Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4170

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
20-001155-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001155-18

Uitspraak : 22 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 29 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-800409-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte, kort gezegd:

  • -

    vrijgesproken van het onder 3, eerste cumulatief/alternatief (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling) en onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde;

  • -

    veroordeeld voor de onder 1 primair tenlastegelegde diefstal met braak, de onder 2 tenlastegelegde diefstal, de onder 3 tenlastegelegde mishandeling1 en de onder 5 primair tenlastegelegde diefstal met braak, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest en tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden.

Voorts heeft de rechtbank een in beslaggenomen personenauto verbeurd verklaard, de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] toegewezen tot een bedrag van € 373,33, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet wederom gevoegd ter zake die vordering. De vordering van de [benadeelde partij 1] is derhalve in hoger beroep niet meer aan het oordeel van het hof onderworpen.

Al hetgeen hierna is overwogen, heeft betrekking op de beslissingen van de rechtbank voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van feit 4 primair en subsidiair

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten.

Blijkens de daarvan opgemaakte akte is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld, zodat het mede is gericht tegen de beslissing van de rechtbank van hetgeen aan de verdachte onder 4 primair en subsidiair ten laste is gelegd.

Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep op. Het hof zal daarom de verdachte niet-ontvankelijkheid verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis van de rechtbank gegeven vrijspraak voor feit 4 primair en subsidiair.

Blijkens de daarvan opgemaakte akte is door de officier van justitie onbeperkt hoger beroep ingesteld, zodat het mede is gericht tegen de beslissing van de rechtbank van hetgeen aan de verdachte onder 4 primair en subsidiair ten laste werd gelegd. In de bij de akte gevoegde opgave van bezwaren d.d. 12 april 2018 is door de officier van justitie aangekruist dat het hoger beroep is gericht tegen de opgelegde straf, met name tegen de onvoldoende hoogte van de straf.

In de schriftuur hoger beroep OM ex artikel 410 Sv d.d. 17 april 2018 heeft de officier van justitie te kennen gegeven van mening te zijn dat de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 6 maanden onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de justitiële documentatie van de verdachte.

Door de advocaat-generaal is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het hoger beroep van het openbaar ministerie zich niet richt tegen de vrijspraken van feit 4 primair en subsidiair.

Nu door het openbaar ministerie te kennen is gegeven dat het appel zich niet tegen deze vrijspraken richt, er geen grieven zijn en ook overigens geen belang is zal het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis van de rechtbank gegeven vrijspraak voor feit 4 primair en subsidiair.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal vrijspreken van feit 3A (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling);

  • -

    de feiten 1 primair, 2, 3B en 5 primair bewezen zal verklaren en verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    zal beslissen omtrent het beslag gelijk aan de door de rechtbank genomen beslissing;

  • -

    de vordering van [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] zal toewijzen tot een bedrag van

€ 373,33, waarvan € 23,33 ter zake van materiële schade en € 350,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft:

  • -

    bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van feit 1 primair, feit 2, feit 3B en feit 5 primair en de [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding;

  • -

    zich voor wat betreft feit 3A aangesloten bij het standpunt van de AG;

  • -

    zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en feit 5 subsidiair;

  • -

    bepleit dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met eventueel nog een (forse) taakstraf van 100/120 uren, desnoods 240 uren;

  • -

    bepleit dat de in beslag genomen personenauto van het merk BMW wordt teruggegeven aan de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dat:

1.

hij op 19 juni 2016 omstreeks 12.27 uur te Breda (parkeerterrein Terheijdenseweg) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een voertuig (Volkswagen Golf) heeft weggenomen een radio-navigatiesysteem, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair,
hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Breda en/of Wagenberg, gemeente Drimmelen, en/of Rotterdam, althans in Nederland, een goed, te weten een radio-navigatiesysteem (merk Blaupunkt, type RNS310) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij op 19 juni 2016 omstreeks 13.50 uur te Breda (parkeerterrein Kruisvoort) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (vanaf een personenauto (merk BMW)) een kentekenplaat ( [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

A.
hij op 19 juni 2016 omstreeks 14.15 uur te Wagenberg, gemeente Drimmelen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmee rijdende op een evenementen-/parkeerterrein, gelegen aan de weg de Scheerbiesstraat, [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] (zijnde hoofdagent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend met dat motorrijtuig met aanzienlijke snelheid, althans een snelheid veel te hoog voor veilig verkeer ter plaatse, gereden en/of (vervolgens) naar/op het politievoertuig waarin die [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] zich bevond, ingereden en/of (vervolgens) is hij, verdachte, tegen/op het politievoertuig waarin die [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] zich bevond, aangereden/gebotst;

en/of

B.

hij op of omstreeks 19 juni 2016 te Wagenberg, gemeente Drimmelen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op een evenementen-/parkeerterrein, gelegen aan de weg de Scheerbiesstraat, [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] (zijnde hoofdagent van politie) heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, met dat motorrijtuig met aanzienlijke snelheid, althans een snelheid veel te hoog voor veilig verkeer ter plaatse, gereden en/of (vervolgens) is hij naar/op het politievoertuig waarin die [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] zich bevond, ingereden en/of (vervolgens) is hij, verdachte, tegen/op het politievoertuig waarin die [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] zich bevond, aangereden/gebotst;


5.
hij in of omstreeks de periode van 18 juni 2016 tot en met 19 juni 2016 te Dordrecht (parkeerterrein Laan van Europa) en/of Zwijndrecht (parkeerterrein Middellijn), met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een of meerdere voertuigen (Volkswagen Passat en/of Audi A3) heeft weggenomen een of meerdere radio-navigatiesyste(e)m(en) (typenummer AUZ827QD200522 en/of type RNS510), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair,
hij in of omstreeks de periode van 18 juni 2016 tot en met 19 juni 2016 te Breda en/of Wagenberg, gemeente Drimmelen en/of Dordrecht en/of Zwijndrecht en/of Rotterdam, althans in Nederland, een of meer goed(eren), te weten twee, althans een, radio-navigatiesyste(e)m(en) (typenummer AUZ827QD200522 en/of type RNS510) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen – conform de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman – de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3A tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3B en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 19 juni 2016 te Breda (parkeerterrein Terheijdenseweg) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een voertuig (Volkswagen Golf) heeft weggenomen een radio-navigatiesysteem, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2.
hij op 19 juni 2016 te Breda (parkeerterrein Kruisvoort) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (vanaf een personenauto (merk BMW)) een kentekenplaat ( [kenteken] ), toebehorende aan [benadeelde partij 1] ;

3B.
hij op 19 juni 2016 te Wagenberg, gemeente Drimmelen, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op een evenementen-/parkeerterrein, gelegen aan de weg de Scheerbiesstraat, [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] (zijnde hoofdagent van politie) heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, met dat motorrijtuig met aanzienlijke snelheid gereden en is hij, verdachte, tegen het politievoertuig waarin die [verbalisant 2] zich bevond, aangereden;


5.
hij op 19 juni 2016 te Dordrecht (parkeerterrein Laan van Europa) en Zwijndrecht (parkeerterrein Middellijn) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit meerdere voertuigen (Volkswagen Passat en Audi A3) heeft weggenomen radio-navigatiesystemen (typenummer AUZ827QD200522 en type RNS510), toebehorende aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Verweer verdediging

De raadsman heeft terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak dan wel strafvermindering bepleit vanwege een vormverzuim. Hij heeft daartoe – kort weergegeven – aangevoerd dat is gebleken dat (meermalen) een peilbaken onder de auto van de verdachte is geplaatst om hem (stelselmatig) te observeren en niet, zoals door de politie is geverbaliseerd, om de verdachte te traceren en aan te houden. Er is derhalve sprake van schending van het verbod op détournement de pouvoir. Volgens de raadsman dient dat te leiden tot bewijsuitsluiting en zo niet, in elk geval tot strafvermindering.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad mag van de verdediging die een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van dat artikel genoemde factoren, waaronder het nadeel dat door het volgens de verdediging geschonden vormverzuim wordt veroorzaakt, wordt aangegeven tot welk in hetzelfde artikel omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden.

De stelling dat zich in de onderhavige zaak een vormverzuim voordoet en dat dit tot bewijsuitsluiting dan wel tot strafvermindering dient te leiden is derhalve ontoereikend. Nu het verweer onvoldoende is onderbouwd aan de hand van bovenbedoelde factoren behoeft het naar het oordeel van het hof geen nadere bespreking.

Ten overvloede overweegt het hof in het geval het verweer wel aan de daaraan te stellen eisen had voldaan het hof op dezelfde gronden als de rechtbank het verweer had verworpen.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

T.a.v. feit 1 primair en feit 5 primair

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 primair en 5 primair omdat de verdachte een voldoende aannemelijk verifieerbaar alternatief scenario heeft gegeven.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft gesteld dat hij op 19 juni 2016 zijn auto, een zwarte BMW met kenteken [kenteken 2] , heeft uitgeleend aan een ander in de periode dat de diefstallen onder 1 primair en 5 primair zijn gepleegd.

Tijdens zijn verhoor op 21 juni 2016 (p. 25-26 politiedossier) heeft de verdachte, zakelijk weergegeven het volgende verklaard. De verdachte is op die dag met zijn BMW naar het centrum van Etten-Leur gereden naar een vriend van hem, ene [naam vriend] . Vervolgens heeft de verdachte zijn BMW van ongeveer 11.00 uur tot 13.30 uur uitgeleend aan de broer van die [naam vriend] , die met de BMW navigatiesystemen zou gaan halen die de verdachte zou kopen. De verdachte is in de tussentijd in Etten-Leur gebleven. Verdachte weet geen achternaam van [naam vriend] en heeft geen verdere gegevens van hem. Wel weet de verdachte waar [naam vriend] woont.

Tijdens zijn verhoor op 13 juli 2016 (p. 38-39 politiedossier) heeft de verdachte een verklaring afgelegd die in grote lijnen overeenkomt met zijn op 21 juni 2016 afgelegde verklaring. Echter, waar de verdachte op 21 juni 2016 nog verklaart dat hij zijn auto heeft uitgeleend aan de broer van [naam vriend] , verklaart de verdachte op 13 juli 2016 dat hij met zijn auto is opgewacht bij een rotonde in Etten-Leur, links van de Esso, waar [naam vriend] op hem wachtte. [naam vriend] is daar vervolgens ingestapt in de auto van de verdachte en verdachte heeft verklaard dat hij samen met [naam vriend] naar zijn huis is gereden, waarna [naam vriend] de verdachte vroeg of hij de auto van verdachte mocht lenen om de navigaties op te halen in Breda. Verdachte heeft verklaard dat hij omstreeks 11.00 uur/11.30 uur in het huis van [naam vriend] was en daar met een andere jongen heeft zitten Playstation-en.

Tijdens het onderzoek op de terechtzitting van het hof heeft de verdachte weer verklaard dat hij zijn BMW voor een uur of twee had uitgeleend aan de broer van [naam vriend] , die [broer vriend] zou zijn genaamd. Daar waar de verdachte eerder heeft verklaard dat hij over (het centrum van) Etten-Leur heeft verklaard als de woonplaats van [naam vriend] , dan wel de broer [broer vriend] , heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat “die jongen op de grens Breda/Etten-Leur woont”. De verdachte heeft zijn verklaring verder niet geconcretiseerd noch de identiteit van [naam vriend] en [broer vriend] gepreciseerd. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij van Rotterdam naar Breda is gereden.

Reeds vanwege de beschreven wisselingen in de verklaringen van de verdachte op essentiële punten, te weten wat betreft de persoon aan wie de verdachte zijn auto zou hebben uitgeleend (en die dan mogelijk ook verantwoordelijk zou zijn voor de ten laste gelegde diefstallen van de drie navigatiesystemen of informatie zou kunnen verschaffen over de dader) alsmede de woonplaats van die persoon/personen, merkt het hof het alternatief scenario van de verdachte als ongeloofwaardig aan. Dit oordeel wordt nog ondersteund door:

  • -

    de verklaring van de verdachte op 21 juni 2016, inhoudende dat hij zijn BMW om ongeveer 11.00 uur heeft uitgeleend, hetgeen wordt weerlegd door de gegevens van het GPS-baken op de auto: de auto bevond zich om 10:57 uur ter hoogte van Zwijndrecht (dossierpagina 83);

  • -

    het voertuig van de verdachte, de BMW, volgens de gegevens van het technisch hulpmiddel, het GPS-baken, op 19 juni 2016 van 10.57 uur tot en met 14.12 uur niet in Etten-Leur is geweest (dossierpagina’s 83-84);

  • -

    de herkenning van de verdachte door [verbalisant 1] als bestuurder van de BMW met kenteken [kenteken 2] , die op 19 juni 2016 omstreeks 12.45 uur op de A58 bij de afrit Moergestel reed;

  • -

    de herkenning van de verdachte door [verbalisant 2] als degene die op 19 juni 2016 omstreeks 13.50 uur (wat overigens ook niet valt binnen het tijdvak waarin de verdachte volgens zijn zeggen voornoemde BMW had uitgeleend) op een parkeerterrein te Breda met een kentekenplaat in zijn handen van de achterzijde van een zwarte BMW (feit 2) is gelopen naar de nabij geparkeerde zwarte BMW met kenteken [kenteken 2] .

De raadsman heeft nog gesteld dat de politie nader onderzoek had kunnen doen omdat de verdachte heeft gesteld dat hij weliswaar geen adres van [naam vriend] had, maar dat hij wel naar de woning van genoemde [naam vriend] zou kunnen rijden. Dit houdt echter ook in dat de verdachte, vanaf het moment dat de voorlopige hechtenis van de verdachte in deze zaak was opgeheven (27 juli 2016), in staat moet zijn geweest in ieder geval nadere adresgegevens van [naam vriend] te overleggen. Het hof stelt echter vast dat de verdachte die gegevens noch enige andere verifieerbare gegevens betreffende [naam vriend] of zijn broer heeft overgelegd, zodat niet valt in te zien waarom het niet instellen van voornoemd nader onderzoek de verdachte heeft belemmerd.

Het verweer van de verdediging wordt in alle onderdelen verworpen.

Mede in aanmerking genomen de korte tijdspanne tussen het moment dat de ten laste gelegde diefstallen van de onder 1 en onder 5 tenlastegelegde navigatiesystemen (ongeveer) zijn gepleegd en het moment van het aantreffen van die systemen onder de verdachte, komt het hof tot de slotsom dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair en onder 5 primair ten laste gelegde diefstallen met braak.

T.a.v. feit 3B

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 3B. Daartoe is – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het opzet op de mishandeling van de verdachte niet kan worden bewezen omdat de verdachte wilde wegkomen toen hij door een voor hem onbekende werd beschoten en niet wist dat er iemand in het onopvallende dienstvoertuig zat waartegen hij met zijn BMW is aangereden, laat staan dat het een opsporingsambtenaar betrof.

Voorts ontbreekt de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte, omdat de BMW van de verdachte reeds voorafgaande aan de aanrijding in strijd met de Ambtsinstructie voor de politie is beschoten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het door [verbalisant 3] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (p. 57 e.v. politiedossier) blijkt:

  • -

    dat [verbalisant 3] op 19 juni 2016 werkzaam was in burgerkleding en reed in een onopvallend dienstvoertuig:

  • -

    dat [verbalisant 3] wist dat de verdachte extreem vluchtgevaarlijk was en dat hij al diverse malen was ontkomen bij een poging hem aan te houden en daarbij voor zijn medeweggebruikers zeer gevaarlijk verkeersgedrag vertoonde;

  • -

    dat [verbalisant 3] hoorde dat verdachte omstreeks 14.14 uur het parkeerterrein aan de Scheerbiesstraat te Wagenberg in de gemeente Drimmelen opreed met zijn BMW;

  • -

    dat [verbalisant 3] zag dat er grote groepen mensen liepen op dit parkeerterrein;

  • -

    dat [verbalisant 3] op enig moment naar de BMW van de verdachte is gereden en dat hij zag dat de verdachte op dat moment naast de BMW stond;

  • -

    dat [verbalisant 3] vervolgens zijn dienstvoertuig achter de BMW heeft geparkeerd en vervolgens naar de verdachte is toegelopen en meerdere malen iets heeft gezegd in de trant van: ‘Politie, je bent aangehouden’;

  • -

    dat de verdachte vervolgens in zijn BMW sprong en met geopend portier wegreed, waarbij [verbalisant 3] door de auto werd geraakt;

  • -

    dat [verbalisant 3] vervolgens, rennend naast de BMW, met een vuurwapen de linker voor- en achterband heeft lek geschoten ten einde het voertuig te doen stoppen;

  • -

    dat de BMW desondanks doorreed.

Uit het door [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (p. 135 e.v. politiedossier) blijkt:

  • -

    dat [verbalisant 2] op 19 juni 2016 werkzaam was in burgerkleding en reed in een onopvallend dienstvoertuig en aanwezig was op het parkeerterrein aan de Scheerbiesstraat te Wagenberg in de gemeente Drimmelen;

  • -

    dat [verbalisant 2] op enig moment van collega [verbalisant 3] hoorde dat zou worden overgegaan tot aanhouding van de verdachte;

  • -

    dat [verbalisant 2] vervolgens met zijn dienstvoertuig is gereden naar het begin van de parkeerstraat waar [verbalisant 3] zijn dienstvoertuig achter de BMW van de verdachte had geparkeerd;

  • -

    dat [verbalisant 2] op enig moment zag dat de BMW hard wegreed in de richting van [verbalisant 2] en hem snel naderde;

  • -

    dat [verbalisant 2] vervolgens zijn dienstvoertuig zo in de desbetreffende parkeerstraat heeft gezet dat het voertuig van [verbalisant 2] niet kon worden gepasseerd door een ander voertuig;

  • -

    dat [verbalisant 2] , nadat hij zijn dienstvoertuig tot stilstand had gebracht, zag dat de BMW doorreed en geen snelheid minderde en met een geschatte snelheid van 50 km/uur tegen de voorzijde van het voertuig van [verbalisant 2] aanreed;

  • -

    dat [verbalisant 2] vervolgens een harde klap hoorde en harde klap voelde in zijn lichaam waardoor hij een pijnlijk gevoel kreeg op de borst;

  • -

    dat [verbalisant 2] vervolgens uit de auto is gestapt, naar het voertuig van de verdachte is toegegaan, het portier aan de bijrijderszijde heeft geopend en dat de verdachte toen achteruit wegreed zodat het portier tegen [verbalisant 2] aankwam en dat deze toen zijn vuurwapen ter hand heeft genomen en op de verdachte heeft gericht en dit weer heeft opgeborgen om de verdachte, die zijn auto inmiddels had verlaten en wegrende, te achtervolgen.

Uit het voorgaande blijkt dat de verdachte, nadat [verbalisant 3] hem meerdere malen had gezegd dat hij was aangehouden door de politie, met zijn BMW hard is weggereden in de richting van de plek waar het onopvallende dienstvoertuig van [verbalisant 2] stond. [verbalisant 2] zag dat de BMW hem snel naderde en heeft vervolgens zijn dienstvoertuig verplaatst om de verdachte de doorgang te beletten. Verdachte moet dit hebben gezien en wist derhalve dat zich minimaal 1 persoon in dit voertuig bevond, namelijk de bestuurder. Desondanks is de verdachte zonder snelheid te minderen met een geschatte snelheid van 50 km/uur doorgereden en is hij tegen het stilstaande voertuig van [verbalisant 2] aangereden. Een en ander wordt bevestigd door het uitgevoerde sporenonderzoek (p. 139-144). Door zo te handelen heeft de verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bestuurder van dat stilstaande voertuig door de door verdachte veroorzaakte botsing pijn en/of letsel zou bekomen. Hieraan doet niet af dat verdachte ten tijde van die botsing niet wist wie de bestuurder was en of de bestuurder een verbalisant betrof. Het hof acht de mishandeling van [verbalisant 2] dan ook bewezen.

Ook het verweer van de raadsman dat de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte ontbreekt, slaagt niet.

Het hof stelt vast dat de verdachte nadat hem meerdere malen door [verbalisant 3] was medegedeeld dat hij door de politie was aangehouden, heeft getracht zich aan die aanhouding te onttrekken door weg te rijden. Het onderdeel van het verweer van de verdediging dat de verdachte op dat moment in de veronderstelling verkeerde dat hij door een onbekende werd beschoten en dat de verdachte daarom wilde ontkomen, mist derhalve feitelijke grondslag. Er is overigens ook niet gebleken dat er op de verdachte is geschoten, er is op twee autobanden geschoten.

Door de verdediging is niet onderbouwd op grond waarvan de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte ten opzichte van [verbalisant 2] zou komen te vervallen door het mogelijk in strijd met de Ambtsinstructie voor politie schieten op de banden van de auto van de verdachte. Het verweer kan reeds daarom niet slagen. Of door [verbalisant 3] is gehandeld in strijd met de Ambtsinstructie voor politie kan onbesproken blijven.

Het verweer van de verdediging wordt in alle onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 3B bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 5 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van het feit heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met:

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan drie gekwalificeerde diefstallen van navigatiesystemen en diefstal van een kentekenplaat. Diefstallen veroorzaken niet alleen financiële schade, maar ook overlast aan de eigenaren van de gestolen goederen;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [verbalisant 2] door, in een poging om aan de politie te ontkomen, met zijn voertuig met aanzienlijke snelheid aan te rijden tegen het stilstaande voertuig waarin [verbalisant 2] zich bevond. [verbalisant 2] heeft als gevolg hiervan pijn ondervonden. Bij de vordering tot schadevergoeding is door [verbalisant 2] een medische verklaring d.d. 19 juni 2016 van een huisarts overgelegd waarin is vermeld dat [verbalisant 2] na de aanrijding last had van duizeling en een stijve nek, dat de klachten steeds heviger werden, dat de pijn uitstraalde naar de rechterschouder en dat het hoofd gevoelig was. Er is vervolgens gebruik van medicatie, Ibuprofen, voorgeschreven. De gevolgen van deze door de verdachte veroorzaakte aanrijding hadden voor [verbalisant 2] veel ernstiger kunnen zijn. Het hof rekent de verdachte deze handelwijze dan ook zwaar aan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met:

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 juli 2020, ten tijde van de bewezenverklaarde feiten tweemaal onherroepelijk was veroordeeld voor vermogensdelicten;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Uit het voortgangsverslag toezicht van de Reclassering Nederland d.d. 8 september 2020 blijkt dat verdachte zich goed houdt aan gemaakte afspraken en dat hij inmiddels stappen heeft gezet om zijn leven op orde te krijgen.

Gelet op het vorenstaande kan - gelet op de vorenomschreven ernst van de bewezenverklaarde feiten – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Alles afwegende acht het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 81 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, aangewezen.

Bij de strafvervolging van verdachte is echter in hoger beroep de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, overschreden. Het hof zal bij de strafoplegging rekening houden met deze schending door in plaats van bovengenoemde taakstraf een taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis op te leggen.

Het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

De raadsman heeft bepleit dat de in beslag genomen personenauto van het merk BMW aan de verdachte wordt teruggegeven omdat de draagkracht van de verdachte verbeurdverklaring niet zou toelaten. De verdediging heeft echter verzuimd de vermogenspositie van de verdachte met stukken te onderbouwen. Verdachte heeft volgens zijn eigen verklaring ter zitting in hoger beroep al meerdere jaren vast werk. Niet is gebleken dat de verdachte momenteel schulden heeft. Het hof gaat bij de beoordeling van het draagkrachtverweer uit van een waarde van de auto van ongeveer €1.500,--, zoals op de beslaglijst vermeld en door of namens de verdachte niet betwist. Het verweer wordt verworpen.

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto van het merk BMW, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan.

De [benadeelde partij 2/ verbalisant 2]

De [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 651,33, waarvan € 23,33 ter zake van materiële schade en € 628,-- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 373,33 (€ 23,33 ter zake van materiële schade en € 350,-- ter zake van immateriële schade).

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] als gevolg van verdachtes onder 3 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden conform de bedragen die door de rechtbank zijn toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans voor het overige in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] is toegebracht tot een bedrag van € 373,33. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 57, 63, 300, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3A tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3B en 5 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3B en 5 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 81 (eenentachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

Personenauto BMW 5 (2005) met kenteken [kenteken 2] (G1559823).

Vordering van de [benadeelde partij 2/ verbalisant 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 373,33 (driehonderddrieënzeventig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 23,33 (drieëntwintig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2/ verbalisant 2] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 373,33 (driehonderddrieënzeventig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 23,33 (drieëntwintig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 19 juni 2016.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. J.J.M. Gielen-Winkster en mr. A.C. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Nieuwendijk, griffier,

en op 22 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 De rechtbank spreekt in het vonnis van het tenlastegelegde onder 3A (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans zware mishandeling) en het cumulatief/alternatief tenlastegelegde 3B (mishandeling). Het hof zal in dit arrest voor de duidelijkheid deze verwijzingen overnemen.