Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4165

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
04-03-2021
Zaaknummer
20-000956-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000956-18

Uitspraak : 12 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 maart 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-257204-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens]

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte ter zake van :

-feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

-feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

-feit 3:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis.

De verdediging heeft het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 19 april 2017 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 231 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.
hij op of omstreeks 19 april 2017 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1.530 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.
hij op of omstreeks 19 april 2017 te Tilburg tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededaders, waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 19 april 2017 te Tilburg opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres 2] , 231 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.
hij op 19 april 2017 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft gehad 1.530 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.
hij op of omstreeks 19 april 2017 te Tilburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, toebehorende aan [benadeelde partij]

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit of die bewezenverklaarde feiten waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft haar in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe zijn dezelfde gronden als in eerste aanleg aangevoerd. Kort gezegd komt deze onderbouwing erop neer dat de verklaring van verdachte ter zitting in eerste aanleg moet worden gevolgd die een alternatief scenario inhoudt. Dit alternatieve scenario zou dan inhouden dat verdachte het appartement aan de [adres 2] heeft onderverhuurd aan [huurder] , die de huur contant met verdachte afrekende. Verdachte zou app- en belcontact met [huurder] hebben gehad wanneer die laatste voldoende geld had om de huur te voldoen. Verdachte heeft enkel zijn woning ter beschikking gesteld maar had verder geen enkele betrokkenheid bij of wetenschap van die in die woning aanwezige hennepkwekerij, droge hennep en van de diefstal van elektriciteit.

De politierechter heeft omtrent voormeld verweer van de verdediging onder meer het navolgende overwogen en beslist:

De politierechter acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft eerder een beroep op zijn zwijgrecht gedaan en komt ter zitting met een verklaring die een alternatief scenario inhoudt. De politierechter acht dit alternatief scenario ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd. Verdachte heeft dit alternatieve scenario geen handen en voeten gegeven door het overleggen van enige onderbouwing dan wel bescheiden. De politierechter ziet op de overgelegde rekeningen geen enkel bewijs van enige (contante) stortingen die zien op de huur die door [huurder] zou zijn voldaan. Verdachte was bovendien degene die rekening(en) aan [benadeelde partij] voldeed. Tevens kan verdachte geen enkel what’s appcontact of belcontact overleggen waaruit op te maken valt dat hij en [huurder] op enige wijze contact met elkaar onderhielden over de huur c.q. de woning. Daarbij constateert de politierechter dat het appartement op naam van verdachte staat en dat verdachte de maandelijkse huur voldeed aan de eigenaar van het pand. Nu niet is gebleken dat een ander dan verdachte de woning in gebruik had, houdt de politierechter het ervoor dat het verdachte is die verantwoordelijk moet worden gehouden voor de aangetroffen hennepkwekerij, de (gedroogde) hennep en de diefstal van de stroom.

Het hof neemt vorenstaande overwegingen en beslissing van de politierechter over, maakt deze tot de zijne en verwerpt op grond daarvan het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.

Het hof voegt aan voormelde overweging van de politierechter toe dat [huurder] bij de politie heeft verklaard het adres van verdachte als postadres te gebruiken waarvoor hij verdachte maandelijks contant € 150,- betaalde. Naast het feit dat het hof geen enkele reden heeft te twijfelen aan deze verklaring van [huurder] , meent het daarvoor ook ondersteuning te zien in de van verdachte in het dossier opgenomen bankafschriften. Daaruit blijkt dat op 3 oktober 2016 contant een bedrag van € 1.950, - en op 9 november 2016 contant een bedrag van € 300,- wordt gestort, zijnde beide bedragen telkens exact deelbaar door het door [huurder] in zijn verklaring genoemde bedrag van € 150,- per maand en niet door het in de schriftelijke huurovereenkomst genoemde huurbedrag van € 770,- per maand dat [huurder] telkens contant aan verdachte zou hebben overhandigd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De politierechter heeft verdachte ter zake de bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal heeft oplegging gevorderd van een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de teelt van 231 hennepplanten, de aanwezigheid van 1.530 gram hennep en diefstal van elektriciteit.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 augustus 2020 volgt dat totdat de onderhavige bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd, verdachte niet eerder ter zake Opiumwetdelicten of vermogensdelicten onherroepelijk was veroordeeld.

Omtrent zijn persoonlijke omstandigheden heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep nog naar voren gebracht dat verdachte onlangs uit detentie in verband met een andere veroordeling is gekomen, dat hij zijn leven weer op de rit wil krijgen en dat hij mogelijk weer aan de slag gaat als koerier bij het bedrijf [naam bedrijf].

Voor wat betreft de strafoplegging indiceren de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor de teelt van 231 hennepplanten: 120 uren taakstraf alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. Voor de aanwezigheid van 1.530 gram hennep komen daar nog 100 uren taakstraf bij. Bij dit alles is de diefstal van elektriciteit nog niet betrokken.

Alles overziende en met inbegrip van de toepasselijkheid van artikel 63 Wetboek van Strafrecht, acht het hof in beginsel een taakstraf als door de politierechter van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis passend en geboden. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet het hof aanleiding om daarnaast niet ook een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het hof heeft evenwel vastgesteld dat de redelijke termijn in de fase van het hoger beroep is overschreden.

Het hof stelt de aanvang van deze termijn vast op 19 maart 2018, de datum waarop verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Het einde van deze termijn wordt door het hof vastgesteld op 12 november 2020, de datum waarop het hof in deze zaak uitspraak doet.

Daarmee is de redelijke termijn die voor deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld met bijna 8 maanden overschreden.

Gelet daarop zal het hof in plaats van een taakstraf van voormeld aantal uren aan verdachte een taakstraf opleggen overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, te weten een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (éénhonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. P.T. Gründemann, voorzitter,

mr. B. Stapert en mr. J.J.J. Wubben, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,

en op 12 november 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.J.J. Wubben is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.