Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4196

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
20-001949-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001949-18

Uitspraak : 23 december 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ‘s-Hertogenbosch, van 12 juni 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-865113-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Togo) op [geboortedag] 1963,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – poging tot zware mishandeling (feit 2 primair) vrijgesproken. Ter zake van – kort gezegd – poging tot verkrachting (feit 1) en mishandeling (feit 2 subsidiair) is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] integraal toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen, behoudens de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde straf en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer. Wat betreft de schadevergoedingsmaatregel heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat de beslissing van de rechtbank dient te worden

gevolgd, maar dat de vervangende hechtenis uit het vonnis dient te worden vervangen door gijzeling.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte integraal zal vrijspreken van het tenlastegelegde. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met aanvulling en verbetering van de gronden, en met uitzondering van de opgelegde straf, en de motivering daarvan, alsmede de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde poging tot verkrachting

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling en verbetering.

De door de rechtbank op pagina 3 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel inhoudende een geschrift, zijnde een aanvraag formulier medische informatie, ondertekend op 26 september 2016, p. 56 (deel uitmakende van het politiedossier Eenheid Oost-Brabant, dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische Opsporing, Basisteam Maasland, registratienummer PL2100-2016185079, sluitingsdatum 4 oktober 2016), behoeft aanvulling met het navolgende:

Verzoek om medische informatie over [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer]

Datum voorval: 17-08-2016

Datum onderzoek: 26-08-2016 en 02-09-2016.

Omschrijving van het letsel.

Uitwendig waargenomen letsel: (Hof: daarna volgt hetgeen is opgenomen door de

rechtbank is opgenomen onder dit bewijsmiddel)

Pte (hof: patiënte) is i.v.m. de psychische impact direct naar

praktijkondersteuner GGZ verwezen.

De door de rechtbank op pagina 3 van het vonnis opgenomen bewijsmiddel inhoudende een geschrift, zijnde een aanvraag formulier medische informatie, ondertekend op 29 september 2016, ongenummerd (deel uitmakende van het politiedossier Eenheid Oost-Brabant, dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische Opsporing, Basisteam Maasland, registratienummer PL2100-2016185079, sluitingsdatum 4 oktober 2016), behoeft aanvulling met het navolgende:

Verzoek om medische informatie over [slachtoffer] , geboren [geboortedatum slachtoffer]

Datum onderzoek: 25-08-2016

Datum voorval: 17-08-2016

Datum onderzoek: 25-08-2016

Omschrijving van het letsel

Uitwendig waargenomen letsel: (Hof: daarna volgt hetgeen is opgenomen door de

rechtbank is opgenomen onder dit bewijsmiddel)

Het hof is voorts van oordeel dat de bewijsvoering niet dient te berusten op het volgende.

De rechtbank heeft op pagina 2 van het vonnis als bewijsmiddel opgenomen ‘De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 mei 2018 afgelegd’. Dit bewijsmiddel behoeft naar het oordeel van het hof verbetering, met dien verstande dat het zinsgedeelte ‘Waarschijnlijk heb ik haar tijdens de val met mijn ellenboog in haar gezicht geraakt want’ en de zin ‘Op dat moment stond ik dus, alleen gekleed in mijn onderbroek over mevrouw [slachtoffer] gebogen, met het kussen in mijn hand bij haar gezicht terwijl zij op de grond lag’ hieruit worden geschrapt.

Naast de door de eerste rechter gebruikte bewijsmiddelen, komt de bewezenverklaring van feit 1 mede te berusten op de bewijsmiddelen zoals hierna weergegeven.

- Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] door de rechter-commissaris (toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring) d.d. 19 augustus 2016, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende, nadat de vordering tot inbewaringstelling aan hem was voorgehouden, waarin – samengevat -onder 1. is opgenomen de verdenking dat hij op 17 augustus 2016 te Eindhoven zou hebben gepoogd om [slachtoffer] te verkrachten:

Wat ik mij nog kan herinneren is dat wij, mijn vriendin (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) en ik ruzie hebben gemaakt. Nadat wij ruzie maken gaan wij in de regel daarna met elkaar naar bed. Ook na deze ruzie zei ik ‘kom we gaan naar de slaapkamer naar boven’.

- Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren op 18 augustus 2016, p. 48- 51 (deel uitmakende van het politiedossier Eenheid Oost-Brabant, dienst Regionale Recherche, afdeling Thematische Opsporing, Basisteam Maasland, registratienummer PL2100-2016185079, sluitingsdatum 4 oktober 2016), voor zover dit inhoudt als verklaring van verdachte:

Mijn levensgezel hier in Eindhoven is [slachtoffer] ( het hof begrijpt gelet op de aangifte: [slachtoffer] ) Wat deed u gisteren (Hof: 17 augustus 2016) op het adres [adres] ? Ik zei tegen haar dat we boven liefde gingen maken. Dus nu zei ik ook dat ze mee naar boven moest gaan. Ze klemde haar benen bij elkaar. Ik wilde haar optillen en naar boven brengen. Ze wilde niet.

[slachtoffer] heeft 2 of 3 keer om hulp geroepen.

ten aanzien van de bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling

Het hof is van oordeel dat de bewijsoverweging van de rechtbank op pagina 5, eerste alinea, van het vonnis verbetering behoeft. De rechtbank heeft overwogen:

“De rechtbank kan hierdoor vaststellen of de kans bestond dat aangeefster door de gedragingen van verdachte zwaar lichamelijk letsel op had kunnen lopen en of verdachte die kans bewust zou hebben aanvaard”.

Het hof is van oordeel dat in voornoemde zin kennelijk abusievelijk het woord ‘niet’ ontbreekt. Voornoemde zin behoeft aldus naar het oordeel van het hof verbetering, met dien verstande dat tussen de woorden ‘De rechtbank kan hierdoor’ en ‘vaststellen met welke kracht’ het woord niet dient te worden ingevoegd. Voor het overige verenigt het hof zich met de bewijsoverweging van de rechtbank.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging wederom bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hetgeen de verdediging hiertoe heeft aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Onder verwijzing naar de (verbeterde) bewijsoverwegingen van de rechtbank verwerpt het hof derhalve het verweer. Met betrekking tot hetgeen de raadsman verder heeft aangevoerd ten aanzien van de kleding ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, is het hof van oordeel dat dit wordt weerlegd door de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en behoeft aldus geen nadere bespreking.

Op te leggen sanctie

De raadsman heeft het hof verzocht om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de medische omstandigheden van de verdachte.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan (de eendaadse samenloop van) een poging tot verkrachting en mishandeling. De verdachte heeft zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren boven de gevoelens en belangen van het slachtoffer, met wie hij destijds een relatie had. De wil van het slachtoffer heeft hij volledig ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen doel, te weten bevrediging van zijn seksuele lusten. Hij heeft het slachtoffer in haar eigen huis belaagd. Met de rechtbank neemt het hof dit alles de verdachte zeer kwalijk.

Het bewezenverklaarde levert zeer ernstige feiten op. Het slachtoffer heeft het handelen van de verdachte als heel beangstigend en bedreigend ervaren. Door het plegen van deze feiten heeft de verdachte op brutale en grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Dit klemt des te meer nu zij zich juist bij de verdachte die destijds haar partner was en in haar huis verbleef, veilig had moeten kunnen voelen. Als algemeen bekend mag worden verondersteld dat slachtoffers van dergelijke delicten veelal nog langdurige nadelige, psychische gevolgen daarvan ondervinden. Dat is in de onderhavige kwestie niet anders, zoals volgt uit toelichting op de vordering van de benadeelde partij en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2020, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Het hof zal voorts in het voordeel van de verdachte rekening houden met het tijdsverloop van ruim vier jaren sinds de pleegdatum van de delicten. Verder heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en op de straffen die door dit hof in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De persoonlijke omstandigheden van verdachte maken dat niet anders. Het hof zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte voorwaardelijk opleggen, waarmee het hof beoogt te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw soortgelijke strafbare feiten zal plegen.

Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. In het voorgaande ligt besloten dat in hetgeen is aangevoerd door de raadsman geen grond wordt gevonden een lagere straf op te leggen dan de hieronder bedoelde. Het hof zal aan de voorwaardelijke straf een proeftijd verbinden voor de duur van twee jaren, nu het hof die termijn van belang acht als stok achter de deur.

Het hof ziet in het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep geen aanleiding voor het opleggen van het door de advocaat-generaal gevorderde contactverbod ten behoeve van aangeefster [slachtoffer] . Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het bewezen verklaarde nagenoeg vier jaren geleden heeft plaatsgevonden, dat de verdachte blijkens het verhandelde ter terechtzitting voor het laatst in 2017 contact heeft gezocht of heeft gehad met het slachtoffer, en dat niet is gebleken van aanwijzingen waaruit volgt dat de verdachte sedertdien opnieuw contact heeft opgenomen.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld. Namens de verdachte is op 13 juni 2018 tegen het bestreden vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van heden – 23 december 2020 – einduitspraak. Het procesverloop in hoger beroep bedraagt aldus twee jaren en zes maanden, waarmee eindarrest zal worden gewezen na het verstrijken van voornoemde tweejaarstermijn.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat in de fase van het hoger beroep de redelijke termijn met ruim zes maanden is overschreden. Deze overschrijding is naar het oordeel van het hof, voornamelijk toe te schrijven aan de aanhoudingsverzoeken van de verdediging. De behandeling van de zaak in hoger beroep is aangevangen op 21 januari 2019. De behandeling van de zaak is toen op verzoek van de verdediging aangehouden wegens ziekte van de verdachte en omdat de raadsman toentertijd het dossier niet heeft kunnen bespreken. Vervolgens is op de terechtzitting van 5 februari 2020 de behandeling van de zaak wederom op verzoek van de verdediging aangehouden, aangezien de verdachte wegens medische redenen niet op de zitting kon verschijnen. Op de terechtzitting van 2 september 2020 is om diezelfde redenen de behandeling van de zaak aangehouden. Nu de overschrijding grotendeels is te wijten aan het namens de verdachte gedane aanhoudingsverzoeken op de terechtzittingen van 21 januari 2019, 5 februari 2020 en 2 september 2020, zal het hof derhalve volstaan met een constatering van een overschrijding van de redelijke termijn.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.500,00, terzake van geleden immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts heeft de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven

De verdediging heeft zich in hoger beroep ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof indien het tot een veroordeling zou komen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof is van oordeel dat, gelet op het handelen van de verdachte en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, het gevorderde bedrag aan immateriële schade als redelijk en billijk kan worden beschouwd.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 2.500,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

17 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, alsmede de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de doet in zoverre opnieuw recht:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

17 augustus 2016.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. J.F. Dekking, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. E.E. van der Bijl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Hafti, griffier,

en op 23 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.