Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:4158

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
20-002895-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002895-19

Uitspraak : 8 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 augustus 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-071227-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - diefstal met braak veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

Voorts is bij vonnis waarvan beroep de vordering van [slachtoffer/ benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van € 85,00 (bestaande uit materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

[slachtoffer/ benadeelde partij 1] heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. De vordering staat daarom in hoger beroep slechts ter beoordeling voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de bewijsmiddelen met de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring dat hij de persoon is die op de camerabeelden te zien is.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering en subsidiair bepleit dat deze vordering zal worden afgewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 25 juli 2018 te Rilland, gemeente Reimerswaal een portemonnee met inhoud (zie aangifte BVH-nummer 2018173803), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer/ benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen portemonnee met inhoud onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

subsidiair
hij op of omstreeks 25 juli 2018 te Rilland, gemeente Reimerswaal opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een auto (type Dodge Ram, chassisnummer [chassisnummer] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 juli 2018 te Rilland, gemeente Reimerswaal, een portemonnee met inhoud, die toebehoorde aan [slachtoffer/ benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, die weg te nemen portemonnee met inhoud onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2018 (dossierpagina’s 2-4), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :

(pagina 2)

Feit: Diefstal uit/vanaf personenauto

Plaats delict: Rillandseweg, Rilland, binnen de gemeente Reimerswaal

Ik ben de tenaamgestelde van een personenauto, Dodge Ram met het Belgisch kenteken [kentekennummer 1] .

Op 25 juli 2018, omstreeks 11.25 uur, heb ik dit voertuig geparkeerd op de Rillandseweg te Rilland net voor de treinoverweg. Ik was samen met mijn collega [slachtoffer/ benadeelde partij 1] . De auto stond op dit moment op slot. Toen wij enkele minuten later terugkwamen bij de auto, zag mij collega [slachtoffer/ benadeelde partij 1] dat het raam van het portier, rechts, kapot was.

(pagina 3)

In dit voertuig is een camerasysteem aanwezig en ik heb de beelden teruggekeken. Het alarm van de auto is afgegaan.

Nadat het raam is ingeslagen heeft de dader uit het middenconsole de portemonnee van mijn collega [slachtoffer/ benadeelde partij 1] weggepakt. In deze portemonnee zaten diverse pasjes, waaronder een kentekenbewijs van het voertuig [kentekennummer 2] , zijn bankpas met het nummer [rekeningnummer] en zijn rijbewijs met het nummer [rijbewijsnummer] . Ook zat er ongeveer € 25,00 aan contant geld in zijn portemonnee.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2018 (dossierpagina 6, en de daarbij gevoegde bijlage fotoblad, bijlage 1 en bijlage 2, dossierpagina’s 7 en 8), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

Naar aanleiding van een gepleegde inbraak in een personenauto heb ik de camerabeelden uitgekeken die de aangever heeft aangeleverd. De aangever heeft in zijn auto een camera hangen die de achterzijde van de auto filmt.

Op de beelden zag ik het volgende.

Ik zag dat de tijd op de beelden 11:24:00 uur was. Ik zag dat de datum 25-07-2018

was. Ik zag op de beelden een kofferbak van een auto. Ik zag dat er achter de personenauto nog een auto stond. Ik zag dat dit een grijze Citroen was. Ik zag dat het kenteken van de auto [kentekennummer 3] was. Ik zag dat de auto naar achter gereden kwam, tot hij op enkele meters afstand van het voertuig stond.

Ik zag dat de man even op zijn telefoon keek en vervolgens naar het voertuig van de

aangever liep. Ik zag dat hij naar de passagierskant liep. Ik zag dat hij terug naar

zijn eigen auto liep en om zich heen keek. Ik zag dat hij terug naar de passagierskant liep. Ik zie dat de man uit het beeld verdwijnt.

Ik zie dat de man terug loopt en zoekend rondkijkt. Ik zie dat de man in zijn auto stapt en daarna terug loopt naar de bestuurderszijde van het voertuig van de aangever. Ik zie dat de man wederom terug loopt naar zijn eigen auto, de kofferbak opent en daar iets doet. Op de beelden is niet te zien wat de man doet. Ik zie dat de man vervolgens weer naar de passagierszijde loopt. Ik hoor vervolgens glasgerinkel en een claxon meermaals afgaan. Ik zie de auto even schudden en hoor een klap, vermoedelijk van de deur die dichtslaat. Ik zie dat de man terug naar zijn auto rent en instapt. Ik zie het voertuig vervolgens wegrijden.

Ik heb van de beelden waarop de man goed zichtbaar is snapshots (schermafdrukken) gemaakt. Deze 3 schermafdrukken voeg ik bij als Bijlage 1 en 2.

3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2018 (dossierpagina 9), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :

Tijdens de melding die collega’s van een diefstal uit een personenauto hebben gekregen wordt door de aangever telefonisch een kenteken doorgegeven. Dit betreft een Nederlands kenteken voorzien van de combinatie [kentekennummer 3] . Uit de geautomatiseerde systemen van de politie blijkt dit voertuig te staan op naam van:

[betrokkene 1]

, geboren [geboortedatum] 1994

[adres betrokkene 1]

Volgens de gemeentelijke basisadministratie is de vader van de tenaamgestelde van het voertuig woonachtig op hetzelfde adres, te weten:

[verdachte]

, geboren [geboortedag] 1967.

4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 oktober 2018 (dossierpagina 11), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3] :

Uit het door het onderzoeksteam ingesteld onderzoek bleek dat de afgebeelde persoon op de printscreens vermoedelijk betrof: [verdachte] geboren [geboortedag] 1967 wonende [adres verdachte] .

Op 2 oktober 2018 kreeg ik, in mijn hoedanigheid van wijkagent Oud Gastel, door het onderzoeksteam vorengenoemde printscreens toegezonden. In het kader van mijn werkzaamheden als wijkagent Oud Gastel ben ik bekend met vorengenoemde [verdachte] . Ik heb hem enkele maanden geleden gezien en gesproken bij zijn woning. Printscreen 1 acht ik niet voldoende duidelijk om daar een herkenning op te baseren. De afgebeelde persoon op printscreen 2 herken ik als zijnde de vorengenoemde [verdachte] . Ik herken hem aan zijn gezicht, vorm van hoofd en diens kale schedel.

5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 februari 2019 (dossierpagina’s 15 en 16), voor zover inhoudende als verklaring van de [verdachte] :

(pagina 16)

U heeft mij medegedeeld dat ik verdacht word van een diefstal uit een auto, gepleegd op 25 juli 2018 te Rilland, gemeente Reimerswaal, Rillandseweg. U heeft mij medegedeeld dat de dader van deze diefstal reed in een grijze Citroën, voorzien van het kenteken [kentekennummer 3] , welke auto op naam staat van mijn zoon. Ik kan u mededelen dat deze auto feitelijk mijn auto is. Feitelijk gezien ben ik de enige bestuurder van die auto en deze auto wordt door mij nooit aan iemand uitgeleend.

6. De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 augustus 2020, voor zover inhoudende:

U, voorzitter, toont mij de screenshots van de camerabeelden, zoals opgenomen op dossierpagina’s 7 en 8.

U, voorzitter, vraagt mij of ik de man ben die op de screenshots te zien is. Ik antwoord daarop dat het goed mogelijk zou kunnen zijn. Ik denk het wel.

7. De eigen waarneming van dit hof, gedaan ter terechtzitting van 25 augustus 2020, inhoudende dat op de camerabeelden zoals door aangever beschikbaar zijn gesteld geen andere persoon dan de verdachte is te zien.

Bewijsoverwegingen

I.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Daartoe is aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van de tenlastegelegde diefstal met braak, aangezien noch uit de camerabeelden noch uit de aangifte blijkt dat de verdachte de diefstal met braak heeft gepleegd. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman van de verdachte zich aangesloten bij hetgeen hij ten aanzien van het primair tenlastegelegde naar voren heeft gebracht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Naar het oordeel van het hof vindt het door de verdediging gevoerde verweer zijn weerlegging in de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen blijkt immers dat de aangever op 25 juli 2018 omstreeks 11:25 uur de auto heeft geparkeerd, met zijn collega is uitgestapt en de auto heeft afgesloten. Toen hij enkele minuten later terugkwam bij de auto was het raam van het rechterportier (het hof begrijpt: de passagierszijde) vernield en was de portemonnee van zijn collega, die in het middenconsole lag, weggenomen. In de auto van de aangever was een camerasysteem aanwezig en [verbalisant 1] heeft de camerabeelden bekeken en beschreven. Hij zag op de beelden, met datum 25 juli 2018 en tijdstip 11:24:00 uur, dat een grijze Citroën met kenteken [kentekennummer 3] op enkele meters afstand van de auto tot stilstand kwam, een man naar de auto van de aangever liep en zoekend rondkeek. Even later zag hij dat de man terugliep naar zijn auto, de kofferbak opende en vervolgens naar de passagierszijde van de auto van de aangever liep, waarna het geluid van glasgerinkel en een claxon die meermaals afging klonk. De man rende daarna terug naar zijn auto, stapte in en reed weg. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep de camerabeelden bekeken en sluit zich bij de bevindingen van de verbalisant aan.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ten tijde van het tenlastegelegde de enige gebruiker was van de grijze Citroën en dat hij denkt dat hij op de camerabeelden te zien is. Hij ontkent evenwel de tenlastegelegde diefstal met braak te hebben begaan. Het hof overweegt dat de verdachte geen alternatief scenario heeft geschetst voor het ontstaan van de schade aan de ruit van de auto en de geconstateerde diefstal en voorts dat in de korte periode tussen het parkeren van de auto door de aangever en het moment waarop hij terug bij de auto komt en de inbraak constateert geen ander persoon dan de verdachte op de camerabeelden is waargenomen. Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die de tenlastegelegde diefstal met braak heeft gepleegd.

Anders dan de verdediging acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde diefstal met braak heeft begaan.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer in alle onderdelen.

II.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft bepleit aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met een taakstraf.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan - kort gezegd - diefstal met braak, door een ruit van een auto in te slaan en een in het middenconsole gelegen portemonnee te ontvreemden. Door aldus te handelen heeft de verdachte het eigendomsrecht van zowel de eigenaar van de auto als de eigenaar van de portemonnee niet gerespecteerd. Het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat een dergelijk feit in het algemeen schade teweeg brengen aan eigenaren van de weggenomen goederen dan wel betrokken verzekeraars, alsmede de mate van overlast en ergernis die door dergelijke delicten worden veroorzaakt aan gedupeerden.

Het hof heeft bij de straftoemeting ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 juni 2020, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Voor een van die feiten, te weten schuldheling, is aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit een taakstraf opgelegd en door hem verricht, zodat artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (het zogeheten taakstrafverbod) van toepassing is.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij sinds korte tijd een nieuwe baan heeft in de transport- en verhuursector, waarmee hij € 1.600,00 per maand verdient. Hij woont samen met de moeder van zijn kinderen, welke kinderen 25 en 30 jaar oud zijn en niet meer thuis wonen. Hij heeft geen schulden en is niet verslaafd aan alcohol en/of drugs.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Alle omstandigheden afwegende acht het hof - met de politierechter en de advocaat-generaal - een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden.

Vordering van [slachtoffer/ benadeelde partij 1]

heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 635,00 (bestaande uit materiële schade). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 85,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [slachtoffer/ benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [slachtoffer/ benadeelde partij 1] is toegebracht tot een bedrag van € 85,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken;

Vordering van [slachtoffer/ benadeelde partij 1]

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer/ benadeelde partij 1] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 85,00 (vijfentachtig euro) bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer/ benadeelde partij 1] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 85,00 (vijfentachtig euro) bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 augustus 2018;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. M.J. Grapperhaus, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Batelaan, griffier,

en op 8 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Grapperhaus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Onder dit kopje wordt - tenzij anders vermeld - telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde Einddossier van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, district Zeeland, DAP Zeeland, registratienummer PL2000-2018173803, sluitingsdatum 25 februari 2019, doorgenummerde dossierpagina’s 1-17. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaren zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.