaald;

  • -

    de bij brief van 5 december 2018 door Priveekollektie toegezonden producties, die bij het pleidooi in het geding zijn gebracht;

  • -

    de bij brief van 14 december 2018 door [appellante] toegezonden producties, die bij het pleidooi in het geding zijn gebracht;

  • -

    de bij brief van 18 december 2018 door Priveekollektie toegezonden productie tegen indiening waarvan [appellante] bezwaar heeft gemaakt;

  • -

    het pleidooi, gehouden op 19 december 2018 waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de aanhouding van het pleidooi teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een schikking te beproeven, waarbij tevens is bepaald dat het pleidooi zou worden voortgezet op 26 maart 2019 indien partijen geen schikking zouden treffen;

  • -

    de bij brief van 11 maart 2019 door Priveekollektie op voorhand toegezonden akte tot eisvermeerdering met producties 58 tot en met 68 (incl. USB-stick);

  • -

    het bij bericht van 14 maart 2019 door [appellante] ingediende bezwaar tegen indiening van deze akte en het verzoek aan het hof om, voorafgaande aan de voortzetting op het bezwaar te beslissen;

  • -

    het bericht van de griffier van het hof aan partijen van 19 maart 2019 dat niet voorafgaande aan de zitting een beslissing wordt gegeven;

  • -

    het verzoek van [appellante] van 21 maart 2019 om de voortzetting van het pleidooi aan te houden;

  • -

    het bericht van de griffier van het hof van 25 maart 2019 dat het hof dit verzoek afwijst;

  • -

    het door [appellante] ingediende wrakingsverzoek van 25 maart 2019;

  • -

    de beslissing van de wrakingskamer van 2 mei 2019 waarbij het verzoek is afgewezen;

  • -

    de bij brief van 14 oktober 2019 van [appellante] aan het hof toegezonden producties 52 HB tot en met 60 HB;

  • -

    de bij brief van 15 oktober 2019 door Priveekollektie op voorhand aan het hof toegezonden akte tot eisvermeerdering met de producties, zoals eerder al bij brief van 11 maart 2019 toegezonden;

  • -

    de brief van 17 oktober 2019 van [appellante] waarin de eerder aangegeven bezwaren tegen de akte worden gehandhaafd;

  • -

    de voortzetting van het pleidooi op 30 oktober 2019, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

5.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Het bezwaar van [appellante] tegen indiening van de bij brief van 18 december 2018 en bij akte tot eisvermeerdering toegezonden producties verwerpt het hof nu [appellante] voldoende in de gelegenheid is geweest om hierop te reageren. Het hof zal hierna nog beslissen of Priveekollektie haar eis mag vermeerderen.

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellante] is een ontwerpster van, onder meer, met de mond geblazen kristallen objecten, waaronder zogeheten “light blubs” en vazen.

  2. [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] zijn gehuwd. Bij de Kamer van Koophandel staat Floriskollektie B.V. ingeschreven met als bedrijfsomschrijving “kunstgalerieën en expositieruimten”. Haar enig aandeelhouder en bestuurder is [de holding] Holding B.V., waarvan [geintimeerde 2] enig bestuurder en aandeelhouder is. Ook [geintimeerde 3] is betrokken bij Priveekollektie.

  3. In juni 2008 hebben [appellante] enerzijds en Floriskollektie B.V. en/of [geintimeerde 2] en/of [geintimeerde 3] anderzijds een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst zag op het tentoonstellen en verkopen van de door [appellante] ontworpen en vervaardigde voorwerpen, waaronder:

- de Light Blub Chandelier, een lichtkunstvoorwerp met circa 41 hangende blubs (hierna te noemen: de Chandelier), waarvan één hangende blub op een stoel rust;

- 6 losse blubs, vervaardigd om op een ondergrond te plaatsen (hierna te noemen: de losse blubs);

- de Crystal Virus-floor, een vloer met 11 Crystal Virus vazen.

De “light blubs” van de Chandelier zijn geblazen door Royal Leerdam B.V. (verder: Royal Leerdam). De armatuur van de Chandelier is geproduceerd door Solid Lighting Design B.V. (verder: Solid Lighting).

De Chandelier is in december 2008 tentoongesteld op een internationale designbeurs in [plaats 1] . Daar bleek dat er technische problemen waren met de Chandelier.

Bij sommatiebrief van 27 januari 2009 heeft een deurwaarder namens Solid Lighting Priveekollektie gesommeerd om ruim € 18.500,00 te voldoen, zijnde de productiekosten vermeerderd met rente en incassokosten.

Op 28 januari 2009 heeft [appellante] met haar broer een gesprek gehad met [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] over de samenwerking. Partijen verschillen van mening over de inhoud van het gesprek maar vaststaat dat partijen met onenigheid uit elkaar zijn gegaan.

De kort daarop geplande tentoonstelling van de Chandelier op de beurs in [plaats 2] is niet doorgegaan.

Op 3 februari 2009 heeft Priveekollektie de Chandelier incompleet naar Solid Lighting teruggestuurd.

Op dezelfde dag heeft Solid Lighting aan [appellante] medegedeeld dat er een kist bij haar is bezorgd die waarschijnlijk de Chandelier bevatte. De kist is aanvankelijk ongeopend gebleven.

Op 5 februari 2009 heeft [appellante] een bedrag van € 6.783,00 van Priveekollektie ontvangen onder de vermelding: “ref. email betaling 15 blubs”.

Per e-mail van diezelfde dag heeft Priveekollektie, althans “ [geintimeerde 2 en 3] , [webadres]”, aan [appellante] medegedeeld dat het bedrag die ochtend was overgemaakt en dat deze betaling is gedaan voor 15 light blubs á € 380,00 ex BTW zoals afgesproken.

Bij brief van 28 april 2009 heeft [appellante] de tussen partijen gesloten overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd. [geintimeerde 3] heeft daarop per e-mail van 5 mei 2009 gereageerd.

Op enig moment heeft [appellante] de bij Solid Lighting bezorgde kist opengemaakt. Daarin bevond zich de Chandelier, zij het dat 15 blubs ontbraken.

6.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellante] Priveekollektie gedagvaard voor de rechtbank Oost-Brabant. Priveekollektie heeft bij incidentele conclusie betoogd dat de rechtbank niet bevoegd is om over de vorderingen te oordelen. Zij heeft de rechtbank verzocht de zaak te verwijzen naar de kantonrechter.

6.2.2.

Bij vonnis in incident van 27 augustus 2014 heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de kantonrechter om aldaar voort te procederen. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank diende de relatie tussen partijen te worden gekwalificeerd als een agentuurovereenkomst.

6.2.3.

[appellante] heeft in eerste aanleg in conventie, na wijziging van eis, van Priveekollektie hoofdelijk een veroordeling gevorderd tot:

- het retourneren in ongeschonden en goede staat van de 15 blubs van de Chandelier, de 6 vloer blubs en de 9 Crystal Virus vazen, op verbeurte van een dwangsom, subsidiair tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van € 105.000,00

- het betalen van € 31.500,00, zijnde 30% van de hoofdsom,

- het betalen van € 28.330,00 zijnde schade als gevolg van het niet betalen van de productiekosten (€ 17.620,33 aan Solid Lighting en € 10.710,00 aan Royal Leerdam),

- het betalen van € 5.000,00 ten titel van schadevergoeding,

- het betalen van de wettelijke rente over voormelde bedragen,

- het betalen van de proceskosten en de beslagkosten

6.2.4.

Aan haar vorderingen heeft [appellante] onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd: Priveekollektie heeft inbreuk gemaakt op haar auteursrechten en persoonlijkheidsrechten. Het hof leest in de stellingen van [appellante] dat zij haar vordering tot betaling van de productiekosten grondt op haar recht op schadevergoeding als gevolg van het niet nakomen van een nadere overeenkomst.

6.2.5.

Priveekollektie heeft gemotiveerd inhoudelijk verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.6.

Priveekollektie heeft, na wijziging van eis, in reconventie gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat de tussen Priveekollektie en [appellante] gesloten agentuurovereenkomst door [appellante] zonder instemming van Priveekollektie en zonder inachtneming van de wettelijke voorgeschreven opzegtermijn en zonder betaling van een redelijke schadevergoeding is beëindigd;

2. voor recht te verklaren dat de door Priveekollektie betaalde bedragen als genoemd in §13 van de eis in voorwaardelijke reconventie van 11 december 2014 (hof: zijnde
€ 3.500,00 en € 6.783,00; totaal: € 10.283,00) van gedaagden te gelden hebben als onverschuldigd aan [appellante] betaald en dat deze bedragen mitsdien verrekenbaar zijn met door Priveekollektie aan [appellante] verschuldigde gelden;

3.1.

voor recht te verklaren dat de door Priveekollektie geleden schade als gevolg van de onregelmatige opzegging van de agentuurovereenkomst door [appellante] , bestaat uit een bedrag van € 47.746,84 aan misgelopen winst en productiekosten, althans een bedrag dat de kantonrechter in goed justitie zal vaststellen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.2.

voor recht te verklaren dat de goodwillvergoeding € 29.656,70 bedraagt, althans een bedrag dat de kantonrechter in goed justitie zal vaststellen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2009 tot de dag van algehele voldoening;

welke bedragen sub 3.1 en 3.2 verrekenbaar zijn met eventueel door Priveekollektie aan [appellante] verschuldigde gelden;

4. [appellante] te bevelen volledig mee te werken aan de verkoop en levering van de Chandelier door Priveekollektie aan de heer [de koper] voor een bedrag van € 60.000,-- inclusief BTW en binnen 14 dagen na deze verkoop aan Priveekollektie te voldoen een bedrag gelijk aan de productiekosten van de Chandelier en een bedrag gelijk aan 50% van de winst, zijnde een bedrag van in totaal € 43.466,17, en voor wat betreft de medewerking aan de verkoop en levering op straffe van een direct opeisbare en aan Priveekollektie te betalen dwangsom van € 1.000,-- per dag, voor iedere dag dat [appellante] ter zake in gebreke is met een maximum van € 60.000,--, althans een dwangsom die door de kantonrechter redelijk wordt geacht;

5. ( a) [appellante] te bevelen in geval van verkoop door of namens [appellante] van de kunstvoorwerpen waarvan de productiekosten door Priveekollektie zijn betaald, waaronder de 10 Blubs en 9 Crystal Virus vazen en indien de vordering onder 4) wordt afgewezen tevens de Chandelier, binnen 14 dagen na de desbetreffende verkoop aan Priveekollektie te voldoen een bedrag gelijk aan de productiekosten van deze werken en, indien daarna winst overblijft, een bedrag gelijk aan 50% van die winst, en [appellante] te bevelen gelijktijdig schriftelijke opgave aan Priveekollektie te doen van de verkoop en de afrekening, het een en ander op straffe van een direct opeisbare en aan Priveekollektie te betalen dwangsom van € 1.000,-- per dag, voor iedere dag dat [appellante] ter zake in gebreke is met een maximum van € 100.000,--, althans een dwangsom die door de kantonrechter redelijk wordt geacht;

5. ( b) voor het geval de kantonrechter het gevorderde onder 5a afwijst, [appellante] op grond van ongerechtvaardigde verrijking te veroordelen tot vergoeding aan Priveekollektie een bedrag van € 28.330,--, zijnde de productiekosten van alle onverkochte kunstvoorwerpen die Priveekollektie heeft geretourneerd en zal retourneren als gevolg van het te verwachten eindvonnis in conventie aan [appellante] ;

6. [appellante] te bevelen de vloer van Priveekollektie over te nemen tegen betaling van de herstelkosten van de vloer in de galerie van Priveekollektie van € 2.436,10 binnen 8 dagen na het in deze te wijzen vonnis, vermeerderd met de verschuldigde BTW en de wettelijke rente vanaf 8 dagen na de datum van het in deze te wijzen vonnis;

7. [appellante] te veroordelen aan gedaagden, althans aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] , binnen 8 dagen na het in deze te wijzen vonnis te voldoen een bedrag van € 1.201,08, zijnde de kosten voor het vervangen van de cilinders van het slot en bijbehorende rozetten als gevolg van de onrechtmatige beslaglegging, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

8. indien de kantonrechter geen aanleiding ziet zijn beslissing met betrekking tot de veroordeling van Floriskollektie BV in de beslagkosten in conventie te herzien door deze alsnog af te wijzen, [appellante] te veroordelen binnen 8 dagen na het in deze te wijzen vonnis aan gedaagden, althans aan Floriskollektie BV, te voldoen een bedrag van
€ 1.789,61, zijnde de kosten van de onrechtmatige beslagleggingen inclusief griffierecht, althans enig ander bedrag aan beslagkosten dat de kantonrechter in conventie toewijst, althans enig ander bedrag dat door de kantonrechter redelijk wordt geacht mede gelet op de beslagkosten die ten onrechte zijn gemaakt ten laste van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

9. [appellante] te bevelen de onrechtmatige aangifte jegens gedaagden binnen 8 dagen na het in deze te wijzen vonnis schriftelijk in te trekken dan wel een schriftelijke verklaring bij de politie Amsterdam-Amstelland af te leggen waarin [appellante] verklaart niet meer achter de aangifte te staan en waarin zij verzoekt eventuele strafrechtelijke vervolging van (een of meer) gedaagden in conventie, te staken, met gelijktijdig afschrift daarvan aan de gemachtigde van gedaagden in conventie, zulks op straffe van een direct opeisbare en aan gedaagden in conventie te betalen dwangsom van € 1.000,-- per dag, voor iedere dag dat [appellante] ter zake in gebreke is met een maximum van € 50.000,--, althans een dwangsom die door de kantonrechter redelijk wordt geacht;

10. met veroordeling van [appellante] in de kosten van de reconventie, inclusief nakosten voor een bedrag van € 131,-- dan wel € 199,-- indien betekening plaatsvindt, althans een bedrag dat de kantonrechter redelijk acht.

6.2.7.

Aan het merendeel van de vorderingen heeft Priveekollektie, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat zij schade heeft geleden als gevolg van de onregelmatige opzegging door [appellante] van de tussen partijen bestaande agentuurovereenkomst. Deze heeft zij onder andere gegrond op haar recht op provisie en haar rechten uit hoofde van artikel 7:442 BW.

6.2.8.

[appellante] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.9.

In het tussenvonnis van 8 januari 2015 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

6.2.10.

In het tussenvonnis van 4 juni 2015 heeft de kantonrechter in de overwegingen over de vorderingen in conventie geoordeeld maar de beslissing aangehouden in verband met het feit dat partijen zich in reconventie nog moesten uitlaten over de hoogte van de te verrekenen schadevergoeding.

6.2.11.

In het eindvonnis van 29 september 2016 heeft de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, in conventie de volgende uitspraak gedaan:

3.1.

veroordeelt Floriskollektie B.V. om aan [appellante] in ongeschonden en goede staat te retourneren haar 10 blubs, alsmede 9 Crystal Virus vazen, zulks op straffe van een aan [appellante] te betalen dwangsom van € 500,00 per dag per blub of vaas die zij niet retourneert, voor elke dag dat gedaagden hiermee in gebreke zijn met een maximum van
€ 6.000,00 per blub of vaas die zij niet retourneert,

3.2.

veroordeelt Floriskollektie B.V. om aan [appellante] te betalen een schadevergoeding van € 5.500,00 voor de Blubs en de vaas die zij niet (in goede staat) kan retourneren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2013, tot aan de dag van voldoening,

3.3.

veroordeelt Floriskollektie B.V. aan [appellante] te betalen een bedrag van € 18.047,33, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2013, tot aan de dag van voldoening,

3.4.

veroordeelt Floriskollektie B.V. aan [appellante] te betalen een bedrag van € 5.000,00 als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2013, tot aan de dag van voldoening,

3.5.

veroordeelt Floriskollektie B.V. aan [appellante] te betalen € 1.789,61 aan beslagkosten,

3.6.

veroordeelt [appellante] in de proceskosten aan de zijde van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] , begroot op nihil,

3.7.

veroordeelt Floriskollektie B.V. in de proceskosten, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 2.319,94.

In reconventie heeft de kantonrechter het navolgende uitgesproken:

3.8.

beveelt [appellante] om in geval van verkoop door of namens [appellante] van de kunstwerk (sic) waarvan de productiekosten door Floriskollektie B.V. zijn betaald, binnen 14 dagen na de desbetreffende verkoop aan Floriskollektie B.V. te voldoen een bedrag gelijk aan de productiekosten van het desbetreffende werk en beveelt [appellante] schriftelijke opgave aan Floriskollektie B.V. te doen van de verkoop en de afrekening,

3.9.

beveelt [appellante] om in geval van verkoop door of namens [appellante] van een vaas die deel uitmaakte van het kunstwerk “Crystal Virus floor” binnen 14 dagen na de desbetreffende verkoop aan Floriskollektie B.V. te voldoen een bedrag van steeds
€ 500,00 en eenmaal € 436,10, totdat het bedrag van € 1.936,10 is voldaan,

3.10.

compenseert de proceskosten tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

De kantonrechter heeft hetgeen meer of anders is verzocht in conventie of reconventie, afgewezen.

7.1.

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen en het niet ontvankelijk verklaren van Priveekollektie althans haar haar vorderingen te ontzeggen met veroordeling van Priveekollektie in de proceskosten in beide instanties voor zover gevorderd op de voet van artikel 1019h Rv, inclusief de nakosten.

7.2.

Priveekollektie heeft in incidenteel hoger beroep negen grieven aangevoerd. Priveekollektie heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het opnieuw recht doen bij arrest.

7.3.

Beide partijen hebben onder meer vernietiging gevorderd van het vonnis van 29 september 2016 waarin de vorderingen over en weer deels zijn toegewezen en deels zijn afgewezen. Partijen hebben beiden in hoger beroep aangegeven dat zij geen grieven richten tegen de oordelen die betrekking hebben op de vazen. Voorts leest het hof in de stellingen van [appellante] dat zij geen grief richt tegen dat deel van het vonnis waarin haar vorderingen zijn toegewezen. Priveekollektie richt evenmin een grief tegen de veroordeling onder 3.1. van het vonnis tot retournering van 10 blubs. Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep aldus dat deze veroordeling niet wordt bestreden.

Tegen de afwijzing van de vordering van [appellante] om Priveekollektie te veroordelen tot betaling van € 31.500,00 heeft [appellante] geen grief gericht. Voor de omvang van het hoger beroep geldt dat deze beslissing niet wordt bestreden.

Het hof leest in de incidentele memorie van grieven van Priveekollektie geen grief tegen de afwijzing van:

  • -

    de door haar onder 1 en 2 gevorderde verklaringen voor recht,

  • -

    het onder 6 gevorderde bevel tot overname van de vloer,

  • -

    de vordering onder 8 zijnde de veroordeling van [appellante] tot voldoening van de kosten van beslaglegging en

  • -

    hetgeen onder 9 is gevorderd, zijnde de intrekking van de aangifte.

Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom aldus - en zo heeft ook [appellante] de omvang van het hoger beroep verstaan - dat Priveekollektie deze beslissingen niet bestrijdt. Daarbij tekent het hof aan dat de kantonrechter het beroep op verrekening van Priveekollektie (zijnde de door Priveekollektie aan [appellante] betaalde bedragen ter hoogte van € 3.500,00 en € 6.783,00, totaal € 10.283,00, waarop de verklaring voor recht onder punt 2 zag) heeft gehonoreerd en op de veroordeling van Priveekollektie in conventie het verrekende bedrag in mindering heeft gebracht.

7.4.

Priveekollektie heeft tijdens het pleidooi als meest verstrekkende verweer gevoerd dat [appellante] niet ontvankelijk is dan wel dat haar vorderingen moeten worden afgewezen nu zij haar gehele onderneming, inclusief voorraden, eigendommen, rechten van intellectuele eigendom en vorderingsrechten heeft geleverd aan/ingebracht in haar BV, genaamd Atelier [atelier] BV. Priveekollektie heeft een kopie van de oprichtingsakte van 16 juni 2017 en een uittrekstel uit het handelsregister overgelegd. Priveekollektie heeft aangegeven dat zij eerst na indiening van de memorie van antwoord en memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep van dit feit heeft kennisgenomen.

[appellante] heeft inhoudelijk gereageerd op dit (nieuwe) verweer. Zij heeft betwist dat zij haar onderhavige vorderingsrechten en auteursrechten heeft overgedragen aan haar BV.

Het hof verwerpt het verweer van Priveekollektie als onvoldoende onderbouwd. De overgelegde oprichtingsakte verwijst naar de inbrengbalans waarop de activa en passiva van de onderneming per 1 januari 2017 staan vermeld. Gesteld noch gebleken is dat de onderhavige vorderingen van [appellante] op Priveekollektie als activa op deze inbrengbalans staan vermeld. Priveekollektie heeft voorts niet gesteld dat er aan haar een mededeling is gedaan van een overdracht van de vorderingsrechten van [appellante] aan haar BV.

Bovendien geldt dat, voor zover de vorderingen van [appellante] op Priveekollektie tijdens de looptijd van deze procedure zijn overgedragen, op de oude naam (dus van [appellante] ) kan worden voortgeprocedeerd.

7.5.

Het hof komt vervolgens toe aan de beoordeling van de grieven I en II van het principaal hoger beroep. Door middel van deze grieven betoogt [appellante] dat de kantonrechter op basis van een onjuiste grondslag haar vordering heeft beoordeeld; de grondslag is onrechtmatige daad en inbreuk op haar auteursrechten. Zij betwist dat sprake is geweest van een agentuurovereenkomst.

[appellante] geeft niet aan welke gevolgen het slagen van deze grieven zou hebben voor de afwijzing van (een deel van) haar vorderingen dan wel het toewijzen van de vorderingen van Priveekollektie.

De kantonrechter heeft in rov. 4.20 van het tussenvonnis van 4 juni 2015 overwogen dat het na het eindigen van de agentuurovereenkomst op de weg van Priveekollektie had gelegen om de eigendommen van [appellante] aan haar te retourneren. De grondslag voor de toe- en afwijzing van de eerste geldvordering van [appellante] is dan ook gelegen in de gemaakte inbreuk op haar eigendomsrecht; het al dan niet bestaan van een agentuurovereenkomst is voor dit oordeel niet van belang.

De grieven I en II slagen dan ook niet.

7.6.

Een deel van grief IV in het principaal hoger beroep richt zich tegen de vervolgoverwegingen van de kantonrechter, en dan met name tegen de vastgestelde omvang van de schadevergoeding vanwege het feit dat Priveekollektie een deel van de aan [appellante] toebehorende blubs niet meer kan retourneren (beslissing kantonrechter 3.2). De kantonrechter overweegt dat, voor zover Priveekollektie deze zaken niet meer onder zich heeft, zij [appellante] een schadevergoeding verschuldigd is. In rov. 4.27 van voormeld tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is gebleken dat [appellante] de ontbrekende blubs niet kan laten namaken. De schade is begroot op de daarvoor gemaakte productiekosten met een opslag (in verband met de verstreken periode en de daarmee samenhangende prijsverhoging). De kantonrechter heeft de schade op € 500,00 per object berekend.

Het hof stelt voorop dat de overweging van de kantonrechter dat de Chandelier was samengesteld uit een aantal blubs die konden worden nabesteld, niet is bestreden. [appellante] heeft in hoger beroep betoogd dat zij op grond van artikel 27a Auteurswet (hierna: Aw) recht heeft op winstafdracht. Zij vordert € 3.500,00 per blub, stellende dat dit de verkoopprijs was. Priveekollektie heeft haar geen inzage in de gemaakte kosten gegeven, zodat daarmee geen rekening kan worden gehouden, aldus [appellante] .

Het hof verwerpt deze grief. Voor een beroep op artikel 27a Aw is vereist dat Priveekollektie een inbreuk op auteursrechten heeft gemaakt. Het auteursrecht is in artikel 1 Aw omschreven als het uitsluitend recht van de maker van het werk om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen. Het gaat hier echter om het niet retourneren van een deel van de Chandelier. Aan Priveekollektie wordt ter zake deze vordering niet verweten dat zij (nog tijdens de looptijd van de overeenkomst) inbreuk heeft gemaakt op het aan [appellante] toekomende exclusieve recht om de Chandelier of de losse blubs openbaar te maken of te verveelvoudigen.

7.7.

Het hof behandelt vervolgens grief VI van het incidenteel hoger beroep. Deze grief is gericht tegen de veroordeling van Priveekollektie tot betaling van € 5.000,00 ten titel van schadevergoeding (beslissing kantonrechter 3.4). Priveekollektie betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een verminking/vernieling van de Chandelier. Op de Chandelier rust geen auteursrecht, en subsidiair is er geen sprake van vernieling. De Chandelier bestaat uit onderdelen, light blubs, die eenvoudig na te bestellen zijn, aldus Priveekollektie.

Het hof beoordeelt deze grief als volgt. De kantonrechter heeft onder rov. 4.34 van het tussenvonnis van 4 juni 2015 weliswaar overwogen dat niet is weersproken dat de Chandelier met zijn hangende en losse blubs een auteursrechtelijk beschermd werk is maar dat de grondslag voor de toewijzing van de hier aan de orde zijnde veroordeling is gelegen in het feit dat Priveekollektie niet zonder de nadrukkelijke toestemming van [appellante] een nieuwe, veel kleinere Chandelier mocht laten maken en verkopen. Hierdoor heeft Priveekollektie inbreuk gemaakt op de persoonlijkheidsrechten van [appellante] .

Het hof stelt vast dat de gegeven toelichting op deze grief, gericht op de vernieling van de Chandelier, de hiervoor genoemde overwegingen van de kantonrechter, het zonder toestemming laten maken van een nieuwe, veel kleinere Chandelier, niet weerspreekt. De grief faalt reeds om deze reden.

Ten overvloede overweegt het hof dat naar zijn oordeel de light blub en de Chandelier auteursrechtelijk beschermde werken zijn, overeenkomstig artikel 10 Aw. De werken bezitten een eigen oorspronkelijk karakter en dragen het stempel van de maker. Het zonder overleg met en toestemming van [appellante] samenstellen van een kleinere Chandelier is een wijziging van het werk waar zij zich gelet op artikel 25 sub c Aw tegen kan verzetten. Van een situatie waarbij dit verzet in strijd zou zijn met de redelijkheid, is geen sprake. Daarbij weegt het hof nog het volgende mee:

- [appellante] was niet alleen maker, maar ook eigenaar van de blubs en de Chandelier. In eerste aanleg was daar nog discussie over, maar Priveekollektie heeft geen bezwaar aangevoerd tegen het oordeel van de kantonrechter dat de gestelde verkoop van blubs van [appellante] aan Priveekollektie niet is vast komen te staan;

- Priveekollektie had in december 2008 weliswaar aan [appellante] laten weten dat als de Chandelier niet verkocht zou worden, deze voor kleinere opdrachten zou worden opgedeeld en samengesteld ‘in overleg met jou natuurlijk’, maar Priveekollektie heeft bij het samenstellen en de verkoop van de kleine Chandelier volledig buiten [appellante] om gehandeld en haar er ook niet achteraf over geïnformeerd;

- dit klemt te meer nu de verkoop van de door Priveekollektie samengestelde kleine Chandelier plaatsvond nadat partijen eind januari 2009 ruzie hadden gekregen (verkoop volgens Priveekollektie in februari 2009, MvA punt 107).

Deze inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van [appellante] maakt Priveekollektie jegens haar schadeplichtig. De onderhavige vordering heeft de kantonrechter dan ook terecht toegewezen.

Priveekollektie heeft nog aangevoerd dat de door de kantonrechter bepaalde schadevergoeding van € 5.000,00 te hoog is omdat de vijf lampen voor € 500,00 per stuk kunnen worden nabesteld. Daarmee gaat Priveekollektie er naar het oordeel van het hof ten onrechte aan voorbij dat Priveekollektie het werk in gewijzigde vorm heeft verkocht, en dat deze verkoop niet wordt teruggedraaid. Het hof verenigt zich met het door de kantonrechter vastgestelde schadevergoeding van € 5.000,00 vanwege de inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van [appellante] , waarbij het hof ook acht heeft geslagen op de vraagprijs van de Chandelier van minstens 125.000 dollar. Deze grief slaagt ook om deze reden niet.

7.8.

Door middel van grief III in het principaal hoger beroep betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte haar vorderingen jegens de natuurlijke personen [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] heeft afgewezen. Beide personen hebben onrechtmatig gehandeld jegens haar. Zij hebben de feitelijke handelingen verricht. Daarbij wijst [appellante] met name op de verminking/vernieling van de Chandelier. Subsidiair doet [appellante] een beroep op de bestuurdersaansprakelijkheid, stellende dat [geintimeerde 2] statutair bestuurder van Floriskollektie BV is.

Het hof oordeelt als volgt. De kantonrechter heeft overwogen dat Floriskollektie BV een galerie en expositieruimte exploiteert en als zodanig ook staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. [appellante] was hiervan op de hoogte. Het ligt dan ook voor de hand, aldus de kantonrechter, dat daar waar het gaat over een met [appellante] gesloten agentuurovereenkomst die ziet op het tentoonstellen en verkopen van kunst, de contractspartij van [appellante] Priveekollektie – bedoeld is Floriskollektie BV – is, aldus de kantonrechter. [appellante] heeft tegen deze overwegingen geen grief gericht, met dien verstande dat zij wel opkomt tegen het feit dat haar overeenkomst met Floriskollektie BV wordt gekarakteriseerd als agentuurovereenkomst.

Gegeven voormeld niet bestreden oordeel van de kantonrechter staat in hoger beroep vast dat er tussen [appellante] en Floriskollektie BV een overeenkomst bestond op grond waarvan de kunst van [appellante] door Floriskollektie BV werd tentoongesteld en Floriskollektie BV het recht had om deze voor [appellante] te verkopen. Dit heeft, naar het oordeel van het hof, tot gevolg dat de Chandelier door [appellante] aan Floriskollektie BV ter beschikking is gesteld, zulks ter uitvoering van voormelde overeenkomst. De Chandelier is niet aan [geintimeerde 2] en/of [geintimeerde 2] [geintimeerde 3] privé ter beschikking gesteld. Het is dan vervolgens ook Floriskollektie BV die niet alle onderdelen van de Chandelier heeft geretourneerd en die een kleinere Chandelier zonder toestemming van [appellante] heeft samengesteld en verkocht. Dat de feitelijke handelingen door [geintimeerde 2] en/of [geintimeerde 3] zijn verricht, leidt niet tot een andere conclusie. Zij hebben dat namens de BV gedaan.

Het hof verwerpt voorts de subsidiaire stelling van [appellante] dat de beide natuurlijke personen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk zijn voor de gestelde schade. Allereerst staat tussen partijen vast dat [geintimeerde 3] geen (middellijk) bestuurder van Floriskollektie BV is en [appellante] heeft niet onderbouwd waarom [geintimeerde 3] desalniettemin op grond van bestuurdersaansprakelijkheid zou kunnen worden aangesproken. Ten aanzien van [geintimeerde 2] hanteert het hof de volgende beoordelingsmaatstaf.

Indien een bestuurder van een vennootschap wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent, kan sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. Het zal dan van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden. Van een dergelijk verwijt zal in ieder geval sprake zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

Gesteld noch gebleken is echter dat Floriskollektie BV niet in staat is de verbintenissen die zij jegens [appellante] heeft, na te komen. Integendeel, onweersproken (en zelfs grotendeels erkend door [appellante] ) heeft Priveekollektie aangegeven dat zij uitvoering heeft gegeven aan de veroordelingen zoals uitgesproken door de kantonrechter. Reeds om deze reden faalt de grief.

7.9.

Middels het eerste onderdeel van grief IV in het principaal hoger beroep betoogt [appellante] dat de rechtbank bij het vonnis in incident van 27 augustus 2014 ten onrechte de zaak verwezen heeft naar de kantonrechter en [appellante] heeft veroordeeld in de kosten van het incident. De rechtbank heeft in voormeld vonnis voorlopig geoordeeld dat sprake is geweest van een agentuurovereenkomst.

Naar het oordeel van het hof kan [appellante] niet in dit deel van het hoger beroep worden ontvangen. Het gaat hier om een verwijzing naar een rechter van gelijke rang. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0050 (https://www.navigator.nl/document/id24220060428c05053hradmusp?anchor=id-242_2006-04-28_c05-053hr__usp) heeft overwogen, ligt het voor de hand in gevallen als deze ter voorziening in de leemte die de wet heeft gelaten, aansluiting te zoeken bij de regeling voor verwijzing naar een andere rechter van gelijke rang, zoals die voorkwam in art. 157b lid 4 (oud) Rv en thans is te vinden in art. 71 lid 5 (https://www.navigator.nl/document/idb729132fbe728e52d8eec657d86a70c4) en art. 110 lid 3 (https://www.navigator.nl/document/id6ab4ccefc0a17cd9c41a79ef532a1dbf) Rv, welke laatstgenoemde bepalingen hogere voorziening tegen een verwijzing binnen de rechtbank door of naar de kantonrechter, respectievelijk verwijzing uit hoofde van relatieve onbevoegdheid, uitsluiten. Derhalve moet worden aangenomen dat ook tegen een verwijzing naar de kantonrechter geen hogere voorziening openstaat en dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, aan die verwijzing is gebonden.

Het hof oordeelt dat [appellante] niet ontvankelijk is ten aanzien van dit deel van het hoger beroep.

7.10.

Het tweede deel van grief IV in het principaal hoger beroep is gericht tegen hetgeen de kantonrechter in reconventie heeft toegewezen. Dit oordeel hangt samen met de veroordeling die de kantonrechter heeft uitgesproken in conventie. Grieven I en II in het incidenteel hoger beroep richten zich eveneens tegen deze oordelen. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen. Al deze oordelen hebben betrekking op de productiekosten van de Chandelier. Tussen partijen staat vast dat de productiekosten voor de Chandelier in drie facturen waren opgenomen: een factuur van € 10.710,00 van Royal Leerdam, een factuur van € 17.620,33 van Solid Lighting, en een factuur van € 338,00 (de stoel), totaal dus
€ 28.668,33. Bij dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellante] gesteld dat zij deze facturen heeft betaald. In de onderhavige procedure maken de kosten voor de stoel geen deel uit van de rechtsstrijd tussen partijen.

7.10.1.

De kantonrechter heeft in rov. 4.31 van het tussenvonnis overwogen dat Priveekollektie niet heeft weersproken dat zij deze kosten zou dragen, zodat daarmede de afspraak in rechte is komen vast te staan. Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat niet relevant is of de facturen al dan niet volledig door [appellante] zijn betaald en/of door Royal Leerdam zijn afgeboekt. Aangenomen moet worden, aldus de kantonrechter, dat [appellante] belang heeft om de betrekkingen met Royal Leerdam goed te houden en alsnog over te gaan tot betaling van de factuur.

In hoger beroep heeft Priveekollektie een grief gericht tegen deze overwegingen; zij heeft het bestaan van deze afspraak betwist en gesteld dat zij mogelijk is opgelicht door [appellante] omdat laatstgenoemde zou weten dat zij de productiekosten in eigen zak zou houden.

7.10.2.

Het hof beoordeelt deze grieven als volgt. [appellante] heeft aan haar vordering ter hoogte van € 28.688,33 ten grondslag gelegd dat zij, in weerwil van de afspraken, schade heeft geleden door deze productiekosten te betalen. Zij vordert dit bedrag ten titel van schadevergoeding. Priveekollektie heeft betwist dat [appellante] deze kosten heeft betaald.

Het hof stelt vast dat [appellante] de omvang van haar schade niet, althans niet voldoende heeft onderbouwd. Ondanks herhaald verzoek van Priveekollektie, heeft [appellante] in rechte geen openheid van zaken heeft gegeven ter zake de vraag of, hoe en wanneer de betreffende facturen van Royal Leerdam en Solid Lighting zijn voldaan dan wel welke afspraken met de twee bedrijven zijn gemaakt. Tijdens het pleidooi van 19 december 2018 is in ieder geval gebleken dat de facturen niet althans niet integraal zijn betaald. In rechte is dan ook niet komen vast te staan dat [appellante] de door haar gestelde schade heeft geleden. De vordering van [appellante] ligt om deze reden reeds voor afwijzing gereed. In het midden kan blijven of de door [appellante] gestelde afspraak over de vraag wie de productiekosten zou voldoen, tussen partijen is gemaakt.

Het hof overweegt voorts dat, ook indien zou kunnen worden vastgesteld dat deze afspraak zou zijn gemaakt, dit evenmin leidt tot toewijzing van de vordering. De afspraak moet dan worden uitgelegd binnen de context waarin zij is gemaakt, namelijk een bestaande duurovereenkomst waarbij Priveekollektie het recht heeft om namens [appellante] zaken waarop auteursrechten rusten, te verkopen tegen een provisie van 50% over de verkoopprijs minus de btw en minus de productiekosten. Partijen zijn niet overeengekomen wat zou gelden indien de overeenkomst zou worden beëindigd, waarmee dan het recht van Priveekollektie om met verkoop inning van de productiekosten en provisie te realiseren zou eindigen. Onder de omstandigheden van het onderhavige geval, waarbij het hof met name wijst op de stelling van [appellante] dat zij zich niet meer wil bezighouden met de verkoop van blubs, al dan niet in de vorm van een Chandelier, dienen de productiekosten voor haar rekening te blijven. Het is immers [appellante] die eigenaar is en blijft van de Chandelier en zij is daarmee de enige die het in haar macht heeft om de gemaakte productiekosten terug te verdienen.

7.10.3.

Het hof concludeert dat de grieven I en II van het incidenteel hoger beroep slagen. De vordering van [appellante] tot betaling van de productiekosten dient te worden afgewezen. Daaruit volgt voorts dat de veroordelingen in reconventie worden vernietigd. De beoordeling van het tweede deel van grief IV in het principaal hoger beroep treft dientengevolge geen doel.

7.11.1.

Grief III in het incidenteel hoger beroep is gericht tegen rov. 2.15 van het eindvonnis van de kantonrechter waarin is overwogen waarom de verklaring voor recht dat Priveekollektie recht zou hebben op een schadevergoeding als gevolg van het onregelmatig opzeggen van de agentuurovereenkomst door [appellante] , is afgewezen. De vordering is gebaseerd op de stelling dat bij inachtneming van de opzegtermijn Priveekollektie de Chandelier aan [de koper] zou hebben kunnen verkopen en daarop provisie zou kunnen verkrijgen.

Het hof behandelt deze grief tezamen met grief IV in het incidenteel hoger beroep, waarin Priveekollektie betoogt dat de kantonrechter ten onrechte haar vordering om [appellante] te veroordelen mee te werken aan verkoop van de Chandelier aan [de koper] heeft afgewezen.

7.11.2.

Priveekollektie grondt laatstgenoemde vordering op de stelling dat, indien zij de productiekosten van de Chandelier moet dragen, [appellante] de plicht heeft om een verkoopmogelijkheid te benutten teneinde de schade zo beperkt mogelijk te houden. Nu het hof heeft geoordeeld dat Priveekollektie geen verplichting heeft jegens [appellante] tot betaling van de productiekosten, komt de grondslag aan de vordering te ontvallen. Grief IV in het incidenteel hoger beroep slaagt om deze reden niet.

7.11.3.

Aan haar vordering tot betaling van schadevergoeding wegens het onregelmatig opzeggen van de agentuurovereenkomst, die in de vorm van een verklaring voor recht is ingediend, omdat de vordering is verjaard (maar nog wel voor verrekening in aanmerking komt) legt Priveekollektie ten grondslag dat hier sprake is van een agentuurovereenkomst en zij op grond van het bepaalde in artikel 7:441 BW recht heeft op een vergoeding van schade die zij heeft geleden als gevolg van de onregelmatige opzegging van de overeenkomst door [appellante] . Als [appellante] met inachtneming van de opzegtermijn de overeenkomst had beëindigd, had Priveekollektie de Chandelier nog aan [de koper] kunnen verkopen en provisie kunnen innen, aldus Priveekollektie. Priveekollektie heeft een verklaring van [de koper] overgelegd waarin deze laat weten bereid te zijn de Chandelier voor € 60.000,00 te kopen ondanks ‘wat kanttekeningen over ontbrekende blubs en elektra die nagekeken moet worden’.

7.11.4.

Het hof acht de gestelde hypothetische gang van zaken in het licht van het navolgende onvoldoende aannemelijk gemaakt. Nadat de Chandelier op de beurs in [plaats 1] was tentoongesteld, zou deze een maand later door Priveekollektie op de beurs in [plaats 2] worden tentoongesteld. Priveekollektie wilde daartoe niet overgaan. Priveekollektie heeft op 15 december 2008 aan Solid Lighting (met kopie aan [appellante] ) bericht dat de blubs van de Chandelier niet voldeden aan de vereiste veiligheidsnormen. Zij schrijft dat er echt een professionele manier moet worden gevonden om de blubs op te hangen, ook voor toekomstige chandeliers. Als we chandeliers gaan verkopen, zo bericht Priveekollektie, moet er een certificaat van goedkeuring bij zitten voor de verzekering van de eigenaar en een certificaat met een kwaliteitsgarantie dat er geen blubs naar beneden komen en dat de elektra deugdelijk en volgens internationale goedgekeurde richtlijnen zijn. Vervolgens, nadat partijen onenigheid kregen over de voortzetting van hun samenwerking tijdens het gesprek van 28 januari 2009, heeft Priveekollektie de Chandelier, althans een groot deel ervan, teruggestuurd. Dat [appellante] , Priveekollektie én [de koper] het eens zouden zijn geworden over een verkoop van de Chandelier (voor een prijs van € 60.000,00), ondanks de in de mail van Priveekollektie genoemde gebreken, is niet aannemelijk geworden. Deze gaan immers veel verder dan ‘wat kanttekeningen …over elektra die nagekeken moest worden’. Bovendien gaat Priveekollektie er bij deze hypothetische gang van zaken aan voorbij dat zij - zoals in rov. 7.7 - is overwogen, inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijkheidsrechten van [appellante] door zonder haar toestemming lampen van de Chandelier te gebruiken om daarmee, buiten [appellante] om, een kleine Chandelier samen te stellen en te verkopen. Van [appellante] kon en kan ook tegen die achtergrond niet worden gevergd in te stemmen met verkoop van de incomplete Chandelier aan [de koper] . Grief III in het incidenteel hoger beroep slaagt dan ook niet; de gevorderde verklaring voor recht is terecht afgewezen.

7.12.

Middels grief V in het incidenteel hoger beroep betoogt Priveekollektie dat de kantonrechter ten onrechte haar recht op een goodwillvergoeding heeft afgewezen.

Het hof verwerpt deze grief nu gesteld noch gebleken is dat Priveekollektie nieuwe klanten heeft aangebracht dan wel overeenkomsten met bestaande klanten heeft uitgebreid, hetgeen op grond van artikel 7:442 BW wel een vereiste is, terwijl in rechte niet is komen vast te staan dat zij schade heeft geleden als gevolg van het gestelde niet kunnen verkopen aan [de koper] . Het hof verwijst ter onderbouwing naar hetgeen hiervoor is overwogen.

7.13.

Gegeven voormelde oordelen behoeft het hof geen beslissing te nemen over de vraag of tussen partijen een agentuurovereenkomst is gesloten dan wel een andersoortige overeenkomst.

7.14.

Middels grief VII in het incidenteel hoger beroep betoogt Priveekollektie dat de kantonrechter haar ten onrechte heeft veroordeeld in de beslagkosten die [appellante] heeft moeten maken. Daartoe bestond geen noodzaak, terwijl het, aldus Priveekollektie, niet meer dan fatsoenlijk was om na zo lang stilzitten eerst een telefoontje te plegen alvorens tot beslaglegging over te gaan.

Nu, naar het oordeel van het hof, niet gebleken is dat de beslagen nietig, onnodig of onrechtmatig waren, biedt artikel 706 Rv. voldoende grondslag om de kosten van Priveekollektie terug te vorderen. Daaraan doet het hiervoor door Priveekollektie gestelde niet af. De grief faalt.

7.15.

Priveekollektie voert als grief VIII in het incidenteel hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte haar vordering tot vergoeding van sloten heeft afgewezen. Priveekollektie stelt dat [appellante] bewust schade heeft veroorzaakt nu zij de opdracht tot beslaglegging heeft gegeven, wetende dat op dat moment de deuren geforceerd moesten worden omdat er, in verband met een beurs, niemand aanwezig was.

[appellante] heeft betwist dat hier sprake zou zijn van bewust schade toebrengen. Priveekollektie heeft haar stelling vervolgens niet nader onderbouwd. De kantonrechter heeft bovendien overwogen dat Priveekollektie haar stelling dat de deurwaarder een veiligheidsslot heeft vervangen door een goedkoop inbraakgevoelig exemplaar, niet heeft onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft Priveekollektie geen onderbouwing gegeven. De vordering moet bij gebrek aan onderbouwing worden afgewezen. De grief faalt.

7.16.

Samenvattend geldt dat de grieven in het principaal hoger beroep - grief V (gericht tegen de uitgesproken proceskostenveroordeling) wordt hierna nog beoordeeld - niet slagen. Grieven I en II in het incidenteel hoger beroep slagen, de andere niet. Dit leidt ertoe dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd voor zover Priveekollektie daarin is veroordeeld tot betaling van de productiekosten. Deze vordering van [appellante] wordt alsnog afgewezen. Het beroep op verrekening van de door Priveekollektie aan [appellante] betaalde bedragen ter hoogte van € 10.283,00 ( € 3.500,00 en € 6.783,00) maakt dat de vorderingen van [appellante] zoals genoemd onder 3.2 en 3.4 van het beroepen vonnis door betaling grotendeels teniet zijn gegaan. Resteert een toe te wijzen bedrag van € 217,00 (€ 10.500,00 minus € 10.283,00). De toegewezen veroordelingen in reconventie zullen als gevolg hiervan eveneens worden vernietigd.

7.17.1.

Bij akte van 30 oktober 2019 heeft Priveekollektie haar eis vermeerderd in die zin dat zij tevens heeft gevorderd om [appellante] te veroordelen

(i) in de kosten op grond van artikel 1019h Rv.,

(ii) tot betaling van de kosten in verband met de executie ad € 7.263,36, verhoogd met de wettelijke handelsrente,

(iii) tot betaling van de nodeloos gemaakte kosten voor waarheidsvinding van € 33.761,30 (grotendeels bestaande uit advocaatkosten in verband met bewijsbeslagen) verhoogd met de wettelijke handelsrente.

7.17.2.

Allereerst ligt de vraag voor of Priveekollektie in dit stadium van de procedure het recht heeft om tot eisvermeerdering over te gaan. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard.

7.17.3.

Priveekollektie stelt dat hier sprake is van een uitzondering namelijk nu zij aanpassing beoogt aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Priveekollektie stelt dat tijdens het pleidooi van 19 december 2018 is komen vast te staan dat [appellante] in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld; zij heeft haar waarheidsplicht geschonden daar waar zij

- heeft gesteld dat zij de productiekosten heeft betaald;

- heeft verzwegen dat [de pseudokoper] een pseudokoper was;

- heeft verzwegen dat zij eind 2013 15 blubs uit de Chandelier heeft verkocht aan AZ [AZ] te [vestigingsplaats] ;

- heeft verzwegen dat zij alle blubs (en andere rechten) aan de door haar opgerichte BV had verkocht;

- heeft gesteld dat zij niet de intentie had om nog blubs te gaan verkopen;

- heeft gesteld dat zij niet kon meewerken aan de levering van de kleinere chandelier aan [de koper] .

7.17.4.

[appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis. Zij stelt dat

- sprake is van misbruik van procesrecht,

- de grenzen van de rechtsstrijd worden verlegd,

- er aan haar geen redelijke termijn is gegund om hierop in te gaan en zij dus in haar belangen is geschaad,

- er ook strijd is met de goede procesorde nu de akte wordt genomen in het allerlaatste stadium van de procedure.

7.17.5.

Het hof staat de vermeerdering van eis niet toe. Priveekollektie beroept zich op de uitzonderingsregel die de Hoge Raad, HR 19-06-2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771 (https://www.navigator.nl/document/id1a9967e483879ef6c7e561dea1f41a40?anchor=id-533bd5244e3b554f1c668525b7274c04), heeft aanvaard: een vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord kan toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisvermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Deze uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor. Op de nu voorliggende geschilpunten kan en wordt aan de hand van de juiste en volledige gegevens beslist. De onderhavige eisvermeerdering strekt er dan ook niet toe te voorkomen dat het geschil aan de hand van de inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken gegevens zou moeten worden beslist. Voorts behoeft geen nieuwe procedure te worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Bovendien mag de eisvermeerdering op grond van de aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad niet in strijd komen met de eisen van een goede procesorde. Deze eisvermeerdering komt daarmee in strijd. Het pleidooi dat op 19 december 2018 is gehouden, is aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen tussen partijen, waarna de zitting werd voortgezet om partijen in de gelegenheid te stellen alsnog re- en dupliek te nemen. Deze eiswijzigingen na genoemd pleidooi acht het hof in strijd met een goede procesorde.

7.18.1.

Het vorenstaande neemt niet weg dat het hof bij de beoordeling van de proceskostenveroordeling zal betrekken dat [appellante] op meerdere punten in strijd heeft gehandeld met artikel 21 Rv. Zo heeft zij gesteld de productiekosten te hebben betaald en ondanks de door Priveekollektie overgelegde verklaringen die erop duiden dat dit niet waar was, nooit openheid van zaken gegeven over de vraag welk bedrag zij op de twee betreffende facturen daadwerkelijk op welk tijdstip heeft voldaan. Voorts heeft [appellante] eerst tijdens het pleidooi van 19 december 2018 erkend dat [de pseudokoper] , de pseudokoper, niet bestond. Daar staat tegenover dat Priveekollektie niet heeft aangegeven welke processuele consequenties dit voor haar heeft gehad. Als [appellante] dit bij haar inleidende dagvaarding zou hebben aangegeven, zou dit niet tot een ander standpunt van Priveekollektie in de procedure hebben geleid. Grief V in het principaal beroep slaagt niet.

7.18.2.

Nu partijen, althans Floriskollektie BV en [appellante] , over en weer in het ongelijk zijn gesteld, alsook vanwege de schending van artikel 21 Rv door [appellante] , worden de proceskosten in eerste aanleg aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt. De proceskostenveroordeling van [appellante] in de kosten van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] in eerste aanleg blijft gehandhaafd, aangezien haar vorderingen tegen hen terecht zijn afgewezen .

7.18.3.

[appellante] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, alsook wegens de schending van artikel 21 Rv, in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart [appellante] niet ontvankelijk in haar beroep tegen het vonnis in incident van 27 augustus 2014;

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de daarin uitgesproken veroordelingen met uitzondering van de veroordelingen onder 3.1, 3.5, 3.6 en 3.10,

en in zoverre opnieuw rechtdoende

veroordeelt Floriskollektie BV aan [appellante] te betalen een bedrag van € 217,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2013;

wijst de vorderingen in reconventie af;

compenseert de kosten in conventie in eerste aanleg in die zin dat Priveekollektie en [appellante] ieder de eigen kosten dragen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Priveekollektie op € 5.213,00 aan griffierecht en op € 12.644,00 aan salaris advocaat in het principaal hoger beroep en € 6.322,00 in het incidenteel hoger beroep,

bekrachtigt het vonnis voor het overige,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, J.M.H. Schoenmakers en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 januari 2020.

griffier rolraadsheer