Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4177

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
20-003678-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:5551
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003678-18

Uitspraak : 30 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 8 november 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-880935-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te 's- [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1958,

thans verblijvende in [PI] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van poging tot doodslag (het primair tenlastegelegde) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Tevens is de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gelast.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte primair ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest en de terbeschikkingstelling met dwangverpleging van de verdachte zal gelasten.

De verdediging heeft, zo begrijpt het hof, vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair tenlastegelegde. Tevens heeft de verdediging met betrekking tot de (eventueel) op te leggen maatregel een voorwaardelijk verzoek gedaan dat het hof tussenarrest zal wijzen en dat omtrent de persoon van de verdachte nader gerapporteerd zal worden om te onderzoeken of kan worden volstaan met het gelasten van een andere maatregel dan terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 30 oktober 2017 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn moeder, [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 1930), opzettelijk van het leven te beroven,

- die [slachtoffer] met kracht (met haar gezicht naar beneden) in een of meer kussens heeft gedrukt en/of

- een of meer kussens met kracht op het hoofd en/of gezicht van die [slachtoffer] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of

- (vervolgens) op die/dat kussen(s) en/of op het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] is gaan zitten en/of

- (daarbij/vervolgens) de keel bij die [slachtoffer] met kracht heeft dichtgeknepen en/of

- met kracht op en/of onder de borst van die [slachtoffer] heeft gedrukt en/of

- (vervolgens) op het lichaam/de rug van die [slachtoffer] is gaan zitten waarbij hij (met zijn gewicht) op en neer op haar lichaam/rug is gesprongen terwijl hij (verdachte) het gezicht van die [slachtoffer] met kracht in de bank/kussens heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 30 oktober 2017 te 's-Hertogenbosch aan zijn moeder, [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 1930) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere, althans één gebroken rib(ben) en/of (een) gebroken borstbeen en/of (een) kaakfractuur heeft toegebracht door

- die [slachtoffer] met kracht met haar gezicht naar beneden in een of meer kussens te drukken en/of

- een of meer kussens met kracht op het hoofd en/of gezicht van die [slachtoffer] te drukken en/of gedrukt te houden en/of

- (vervolgens) meermalen (met kracht) op die/dat kussen(s) en/of op het hoofd/gezicht van die [slachtoffer] te gaan zitten en/of

- (daarbij/vervolgens) de keel bij die [slachtoffer] met kracht heeft dichtgeknepen en/of

- met kracht op en/of onder de borst van die [slachtoffer] heeft gedrukt en/of

- (vervolgens) op het lichaam/de rug van die [slachtoffer] is gaan zitten waarbij hij (met zijn gewicht) op en neer op haar lichaam/rug is gesprongen terwijl hij (verdachte) het gezicht van die [slachtoffer] met kracht in de bank/kussens heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 oktober 2017 te 's-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn moeder, [slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 1930) opzettelijk van het leven te beroven,

- die [slachtoffer] (met haar gezicht naar beneden) in kussens heeft gedrukt en

- kussens op het hoofd van die [slachtoffer] heeft gedrukt en gedrukt gehouden en

- vervolgens op die kussens en op het hoofd van die [slachtoffer] is gaan zitten en

- daarbij/vervolgens de keel bij die [slachtoffer] met kracht heeft dichtgeknepen en

- met kracht op of onder de borst van de [slachtoffer] heeft gedrukt en

- (vervolgens) op de rug van die [slachtoffer] is gaan zitten waarbij hij (met zijn gewicht) op en neer op haar rug is gesprongen terwijl hij (verdachte) het gezicht van die [slachtoffer] in de bank/kussens heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit ten aanzien van het aan de verdachte primair tenlastegelegde. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat, indien het hof van oordeel is dat het “met kracht dichtknijpen van de keel van die [slachtoffer] ” niet bewezen kan worden verklaard, uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet blijkt dat het opzet van de verdachte gericht was op de dood van het slachtoffer.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de inhoud van de hierboven bedoelde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het slachtoffer, een 87-jarige fragiele vrouw, met haar gezicht naar beneden in kussens heeft gedrukt, kussens op haar hoofd heeft gedrukt en gedrukt gehouden en vervolgens op die kussens en op het hoofd van het slachtoffer is gaan zitten. Daarbij heeft de verdachte ook de keel van het slachtoffer met kracht dichtgeknepen waardoor zij geen lucht meer kreeg en ook met kracht op of onder de borst van het slachtoffer gedrukt. Ten slotte is hij ook op haar rug gaan zitten waarbij hij (met zijn gewicht) op en neer op haar rug is gesprongen terwijl hij het gezicht van het slachtoffer in de bank/kussens heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden.

Al deze feiten en omstandigheden in aanmerking genomen komt het hof tot de slotsom dat in deze zaak naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond dat door het handelen van de verdachte het slachtoffer had kunnen overlijden. Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op dit gevolg dat het – bij gebrek aan contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte, gezien de aard van zijn gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou kunnen overlijden, welbewust heeft aanvaard.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Ten aanzien van de straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich in de avond van 30 oktober 2017 schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op zijn hoogbejaarde moeder, een kleine, fragiele 87-jarige vrouw. Hiertoe heeft de verdachte het slachtoffer (met haar gezicht naar beneden) in kussens gedrukt, kussens op haar hoofd gedrukt en gedrukt gehouden en vervolgens is hij op die kussens en op het hoofd van het slachtoffer gaan zitten. Daarbij heeft de verdachte de keel van het slachtoffer met kracht dichtgeknepen en ook met kracht op of onder de borst van het slachtoffer gedrukt. Ten slotte is hij ook op haar rug gaan zitten waarbij hij (met zijn gewicht) op en neer op haar rug is gesprongen terwijl hij het gezicht van het slachtoffer in de bank/kussens heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden. Ten gevolge van het door de verdachte uitgeoefende geweld heeft het slachtoffer onder meer breuken in het borstbeen, meerdere gebroken ribben en een breuk in de onderkaak opgelopen. In plaats van dat de verdachte medische hulp heeft ingeschakeld voor de ernstige verwondingen van het slachtoffer of haar in de gelegenheid heeft gesteld zelf medische hulp in de schakelen, heeft hij het slachtoffer na het incident op een stoel gezet en getreiterd. Pas de volgende dag heeft het slachtoffer hulp kunnen inschakelen door naar een bevriende flatbewoonster te gaan, nadat de verdachte de woning had verlaten. Het slachtoffer was er zodanig slecht aan toe dat zij een week op de intensive care van het ziekenhuis heeft gelegen.

Door het handelen van de verdachte heeft hij een bijzonder ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, zijn eigen moeder. Deze ervaring moet voor het slachtoffer zeer ingrijpend en beangstigend zijn geweest. Naast het lichamelijke letsel dat het slachtoffer door het handelen van de verdachte heeft opgelopen, leert de ervaring dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daarvan nog lange tijd psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. In deze zaak zal dat in het bijzonder het geval zijn, nu het slachtoffer door haar eigen zoon op een dergelijke gewelddadige manier is behandeld. Het handelen van de verdachte getuigt van een volkomen gebrek aan respect voor het leven van zijn eigen moeder. Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie, d.d. 4 september 2020, betrekking hebbend op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Ook heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Bij de straftoemeting heeft het hof voorts gelet op de inhoud van de in het dossier voorhanden zijnde rapportages. In de onderhavige zaak is op 5 september 2018 door [naam psychiater] (psychiater) en [naam GZ-psycholoog] (GZ-psycholoog), beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (locatie Pieter Baan Centrum), een rapportage Pro Justitia opgemaakt omtrent de persoon van verdachte.

Uit de hiervoor genoemde rapportage blijkt omtrent het al dan niet bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten het volgende:

“Er is bij betrokkene sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met grote tekorten in het sociaal-emotioneel functioneren. Betrokkene is dominant en bepalend in het contact met anderen. Betrokkene heeft geen zelfinzicht en is niet gewend stil te staan bij zichzelf en al helemaal niet bij wat anderen denken of voelen. Hij is in zijn gedrag egocentrisch gericht, hij redeneert vanuit zijn eigen referentiekader en hij kan zich nauwelijks verplaatsen in een ander. De empathische vermogens en de gewetensfuncties zijn in dit licht beperkt ontwikkeld. Betrokkene presenteert zich onverschillig voor zijn omgeving en toont geen tot nauwelijks bereidheid rekening te houden met de grenzen of belangen van een ander. Betrokkene is gevoelig voor inperkingen in zijn doen en laten en reageert hierop met irritatie, norsheid of verzet. Betrokkene presenteert een onrealistisch beeld van zichzelf. Hij schetst zichzelf met enige grootheid, maar past het verhaal ook net zo makkelijk weer aan, als hij betrapt wordt op onwaarheden. Deze fantasieën en leugens vormen een rode draad door betrokkenes leven. De werkelijkheid is dat betrokkene nooit langdurig in staat is geweest om op eigen benen te staan en heeft geprofiteerd van anderen, waarbij hij list en bedrog inzet om zijn eigen belangen te behartigen, ook als hij anderen daarbij schade berokkent. Betrokkenes gevoelsleven kent weinig nuances. Hij is zwart-wit in zijn denken en neigt tot primitieve afweermechanismes als loochening en externaliseren. Al met al is er een patroon sinds jonge volwassenheid van onverantwoordelijk, normoverschrijdend gedrag en gebrek aan achting voor de rechten van anderen. Duidelijk is dat genoemde persoonlijkheidskenmerken hebben geleid tot beperkingen in alle levensgebieden waardoor gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis met vooral antisociale maar ook narcistische kenmerken.

Samenvattend komen onderzoekers tot de volgende diagnostische conclusie, namelijk dat betrokkene lijdt aan een ernstige persoonlijkheidsstoornis met vooral antisociale en narcistische trekken, waarbij hij ook voldoet aan de kenmerken van psychopathie. Deze stoornis kent een duurzaam patroon en was derhalve ook aanwezig tijdens het ten laste gelegde.”

Omtrent de mate waarin de hierboven genoemde stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde hebben beïnvloed, hebben de deskundigen [naam psychiater] en [naam GZ-psycholoog] het volgende geconcludeerd:

“Indien het ten laste gelegde bewezen kan worden, lijkt het (…) zeer waarschijnlijk dat de gebrekkige ontwikkeling van betrokkene van invloed is geweest op zijn keuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Betrokkene is een egocentrische man die het liefst zijn eigen gang gaat en zich niet laat begrenzen door anderen. Hij wordt in zijn gedragskeuzes ook niet gehinderd door wroeging of empathische gevoelens, omdat hij deze niet ervaart, wat gezien kan worden als een handicap. Hoewel betrokkene dus niets heeft verteld over eventuele motieven, zien onderzoekers dat betrokkene door zijn persoonlijkheidsstoornis een zeer beperkt repertoire heeft aan copingmechanismen om met conflicten om te gaan. Betrokkene wordt in zijn gedrag niet geremd door empathie of geweten, niet door angst of andere emoties zoals schaamte of schuld. Het missen van de remmingen vanuit het bovenbeschreven gebrekkig sociaal-emotioneel functioneren kan bij betrokkene gezien worden als een grote handicap. Het tenlastegelegde is hem om die reden in verminderde mate toe te rekenen.”

Na het opmaken van de hiervoor vermelde rapportage zijn door [naam psychiater] op 20 januari 2020 en 22 juli 2020 wederom Pro Justitia rapportages opgemaakt omtrent de persoon van de verdachte. Omtrent het al dan niet bestaan van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit is [naam psychiater] niet teruggekomen op haar eerdere bevindingen en conclusies: de verdachte is lijdende aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, welke stoornis ook aanwezig was tijdens het tenlastegelegde. Omtrent de mate waarin deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde hebben beïnvloed, heeft [naam psychiater] wederom geadviseerd de verdachte het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen.

Ook [naam GZ-pycholoog 2] heeft onderzoek verricht naar de persoon van de verdachte, welke bevindingen zijn neergelegd in de Pro Justitia rapportages d.d. 16 januari 2020 en 14 juli 2020. Omtrent de vraag of de verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens heeft de deskundige, evenals [naam GZ-psycholoog] en [naam psychiater] , geconcludeerd dat de verdachte lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken, welke stoornis aanwezig was tijdens het tenlastegelegde. Omtrent de mate waarin deze stoornis de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed, heeft [naam GZ-pycholoog 2] zich, vanwege de beperkingen van het onderzoek en nu het delictscenario wat betreft de psychische onderliggende dynamiek een ‘black box’ is gebleven, onthouden van advies.

Het hof verenigt zich met bovenstaande conclusies van de deskundigen met betrekking tot de bij de verdachte geconstateerde persoonlijkheidsstoornis en de conclusies van de deskundigen [naam psychiater] en [naam GZ-psycholoog] omtrent de mate waarin het bewezenverklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend en maakt die tot de zijne. Het hof zal gelet op het voorgaande bij de strafoplegging rekening houden met de omstandigheid dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat gezien de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles overziend is het hof van oordeel een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is.

Ten aanzien van de maatregel

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geboden is.

De maatregel van terbeschikkingstelling kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Een van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, zoals hier poging tot doodslag, en dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Uit het onderzoek van psychiater [naam psychiater] van 20 januari 2020 en [naam GZ-pycholoog 2] van 16 januari 2020 volgt dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken. Deze stoornis kent een duurzaam patroon en was ook aanwezig tijdens het ten laste gelegde.

Uit het onderzoek van psychiater [naam psychiater] volgt dat de verdachte een egocentrische man is die zich niet laat begrenzen door anderen. Hij wordt niet gehinderd door schuldgevoelens of empathische gevoelens. Hij heeft een parasitaire levensstijl. Er zijn problemen met de emotieregulatie, mogelijk versterkt door alcoholgebruik. Hij wordt in zijn handelen niet geremd door empathie of schuldgevoelens.

Door de deskundige [naam GZ-pycholoog 2] wordt gerapporteerd dat bij de verdachte sprake is van een zeer ernstige persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken. Er is sprake van een duurzaam patroon van disfunctioneren. Hij maakt weinig adequaat contact met zijn innerlijke dynamiek (alleen woede en achterdocht zijn gemakkelijk te mobiliseren) en is weinig in staat tot perspectiefwisseling c.q. zich in een ander verplaatsen. Het denken is egocentrisch. Het introspectief vermogen is beperkt. Er is sprake van onverantwoord gedrag. Beperkingen zijn er ook met betrekking tot zijn probleemoplossende vermogens en op het gebied van zijn emotieregulatie en de impulscontrole. Er zijn aanwijzingen voor een gebrekkig ontwikkelde gewetensfunctie.

Op basis van de bij de verdachte bestaande persoonlijkheidsstoornis, die ook ten tijde van het begaan van het feit bestond, is door de deskundigen een inschatting gemaakt van het recidivegevaar en zijn aanbevelingen gedaan voor interventies die het recidivegevaar kunnen beperken.

Omtrent de inschatting van het recidivegevaar en aanbevelingen voor interventies die het recidivegevaar kunnen beperken is door deskundige [naam psychiater] op 20 januari 2020 het volgende gerapporteerd:

Het risico op herhaling wordt als hoog ingeschat. Dit wordt ondersteund door afname van een risicotaxatie-instrument de HCR-20 v3. Betrokkene scoort hierbij hoog op de historische, klinische en risicohanteringsitems. Er zijn weinig beschermende factoren. Betrokkene heeft daarnaast weinig opgebouwd in maatschappelijk opzicht: hij heeft geen baan, woning of geld. Er is alleen een buurman die zich om hem bekommert en voor zijn hond zorgt. Betrokkene heeft veel conflicten. De relatie met zijn moeder, het slachtoffer in deze zaak, was er een van wederzijdse afhankelijkheid. Betrokkene is onderliggend nog steeds boos op haar. Het is voor te stellen dat wanneer betrokkene zonder behandeling of maatschappelijke ondersteuning uit detentie komt, hij wederom een beroep doet op zijn moeder, die waarschijnlijk niet tegen betrokkene is opgewassen. Herhaling van geweld in dat scenario kan als hoog worden aangemerkt. Er is sprake van ernstige persoonlijkheidsproblematiek en een hoog recidivegevaar. Het kader waarin behandeling zou moeten plaats vinden [is] een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, omdat betrokkene niet gemotiveerd is en geen enkel probleembesef heeft. Het behandelklimaat zal dwingend moeten zijn, met een stevige structuur en veiligheid gezien de neiging van betrokkene om te ageren. Een voorwaardelijk kader wordt als niet haalbaar geacht, omdat betrokkene zijn eigen plan trekt en de neiging heeft zich niets aan te trekken van autoriteiten.”

De hiervoor vermelde rapportage van [naam GZ-pycholoog 2] van 16 januari 2020 houdt hieromtrent het volgende in:

“De hoeveelheid risicofactoren en het ontbreken van beschermende factoren wijst op een hoog recidivegevaar. Er is sprake van ernstige problematiek en van een hoog recidivegevaar. Betrokkene heeft geen probleembesef, geen wens te veranderen, geen hulpvraag. Er is geen sprake van een interne behandelmotivatie. De persoonlijkheidsstoornis kan uitsluitend behandeld worden indien er sprake is van voldoende en langdurige behandeldruk. Een langdurige klinische behandeling is geïndiceerd in een setting die bestand is tegen het ageergedrag van betrokkene. Gezien de structurele neiging van betrokkene tot onbetrouwbaar en zelfbepalend gedrag, gezien het ontbreken van probleembesef en interne motivatie voor een behandeling, is behandeling in een voorwaardelijk kader niet haalbaar. Deze afwegingen sluiten aan bij de afwegingen in het PBC-rapport van 2018 en leiden tot het advies betrokkene te behandelen in het kader van tbs met verpleging van overheidswege.”

Bij een eerdere inhoudelijke behandeling van onderhavige zaak ter terechtzitting in hoger beroep op 10 februari 2020 heeft de verdachte verklaard mee te willen werken aan het onderzoek van de deskundigen en een verklaring te willen afleggen bij de raadsheer-commissaris. Naar aanleiding hiervan hebben [naam psychiater] en [naam GZ-pycholoog 2] aanvullend gerapporteerd op respectievelijk 22 juli 2020 en 14 juli 2020, na kennisneming van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting en zijn verhoor bij de raadsheer-commissaris. De verdachte heeft zich echter bij de raadsheer-commissaris op zijn zwijgrecht beroepen en niet meegewerkt aan het onderzoek door de deskundigen. De deskundigen [naam psychiater] en [naam GZ-pycholoog 2] blijven bij de eerdere conclusies en aanbevelingen.

Het hof verenigt zich met de weergegeven bevindingen en conclusies van de deskundigen met betrekking tot het hoge recidiverisico en de noodzaak van behandeling in een gedwongen kader. Het hof stelt vast dat aan de wettelijke criteria voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan; bij de verdachte bestond ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, het door de verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van die maatregel.

Het hof is tegen de achtergrond van de overwegingen van de gedragsdeskundigen van oordeel dat het gevaar dat van de verdachte uitgaat zodanig hoog is, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging van overheidswege eist. Het is naar het oordeel van het hof onverantwoord om te volstaan met een behandeling in het kader van een voorwaardelijk strafdeel dan wel in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte, zoals deze door de deskundigen is beschreven, is daarvoor te ernstig en het recidiverisico te hoog. Het hof wijst in dit verband op de beschreven noodzaak van een hoog beveiligingsniveau, van een dwingend behandelklimaat met een stevige structuur en veiligheid en het bij de verdachte ontbreken van probleembesef en motivatie tot behandeling. Het hof zal dan ook de eis van de advocaat-generaal volgen en de maatregel van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen.

Het hof zal gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelet op het bewezenverklaarde wordt de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.

Het hof heeft bij zijn oordeel in aanmerking genomen de inhoud van de overige adviezen en rapporten die over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het begane feit.

Voorwaardelijk verzoek

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan dat het hof tussenarrest zal wijzen zodat omtrent de persoon van de verdachte nader gerapporteerd kan worden om te onderzoeken of kan worden volstaan met het gelasten van een andere maatregel dan terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Zoals uit hetgeen hiervoor is vermeld, blijkt dat de deskundigen [naam psychiater] en [naam GZ-pycholoog 2] van mening zijn dat het risico op recidive hoog is en dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging onontkoombaar is. Het hof acht zich voldoende voorgelicht. Gelet op de door de deskundigen uitgebrachte rapporten is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is. Het hof ziet dan ook geen noodzaak om tussenarrest te wijzen om te onderzoeken of kan worden volstaan met het gelasten van een andere maatregel dan terbeschikkingstelling met dwangverpleging, zoals bijvoorbeeld de reclassering de opdracht te geven een maatregelenrapport op te stellen, zoals de verdediging heeft voorgesteld. Het hof wijst het verzoek dan ook af.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 37a, 37b, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,

en op 30 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.